Privatiseer Museum Het Belfort in Sluis

Standbeeld van J.H. van Dale in Sluis.

In het beleidsstukVisie op Musea‘ van de gemeente Sluis van maart 2021 wordt over Museum Het Belfort gezegd dat het onderdeel van de publieke organisatie van de gemeente Sluis is. Dat houdt in dat de gemeente Sluis voor het onderhoud en de exploitatie verantwoordelijk is.

Schermafbeelding van deel (op p.8) uit beleidsnota ‘Visie op Musea‘ van de gemeente Sluis van maart 2021.

Maar uit een artikel van de PZC van 15 juli 2021 blijkt dat de gemeente de verantwoordelijkheid voor het Museum Het Belfort niet wil dragen. De inleiding spreekt boekdelen: ‘Welke ondernemer gaat het belfort in Sluis uitbaten? De gemeente is op zoek, nu de VVV – de voormalige exploitant – zijn werkzaamheden in Zeeland heeft beëindigd.’

Het wordt nog wranger: ‘De gemeente zoekt een ondernemer die bijvoorbeeld een toeristische giftshop wil starten. Dat kan in de balieruimte van het museum. Als voorwaarde stelt de gemeente dat de uitbater ook beheerder van het museum in het belfort wordt. De werkzaamheden zijn bezoekers ontvangen, toegangstickets verkopen en toeristische informatie verstrekken.‘ Dat is een hybride functie van profit en non-profit waarbij het de vraag is waar het een ophoudt en het ander begint. Dat is van belang als het om ethische museale normen gaat.

Museum Het Belfort staat sinds juni 2017 geregistreerd in het Museumregister. Musea die zijn aangesloten bij het Museumregister worden getest op de Museumnorm 2020. Dit houdt in dat de geregistreerde musea dienen te voldoen aan kwaliteitsnormen. Museale taken kunnen uitbesteed worden aan een rechtspersoon, maar ‘In dat geval blijft de uitbestedende partij [de gemeente Sluis] verantwoordelijk voor de invulling van de uitbestede zaken conform de Museumnorm‘. Het is mogelijk dat een commerciële partij het museum gaat uitbaten, maar dan ligt belangenverstrengeling op de loer. Een en ander dient vooraf zorgvuldig afgesproken en gescheiden te worden.

Uit het PZC-artikel van Bob Maes blijkt dat de gemeente Sluis zich verschuilt achter de VVV. Dat is de defensiemuur van het college. Tot begin 2021 nam de VVV de exploitatie voor haar rekening. Vrijwilligers die het toen overnamen blijken te zwaar belast te worden.

De PZC vervolgt: ‘Vorige week stelde wethouder Peter Ploegaert zich tijdens een gemeenteraadsvergadering zelfkritisch op. Hij vond dat de gemeente steken had laten vallen en niet snel genoeg had ingespeeld op het stoppen van de VVV. De gemeenteraad trok daarom 50.000 euro uit voor een beroepskracht, die het museum in ieder geval tot en met september iedere dag open houdt.

Tekenend is dat CDA-wethouder Ploegaert onder meer recreatie, toerisme en monumenten in zijn portefeuille heeft, maar niet cultuur. Dat is ondergebracht bij burgemeester Marga Vermue. Het probleem is echter niet het verdwijnen van de VVV als uitbater van Museum Het Belfort, maar het feit dat de gemeente Sluis als publieke organisatie niet de verantwoordelijkheid neemt om de exploitatie voor haar rekening te nemen. Het is goed dat er budget is vrijgemaakt voor het tijdelijk aannemen van een vaste kracht, maar dat is geen duurzame oplossing.

Een toeristische gids van de streek zegt over Museum Het Belfort: ‘Het imponerende gebouw huisvest tegenwoordig een museum, gewijd aan de Sluise stadsgeschiedenis en de beroemdste Sluizenaar, woordenboekenmaker Johan Hendrik van Dale. Ook zijn er twee minibioscopen, tentoonstellingen, stijlkamers en de indrukwekkende historische raadszaal.

