George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Stadsontwikkeling

Cultuurnota ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht bevat weeffout omdat het een waardeoordeel over kunst geeft

leave a comment »

In juli 2019 verscheen de Cultuurnota 2021-2024 ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht. In een commentaar van 3 juli 2019 toonde ik begrip voor de kritiek van Henk Westbroek over het Berlijnplein in stadswijk Leidsche Rijn. Hij sprak over ‘stadskunst‘. Mijn slotsom: ‘Het stadsbestuur moet wegblijven van de inhoud. Ook indirect via organisaties die het subsidieert’. In een toelichting op de Cultuurnota heeft de verantwoordelijke wethouder Anke Klein het over aanmoedigen en gedragsbeïnvloeding van kunstenaars. ‘Nudging’ dus, dat middel uit de timmerkist van hedendaagse bestuurders dat de inhoud bepaalt onder het mom dat die uitsluitend voortkomt uit het gedrag van de burgers. Dat is een valse voorstelling van zaken. Klein doet in de Cultuurnota niet aan ‘nudging’, maar aan sturing via beleidsmaatregelen. Mijn commentaar bij het artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’:

De Cultuurnota bevat in de kern een weeffout. Het blijkt voor het stadsbestuur een lastige opgave om tegelijk aan de zijlijn te staan en tegelijk te willen sturen. De fout die wethouder Klein maakt is dat ze zich niet terughoudend opstelt. Ze wil de kunst gebruiken om de samenleving te veranderen, of die een afspiegeling van de samenleving te laten zijn. Maar hiermee rekt ze haar mandaat op. Dat is niet haar taak.

Als vanouds is in het Nederlands openbaar bestuur het adagium van Thorbecke leidend: ‘De kunst is geene regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’ Ofwel, de overheid moet de kunst steunen, maar er geen waardeoordeel over geven.

Wie de Cultuurnota leest struikelt over de waardeoordelen en de sturing. Dat bracht Henk Westbroek in een uitgesproken column onlangs tot de terechte vraag of hier geen sprake is van ‘stadskunst’. Daar lijkt het sterk op. Dat is ongelukkig en ongewenst. Het stadsbestuur wil blijkbaar zo graag het goede doen, dan het het foute doet. Het stadsbestuur dient de voorwaarden voor kunst te scheppen, maar zich te onthouden van oordelen.

In hoofdstuk 1.3.2. over ‘een inclusieve cultuursector’ staat zo’n oordeel dat in tegenspraak is met de opvatting van Thorbecke: ‘Met zo’n grote diversiteit is het, in een stad die bovendien groeit, de uitdaging niet uit elkaar te groeien. Kunst en cultuur kunnen daarbij een rol spelen, juist door verbindingen aan te gaan. Dat maakt inclusiviteit voor deze sector extra belangrijk. Kunst en cultuur zijn bij uitstek in staat alle inwoners van de stad aan te spreken, met verschillende verhalen en cultuurvormen.

De Cultuurnota introduceert verwarring door te spreken over zowel kunst als cultuur. Kunst en cultuur worden op dezelfde hoop gegooid terwijl ze verschillende functies hebben. Dat is een ongelukkige, en ook wel kwaadaardige begripsverwarring en -vervaging. Cultuur verbindt en heeft een sociale component die ingezet kan worden om politieke doelen te bereiken. Maar dat geldt niet in de meest gangbare opvatting over kunst.

Kunst die voor politieke doeleinden wordt gebruikt houdt op kunst te zijn. Wethouder Anke Klein en haar beleidsambtenaren verliezen in deze Cultuurnota de functie van kunst uit het oog. De Cultuurnota maakt kunstenaars onnodig afhankelijk van de gemeentelijke overheid. De Cultuurnota wil de kunst temmen en in lijn met het overheidsbeleid brengen.

Hiermee wordt het voor kunstenaars die afhankelijk zijn van de voorzieningen die door overheidssubsidie worden gerealiseerd lastig gemaakt om zich in alle vrijheid tot die overheid te verhouden Kunstenaars moeten zich voegen in deze Cultuurnota. Het helpt niet als daar ‘onafhankelijke’ beoordelaars tussen worden gezet omdat de overkoepelende en inkaderende Cultuurnota de sturing blijft geven.

