Neerkijken op de ander. Van menselijke dierentuinen en genocide tot moderne slavernij

Het tentoonstellen van ‘inboorlingen’ heeft een lange traditie. Het begon al in het oude Egypte. Vooral in de tweede helft van de 19de eeuw waren de menselijke dierentuinen erg populair en moesten ze dienen als legitimatie van het kolonialisme. Nog op de Expo van 1958 in Brussel was een Congolees dorp ingericht. Maar de tijden waren veranderd: ‘Na een incident met blanke kinderen die bananen gooiden naar hun zwarte leeftijdsgenoten hielden de Congolezen de menselijke zoo voor bekeken’.

Onderzoekers merken daar het in het interessante artikelIn the Days of Human Zoos’ (2016) over op: ‘De antropo-zoölogische tentoonstellingen waren de belangrijkste vector in de overgang van wetenschappelijk racisme naar wijdverbreid koloniaal racisme. Voor de bezoekers was de aanblik van deze populaties achter tralies – echt of symbolisch – voldoende om de hiërarchie te verduidelijken: het was duidelijk waar de macht en kennis zouden liggen.’

Het is moeilijk om ons voor te stellen hoe er 150 jaar geleden gedacht werd. Landen waren nog geen eenheid zoals ze tegenwoordig zijn. Hoe bevolkingsgroepen momenteel ook politiek van elkaar verschillen, vroeger waren landen cultureel en geografisch minder eenvormig dan nu.

Neerkijken op de ander om er zelf sterker van te worden is iets van alle tijden en alle landen. Het bestaat nog steeds, maar alleen niet in de vorm van menselijke dierentuinen. Denk aan de slavernij van de Oeigoeren in China of dwangarbeiders uit Noord-Korea, India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Sri Lanka die buiten hun grenzen worden tewerkgesteld. Denk aan de meer dan 6.500 arbeiders die in Qatar zijn overleden bij de bouw van voetbalstadions. In de Tweede Wereldoorlog lieten de nazi’s dwangarbeiders zich doodwerken.

Het kan nog erger. De Ottomanen probeerden in 1915 de Armeniërs uit te roeien, de Duitsers in het begin van de 20ste eeuw twee volkeren in wat tegenwoordig Namibië heet en de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog de Joden, Roma en Sinti.

Wat is erger? De ‘inboorling’ als visitekaartje van het kolonialisme, de moderne slavernij van de rechteloze migrantenwerkers of de sluimerende genocide op de Oeigoeren? Iedere tijd heeft een specifieke verschijningsvorm van het onrecht.

Het wonder waarom Fatima nooit verschijnt in Fátima


Volgens christendom en islam is een wonder een ingreep van God in het universum. Wonderlijk is dat katholieke wonderen altijd in een katholiek gebied plaatsvinden en islamitische wonderen altijd in een islamitisch gebied. Hetzelfde geldt voor boeddhistische, hindoeistische of joodse wonderen. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Hoe weten de wonderen dat ze in Lourdes of Mekka moeten verschijnen en niet in New Delhi of Tokio? Op de maan of Lanciano, en niet in Fátima of in Geumgang?

Logistiek van wonderen is een groot wonder. Elk wonder weet als een automatische piloot de juiste religie en ook nog eens het juiste verspreidingsgebied van een religie te vinden. Nooit vindt een katholiek wonder plaats in Mekka of verschijnt een 200 jaar dode Swami in Lourdes. Nooit verschijnt een protestant wonder bij joden of een boeddhistisch wonder bij de Paasbeweging. Da’s een wonder omdat er wereldwijd talloze religies zijn.

Religieuze TomTom is een wonder dat al eeuwen feilloos werkt. Het wonder van het wonder is daarom het grootste wonder. Zoals de groene pil die op maandag naar de nieren gaat, op dinsdag naar het hoofd, op woensdag naar de lever, op donderdag naar het hart, op vrijdag naar de voeten, op zaterdag naar de maag en op zondag onder de tong in de mond blijft. Religie is een groene pil voor wie in de werking ervan gelooft.

Foto: Vrouw doet boete in Fátima, Portugal