De Stichting Johan Hendrik Van Dale heeft een ingetrokken ANBI-status (2017) en zegt op haar Facebook-pagina over de eigen doelstelling: ‘Het organiseren van tentoonstellingen op het gebied van beeldende kunst in de Raadskelder van het Belfortmuseum te Sluis‘.

Sluis is een kleine gemeente met iets meer dan 23.000 inwoners. Het heeft weinig middelen. Daarom moet men niet te hard oordelen over een gemeente die de eindjes aan elkaar moet knopen. De vraag is echter of de gemeente binnen de huidige mogelijkheden de optimale oplossing kiest. Dat valt te betwijfelen. Het lijkt erop dat de gemeentelijke politiek niet uit het eigen kader kan stappen door een oplossing te kiezen waarvan iedereen profiteert.

Het is opvallend dat Museum Het Belfort en de Stichting Johan Hendrik Van Dale geen ANBI-status hebben, zodat ze werk kunnen maken van hun fondsenwerving. Men moet de toeristische aantrekkingskracht van de kuststreek niet onderschatten evenmin als de aantrekkingskracht van Johan Hendrik van Dale wiens naam het bekendste woordenboek in het Nederlandse taalgebied siert.

De oplossing die het college biedt lijkt sterk op privatisering zonder dat te zijn. Dat is vanwege de bestuurlijke problemen die veel energie opslokken en het gebrek aan financiële armslag de slechtste van alle opties.

Bij privatisering van een gemeentelijk museum is het gebruikelijk dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor gebouw en collectie. De exploitatie zou dan ondergebracht kunnen worden bij een aparte stichting. Voordeel is dat de gemeente Sluis dan op afstand komt en zich bestuurlijk niet meer met Museum Het Belfort hoeft te bemoeien en het museum de ruimte krijgt die het nu mist om bij particulieren, bedrijven en het openbaar bestuur in Nederland en België te doen aan fondsenwerving, het werven van sponsors en het aanvragen van subsidies. En het ontplooien van tentoonstellingen en andere culturele initiatieven die nu blijven liggen.

Installatie ‘Cliffhanger’ van kunstenaarscollectief Steinbrener/ Dempf & Huber geeft kritiek op massa-toerisme

Kunst wordt door beleidsmakers vaak ingezet voor andere doelen. Neem regionale kunstfondsen die het niet gaat om de versterking van het ‘kunstsysteem’ of ‘kunstklimaat’, maar om versterking van de sociale cohesie of de maatschappelijke inbedding of hoe dat in sociologische modetermen heet.

Kunst die ingezet wordt voor stadspromotie en toerisme is ook zo’n heilloze combinatie waarin de (functie van) kunst verdwijnt. Beleidsmakers zijn er dol op. Kunstenaars en kunstliefhebbers verfoeien het.

Hoe kunnen kunstenaars protesteren tegen het misbruik van de kunst? Een aardige case is de installatie of Kunstintervention ‘Cliffhanger’ in een Oostenrijks natuurgebied. Bij de Mira waterval in het Naturpark Ötscher Tormäuer, ten zuidwesten van Wenen. Het is kritiek op het massa-toerisme.

De installatie is op te vatten als interventie van kunstenaars en als een interventie tegen toeristen om ongestoord selfies te kunnen maken in dit niet langer ongerepte natuurgebied.

De installatie van het Oostenrijkse kunstenaarscollectief Steinbrener/ Dempf & Huber bestaat uit een grote rode nep-deuropening met daarboven het bord ‘Tourist Information’. Na drie jaar voorbereiding en 13 jaar na het eerste ontwerp, werd het project “Cliffhanger” op 18 september 2020 in de Ötschergräben geopend. In een steile wand naast de Mirafall werd de gevel van een bedrijfspand geplaatst.

Cliffhanger van collectief Steinbrener/ Dempf & Huber bij de Mirafall, Ötschergräben, N.Ö.
18. September 2020 – September 2021

De opzet van het kustenaarscollectief is naar eigen zeggen maatschappijkritiek: ‘De verovering van het landschap en het voortdurend verleggen van de grenzen van de beschaving – ook door toerisme – worden hier met spectaculaire middelen in beeld gebracht. Het massatoerisme, dat de afgelopen jaren steden en regio’s vaak tot decor voor hun bezoekers heeft gemaakt en hun bewoners tot figuranten heeft gemaakt in hun eigen omgeving, wordt nu zelf getroffen door het coronavirus. De radicale praktijken in recreatiegebieden om de winst te maximaliseren ten koste van de lokale bevolking en de natuur lijken minstens één keer te zijn onderbroken’.

Een toelichting bij een YouTube-video over ‘Cliffhanger’ van 16 juni 2021 op nieuwssite Zenger zegt dat de installatie die ‘controversieel’ wordt genoemd in september 2021 zal worden verwijderd vanwege klachten van toeristen ‘omdat het het uitzicht op de pittoreske plek heeft verpest’. Deze reactie sluit exact aan bij wat het kunstenaarscollectief ermee beoogde. Daarom lijkt de reactie bijna te mooi om waar te zijn en er onlosmakelijk onderdeel van te zijn. Niet toevallig noemen Steinbrener, Dempf & Huber in de beschrijving van dit project ook als einddatum september 2021.

Florian Schublach, het hoofd van het natuurpark, gaf opdracht tot de installatie. Hij noemt het nog steeds “een heel goed idee“. Maar dan komt het: “Het was niet bedoeld als een populaire attractie. Het was bedoeld als het tegenovergestelde van een populaire attractie. Het was niet opgezet om veel mensen daarheen te laten gaan, eerder andersom.” Het valt te raden wat dat ‘eerder andersom’ betekent. Kiest hier een beleidsmaker de kant van de kunstenaar?

Gedachten bij foto ‘nieuw Gulf benzinestation’ in Cadzand-Bad (1966)

De datering van deze foto van Oscar de Milliano is circa 1966. Tot ongeveer die tijd was Cadzand in West Zeeuws-Vlaanderen de jaarlijkse vakantiebestemming van ons gezin. Er werd een vakantiehuis voor een jaar en later voor een maand gehuurd. Tot de bouw van de Atlantikwall had mijn vader een huisje in de duinen dat omstreeks 1942 onteigend of liever gezegd ingepikt werd door de Duitsers. Nu is Cadzand onder invloed van de Duitse toeristenindustrie compleet van aanzien veranderd. Zoals overal hebben projectontwikkelaars en financiële instellingen er de macht gegrepen. De Duitse cirkel is rond, van Atlantikwall tot Erholungszentrum.

Na de oorlog was Cadzand een boerendorp dat vanwege de goede verdiensten geleidelijk aan toerisme ging doen. Eerst werden het eigen huis verhuurd aan toeristen en sliepen de bewoners tijdens de vakantieperiode elders. Later werd het grootschaliger aangepakt. Zoals overal in Nederland nam sinds midden jaren 1960 de voorspoed toe. Dit Gulf benzinestation in Cadzand is de aangekondigde dood van de vooruitgang. Auto’s en fossiele brandstoffen die nu als probleem worden gezien, waren toen een symbool van moderniteit en vrijheid. Deze auto met een kenteken uit 1964 is er de uiting van. De auto wordt volgetankt door een oudere man in overall en een pet op. De autobezitters kijken naar fotograaf De Milliano. Wat vragen ze zich af?

Foto: Oscar de Milliano, ‘nieuw Gulf benzinestation’ in Cadzand-Bad, circa 1966. Collectie: Beeldbank Zeeland.

De Lydia ligt op het strand van Port Barcarès

Een pakketboot moet niet als toeristenattractie eindigen op het strand. Ontdaan van haar vroegere grandeur en kracht. Dat is heiligschennis. Een pakketboot die zichzelf overleefd heeft moet vergaan in een vliegende storm, nadat de passagiers en bemanning na een uiterste inspanning van de reddingsbrigade van boord zijn gehaald. Het overkwam de in 1930 in Denemarken gebouwde ‘Moonta’. Na een interessant leven in Australië en de Middellandse Zee eindigde het als de ‘Lydia‘ op het strand van Port Barcarès, in het Franse departement Pyrénées Orientales net boven de Spaanse grens. De VVV van Port Barcarès noemt in een overzicht de ‘Lydia‘ ‘de Eiffeltoren in het mediterrane landschap’. Toe maar, Franse fonctionnaires zitten nooit om een groteske vergelijking verlegen. Deze tekst bevat overigens onnavolgbaar Nederlands, zoals: ‘Dit volstrekt onredelijk project krijgt gestalte maar blijft te concretiseren’. Dat is precies wat het is: ‘een volstrekt onredelijk project’.

Foto: ‘Quand le Lydia n’était pas encore le paquebot des sables du Barcarès’ (Toen de Lydia nog niet de pakketboot op het strand (of: in het zand) van Barcarès was). In: L’Indépendant, 20 augustus 2013.

Dagjestoerisme: Somebody Knokking at Your Door

Iedereen was gewaarschuwd. Ook kleine overlast vanwege COVID-19 wordt in Knokke deze zomer niet getolereerd. Aldus wethouder Anthony Wittesaele van de partij GBL (Gemeentebelangen en niet Groep Brussel Lambert). In Knokke bestaat als vanouds een spanning tussen de gevestigde orde zoals die vertegenwoordigd wordt door de Lippens-dynastie en het urbanisatieproject van de Compagnie Het Zoute én de dagjesmensen.

Daartussenin zit de toerismesector die voortkomt uit de boerenstand. Met de wafelbakkerijen van Moeder Siska als voorbeeld in de Oosthoek tegen de Nederlandse grens. Blankenberghe was de familiebadplaats, terwijl in Het Zoute (‘Le Zoute’) de betere stand inclusief Franssprekende Vlamingen, Walen en Brusselaars zich terugtrok in hun villa’s. Dagjesmensen worden met mate getolereerd om de toerismesector te voeden.

Knokke wacht het lot van (binnen)steden als Parijs, Venetië of Amsterdam die aan hun eigen succes ten onder dreigen te gaan. De coronacrisis biedt een kans om de bakens te verzetten en de invloed van de toeristen in het lagere segment en het dagjestoerisme terug te dringen. Het past in het patroon van Knokke Het Zoute als een badplaats die er wil zijn voor de betere toerist. Alleen heeft het politieke en economische bestuur van de stad dat met de stijgende welvaart die voor meer mensen bereikbaar kwam in de afgelopen decennia niet kunnen volhouden. Dat Nederlandse jongeren die met te veel drank op zich niet weten te gedragen en in België hun land een slechte naam bezorgen is tragisch, maar ze beseffen niet dat ze voor het stadsbestuur een alibi zijn om een nieuw evenwicht te vinden. Noem het achterstallig onderhoud om de kwaliteitstoerist binnen te halen, zonder dat dat in het openbaar zo scherp gezegd kan worden. Dat klinkt niet democratisch.

Zeeland moet orde op zaken stellen en falen Marinierskazerne en ondermaats aanbod voor compensatie niet afschuiven

Wat krijg je als een Zeeuwse gedeputeerde van de VVD kritisch reageert op een VVD-staatssecretaris? Het antwoord ligt voor de hand: niks. Dick van der Velde die verantwoordelijk is voor de Marinierskazerne reageert met gespeelde verontwaardiging op Barbara Visser voor Omroep Zeeland: ‘We zijn nog net zo boos als dat we al waren. Dit onderstreept waarom er een ruimhartige compensatie moet komen voor Zeeland’. Wow, wat een lef. Wat gedeputeerde Van der Velde zegt dat hij ‘nog net zo boos is als hij al was’ grenst aan het onbenullige.

Waar draait deze kwestie in de kern om? Het lijkt te gaan om een marinierskazerne die naar Vlissingen zou komen, maar niet kwam. Staatsecretaris Barbara Visser lijkt samen met minister Ank Bijleveld een van de drie zusters van Anton Tsjechovs gelijknamige toneelstuk. Ze blinken uit in de verzuchting: ‘Naar Moskou, naar Moskou’, maar tegelijk weten ze dat ze er nooit zullen aankomen. Zo was het ook met de Marinierskazerne. Iedereen wist dat die nooit in Vlissingen zou komen, maar de hoofdrolspelers speelden dat het wel zo was.

Het draait niet om zelfbedrog in een schijnwerkelijkheid met in de hoofdrol een politiek onhandige en liegende staatssecretaris of een incompetente minister. Niet de gevende, maar de ontvangende partij is waar het om draait. Het gaat om de positie en de positionering van Zeeland. Is Zeeland voor de kwaliteitstoerist, de watersporter, de gepensioneerde die zorg inkoopt, de rustzoeker of de kunsttoerist die gaat voor kleinschalige evenementen of is Zeeland voor de pretzoeker, de dagjestoerist en de ondernemers die gaan voor grootschalige evenementen? Is Zeeland voor de chemische en maritieme industrie? Niemand die het weet. Omdat de provincie daar geen heldere keuze in weet te maken, kan er ook geen geloofwaardig en samenhangend pakket van eisen voor de compensatie van de Marinierskazerne in Den Haag op tafel worden gelegd. Daar gaat het fout. Het zijn niet een liegende staatssecretaris en een incompetente minister die verantwoordelijk zijn voor de afgang van de Marinierskazerne. Het is Zeeland zelf dat niet weet wat het wil, niet weet wat het moet vragen als compensatie en zich afhankelijk maakt van de kuren en machtsspelletjes van anderen. Met als uitkomst dat het dankbaarheid moet tonen voor kruimels die niemand wil.

Vooral in Zeeuws-Vlaanderen is het trauma van het onder water zetten van de Hedwige polder vanwege het economisch belang van de Antwerpse haven en de uitruil door Den Haag nog niet verwerkt. Het wantrouwen is groot. Zeeland beschouwt zich als wingewest en die gedachte is gegroeid na de 17de eeuw toen Middelburg de tweede stad van het koninkrijk was. De realiteit is dat Zeeland een zwak openbaar bestuur heeft en geen machtsmiddelen om terug te vechten. Daar gaat het mis. Nu moet de provincie tevreden zijn met wat wordt gezien als tweederangscompensatie zoals blijkt uit in Den Haag gelekte stukken: een beveiligde rechtbank, een extra beveiligde gevangenis en een expertisecentrum voor georganiseerde criminaliteit. Het is een beledigend voorstel dat niemand wil. Bij welk profiel van Zeeland het past is duidelijk: een profiel van niks.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Compensatie voor de kazerne? Nou die moet nu wel heel ruimhartig worden, vindt de Zeeuwse politiek’ van Jeffrey Kutterin in de PZC, 6 juni 2020.

Antwoord aan Broos Schnetz: Utrechtse Culturele Zondagen zijn bij het oud vuil gezet omdat ze aan culturele inhoud hadden verloren

Antwoord aan Broos Schnetz die een open brief aan de raadsleden van de gemeente Utrechts stuurt om wat er van de Culturele Zondagen terecht is gekomen. Ik ben het deels eens, deels oneens met de briefschrijver. Ik heb mijn reactie ook geplaatst op de DUIC waar op 30 mei 2020 genoemde open brief werd gepubliceerd:

De poging om de verkeerde framing van de Culturele Zondagen (CZ) aan te pakken levert nieuwe verkeerde framing op. Want er is heel wat voor te zeggen dat Utrecht Marketing (UM) en CZ vreemde bedgenoten zijn die elkaar niet liggen. Dat marketing de cultuur zou wegdrukken viel te verwachten voor iedereen met ook maar oppervlakkige kennis van de kunst heeft. Kortom, de samenwerking van kunst en cultuur met marketing, stadspromotie en toerisme was vanaf het begin ten dode opgeschreven. Dat kon het Utrechtse gemeentebestuur weten.

Maar de auteur wijkt af van zijn koers en maakt het er onnodig verwarrend op als hij zijn pijlen richt op de grote culturele instellingen. De mislukking van de fusie kan echter niet eenzijdig op het bordje van de grote culturele instellingen geschoven worden. Het wordt er zelfs ronduit rancuneus op als hij zegt: ‘Cultuurgeld verdwijnt al voor het overgrote deel in de zakken van de grote culturele instellingen die toch vooral een cultuur faciliterende functie hebben.

Wie spreekt over geld dat verdwijnt in de zaken van culturele instellingen toont vijandschap tegenover kunst en cultuur en bedient zich van een jargon dat aanhaakt bij de haat tegen kunst. Of in elk geval kunst haar rechtmatige plek niet vanzelfsprekend gunt. Deze onnodige opmerking doet afbreuk aan het betoog dat zinnige en waardevolle elementen bevat.

De grote culturele instellingen hebben als ondernemingen hun eigen verantwoordelijkheid. Ze zijn verzelfstandigd en staan alleen nog in een subsidierelatie tot de gemeente. Ze bepalen hun eigen beleid.

Er heeft altijd spanning bestaan tussen het Centraal Museum (CM), de Stadsschouwburg en Tivoli Vredenburg en de rest van de culturele instellingen. Simpelweg omdat ze een andere positie innemen dan de kleinere culturele instellingen of de individuele kunstenaars.

De grotere culturele instellingen zijn verplicht om een steeds groter percentage van hun inkomsten uit de markt te halen. Daarmee komen ze verder af te staan van de gemeente. Het gemeentebestuur heeft niet altijd rechtlijnig geopereerd door de grote culturele instellingen ook nog deelgenoot te willen maken van gemeentebeleid dat tegen het eigenbelang van die grote instellingen inging. Het lijkt alsof ze door het gemeentebestuur en de betrokken beleidsambtenaren nog worden beschouwd als de instellingen die ze voor hun verzelfstandiging waren.

CZ is een voorbeeld van een project waar de grote culturele instellingen niet veel belang bij hebben. Dat valt deze instellingen niet te verwijten en zelfs uiteindelijk niet het gemeentebestuur dat altijd wil bundelen, koppelen en focussen. Overigens hebben de grote culturele instellingen waar mogelijk coöperatief meegewerkt. Het is eerder door de verzelfstandigingen die zich pas tijdens de looptijd van de CZ aankondigden dat er een gebrek aan eenstemmigheid naar boven kwam in de opzet van de CZ omdat die door de tijd achterhaald was.

Het gevolg was dat de afstand van de gevestigde kunstinstellingen met de CZ werd vergroot. Er ontstond een kader waar de grote culturele instellingen per definitie niet in pasten en de CZ verloor aan culturele inhoud. Met als gevolg dat de per definitie oppervlakkige marketing van UM het gat moest vullen. Dat is de samenloop van omstandigheden. Het is te simpel om dat verband niet te zien.

Pleidooi voor specifieke steun aan ondernemingen en instellingen vanwege de coronacrisis. Generieke steun is ongewenst en dom

De coronacrisis biedt kansen om op te schonen. Dit is het moment om kwaliteit boven kwantiteit te stellen. Daarom moeten er geen generieke steunmaatregelen komen om horeca-ondernemingen, musea, toeristische ondernemingen, kapsalons, nagelstudio’s, cupcakewinkels en bedrijven in het algemeen te ondersteunen.

Zo zegt de Museumvereniging in een als waarschuwing en mobilisatie bedoeld bericht dat een kwart van de musea nog in 2020 dreigt te moeten sluiten vanwege de gevolgen van de coronacrisis. Vraag is hoe erg dat is en welke musea het betreft. Generieke steunmaatregelen voor de museumsector zijn politiek het makkelijkst te realiseren en liggen het minst gevoelig, maar het valt te bezien of de museumsector dat nodig heeft. De ambitie dient hoger te zijn dan dat. Gerichte steun aan specifieke musea verdient de aanbeveling. Want wat is er op tegen om 20% van de musea te sluiten, maar de kwaliteit van de museumsector als geheel te verhogen?

Dat geldt eveneens voor de horeca die het afgelopen decennium een wildgroei kende. Dat nieuwe normaal van ongebreidelde groei is bij nader inzien niet normaal, maar een valkuil voor de betreffende sector. Nu is het moment om dat te corrigeren. Zo waarschuwde de Koninklijke Horeca Midden-Nederland in januari 2020 voor de explosieve toename van horeca-ondernemingen in Utrecht: ‘Onze leden geven aan dat er voldoende horeca in Utrecht is. Al die horeca leidt niet perse tot sterkere, maar juist tot zwakkere binnensteden. De totale omzet van een stad moet immers door méér horecaondernemers worden verdeeld’. Dat geldt ook voor het toerisme, de nagelstudio’s, de kappers en al die onderneminkjes die het afgelopen decennium explosief zijn gegroeid zonder dat daar echt behoefte aan was en hun bestaan noodzakelijk is. Laat die onderneminkjes omvallen.

Bij de afweging om voor steunmaatregelen van de overheid in aanmerking te komen moet het voortbestaan niet leidend zijn maar de kwaliteit van het betreffende bedrijf of instelling in combinatie met de sterkte en de structuur van betreffende sector waarbinnen dat bedrijf of instelling opereert. Het vergt politieke moed op landelijk, regionaal en stedelijk niveau om extra voorwaarden van kwaliteit aan steun te stellen. Vermoedelijk ontbreekt die politieke moed. Laten we in elk geval beseffen dat het anders kan en zou moeten. Het bestaan van ondernemingen en instellingen is geen vanzelfsprekendheid en het geven van generieke steun is verkeerd in deze crisis die ten minste nog iets goeds biedt. Namelijk de kans om het kaf van het koren te scheiden.

Berlare opent toeristisch seizoen in Montmartresfeer. Met een kunstmarkt mét kunst. Daarom zoekt gemeente nog kunstenaars

Opgegroeid in Zeeuws-Vlaanderen hadden mijn ouders tijdens mijn kinderjaren enkele vaste bestemmingen voor dagjes-uit. Ik werd op de achterbank van de auto gezet. Favoriet was Gent, daarna de Belgische kust met Knokke en er was het meer Overmere-Donk. Tegenwoordig wordt het het Donkmeer genoemd. Het is gelegen in de Oost-Vlaamse gemeente Berlare. Ik herinner me de sfeer van de film ‘Partie de Campagne’ uit 1936 van Jean Renoir. Bootjes op het meer, terrassen vol toeristen, spelende kinderen en de lome sfeer van de zomer:

Maar de tijd gaat verder. Onherroepelijk. De gemeente Belare is op zoek naar creatievelingen en kunstenaars voor een kunstmarkt in Montmartresfeer. De kop van bovenstaand bericht van HLN is veelzeggend: ‘Gemeente op zoek naar kunstenaars voor opening toeristisch seizoen’. Het gaat om ‘het kunstige’ Tabl’eau. Daarover is nagedacht, totdat iemand van de dienst Citymarketing Eureka riep vanwege de combinatie tafel (Tabl’) met water (eau) die samengaat met de betekenis schilderij en tafereel van het woord tableau. Enorm creatief, toch?

Zo wordt aan het Donkmeer tijdens het paasweekend het toeristische seizoen geopend. Het belooft volgens een aankondiging van de gemeente ‘Een vrolijke driedaagse voor jong en oud’ te worden. Maar Citymarketing van Berlare is zeker niet op het achterhoofd gevallen zoals blijkt uit de volgende spitsvondigheid: ‘Geen kunstmarkt zonder kunst natuurlijk en daarom gaan we op zoek naar kunstenaars’. De aanmelding bij Citymarketing kan nog tot 20 maart. Of de Montmartresfeer nog speciale voorwaarden aan deelname stelt (kleding, beheersing Franse taal) wordt niet genoemd. Kunstenaars die voor drie dagen als zetstuk willen dienen op een toeristische evenement aan het Donkmeer weten waar ze met de Paasdagen terecht kunnen.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelGemeente op zoek naar kunstenaars voor opening toeristisch seizoen’ op HLN, 2 maart 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van aankondigingTabl’eau’ van de gemeente Berlare.

Gemeentebestuur Almere wil museum voor ‘Tomorrow Art’ van internationale allure dat groter is dan het Stedelijk Museum A’dam

Ambitie is goed, maar zelfkennis en realisme zijn beter. De provincie Flevoland en de gemeente Almere willen in laatstgenoemde stad een museum voor ‘Tomorrow Art’ dat groter is dan het Stedelijk Museum Amsterdam. Kunst voor morgen dus, dat kan niet anders dan digitale ‘actuele multimediale kunst’ zijn. Internationale allure in de polder. Almere vergelijkt zich in vergezichten met het Parijse Palais de Tokyo en het Londense Tate Modern. De spreekwoordelijke regionale D66-bestuurder mag het project uitventen waarbij zoals altijd opvalt dat hij niet begrijpt waarover hij praat en het jargon van de sector waar hij verantwoordlijk voor is niet in de vingers heeft. Dus heeft hij het over moderne kunst waar hij hedendaagse kunst bedoelt. Van dat niveau. Het is aardig dat gedeputeerde Michiel Rijsberman volmondig toegeeft dat hij er weinig van snapt. Nog in 2018 opteerde hij voor een museum dat gespecialiseerd was in grote kunstwerken. Als het maar groot is dus.

Op 1 en 2 juli 2019 brachten de Almeerse wethouder Hilde van Garderen met Rijsberman en de directeur van de Floriade een gezamenlijk bezoek ‘aan twee vooraanstaande Londense musea: Serpentine Galleries en Tate Modern’, zoals in een verslag op de website van de gemeente Almere te lezen valt. Met als doel ‘kennis uitwisselen en de mogelijkheden van samenwerking verkennen met betrekking tot de realisatie van een Almeerse museale voorziening’. Het is verrassend dat deze twee Londense presentatie instellingen van hedendaagse kunst blijkbaar geïnteresseerd waren in het uitwisselen van kennis met Flevoland. Het is typisch dat de tijdelijke paviljoens van de Serpentine Gallery waarin de bestuurders geïnteresseerd zeggen te zijn ze op ideeën brengt. Ze doen denken aan de tijdelijke paviljoens van Museum De Paviljoens dat in 2013 door het toenmalige Almeerse gemeentestuur definitief om zeep werd geholpen. Want waarom iets van het eigen verleden leren als het ook in een Londens park te halen valt? Almere begint blijkbaar liever vanuit het niets.

We kunnen lacherig doen over de pretenties van Almere en Flevoland in de wetenschap dat het de vergelijking met Londen, Parijs en Amsterdam niet aankan. Maar dat is te makkelijk. Toch is de vrees dat de vijand van goed beter is. Waarom heeft Almere een museum van hedendaagse kunst gesloten en daarmee de kennis uit de gemeente laten verdwijnen om nu drie stappen tegelijk te willen zetten met plannen die zo op het eerste oog te hooggegrepen zijn. Waarom heeft Almere niet gekozen voor een organische en geleidelijke groei? Is dat omdat het gemeentebestuur niet structureel maar projectmatig denkt, een museum direct knoopt aan de ontwikkeling van vastgoed en niet normaal, maar bijzonder wil zijn omdat dat bij het DNA van Almere zou passen? Het gewone is blijkbaar niet goed genoeg voor Almere. Daarom vlucht het weg in het buitengewone.