Het valt te hopen dat de leden van de Utrechtse gemeenteraad kritische vragen stellen over de Cultuurnota in het besef dat de overheid geen waardeoordeel of sturing moet willen geven aan de kunst, maar dat met deze Cultuurnota wel beoogt. De raad moet beseffen dat de Cultuurnota een weeffout bevat en dient bij zichzelf te rade te gaan of het dat gewenst vindt. Dat is geen debat over links of rechts, of over pro of contra de zittende coalitie. Dit is een debat over de functie van kunst.

Daarnaast bevat de Cultuurnota tegenstrijdige uitgangspunten die met elkaar in tegenspraak zijn. Want hoe kan kunst tegelijk ‘experimenteel’ en ‘voor iedereen’ zijn? Dat is als de kwadratuur van de cirkel, namelijk een vraagstuk dat onoplosbaar is. Wethouder Klein doet met deze Cultuurnota alsof de verschillende doeleinden die met elkaar in tegenspraak zijn verenigbaar zijn.

Of dat voortkomt uit gemakzucht, intellectuele luiheid, een doorgeslagen politiek compromis waardoor geen echte keuzes kunnen worden gemaakt valt te bezien, maar dat maakt voor de weging van de kwaliteit van de Cultuurnota weinig uit. Die bevat een weeffout en deugt niet.

Kunstenaars moeten zelf kunnen uitmaken of ze inclusief, exclusief, excessief, obsessief of passief willen zijn. Daar gaat de overheid niet over en daar moet de overheid zich niet mee willen bemoeien. De overheid moet voorwaarden scheppen. En anders niks.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’’ op DUIC, 16 juli 2019.

Advertenties

Heeft Henk Westbroek gelijk met zijn claim dat Utrecht aan ‘stadskunst’ doet bij de ontwikkeling van het Berlijnplein?

with 2 comments

Heeft de Utrechtse columnist en oud-politicus Henk Westbroek gelijk met zijn overpeinzing dat het Utrechtse gemeentebestuur de kunst voor haar karretje spant en ondergeschikt maakt aan de visie die het op de stad heeft? Westbroek spreekt over de stadskunst van wethouder Anke Klein. Dat zou nog nergens vertoond zijn en nu in Utrecht voor het eerst in praktijk gebracht worden, aldus de columnist. Het gaat om de ontwikkeling van het Berlijnplein in de Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn. In een ‘ontwikkelkader’ wordt de opzet geschetst door het gemeentebestuur. Het maakt me aan het schrikken door onderstaande passage met de volgende uitspraak: ‘‘Vorm volgt ambitie’, zo staat het beschreven in het ontwikkelkader. Bij deze werkwijze past dat we eerste de ambities bepalen en daar vervolgens organisaties bij worden gezocht die daarbij passen.

Het gelijk van Henk Westboek staat of valt met de voorwaarden waaronder dat gebeurt. Het is gebruikelijk dat een stadsbestuur bij stadsontwikkeling de voorwaarden schept, maar het is ongebruikelijk als het vervolgens gaat bepalen en selecteren welke kunst, kunstenaars en specifieke voorzieningen daarbij passen en daar zelf naar op zoek gaat. Direct of indirect via een organisatie die dat uitvoert voor en namens het stadsbestuur. In krom Nederlands zegt de notitie: ‘Bij deze werkwijze past dat we eerste de ambities bepalen’ en het vervolgt ‘en daar vervolgens organisaties bij worden gezocht die daarbij passen.’ Ineens is het onderwerp verdwenen door het gebruik van de lijdende vorm en moeten we gissen wie het is die ‘organisaties erbij zoekt’. Waarom wordt niet nadrukkelijk omschreven welke persoon of instelling de organisaties zoekt en fiatteert?

Westbroek verwijst in het slot van zijn commentaar naar een artikel in NRC dat lovend is over het initiatief van het Berlijnplein. Dat bevat een opvallende passage over een initiatief dat niet terugkomt omdat het te weinig bezoekers trok: ‘Het betekent ook dat mislukte projecten níét terugkomen. Showman’s Fair, een soort miniversie van theaterfestival De Parade, trok in november te weinig bezoekers voor een vervolg. Het stadsbestuur stopte de subsidie aan dit meerjarige initiatief. Het stadsbestuur laadt zo de verdenking op zich wel erg strak te sturen en zelf rechtstreeks invloed uit te oefenen op de inhoud van de kunst.

Het artikel bevat ook een verwijzing naar de bezuinigingen van oud-staatssecretaris Halbe Zijlstra in 2013. Directeur Donica Buisma van RAUM verwijst naar een opiniestuk in NRC van George Brugmans en Marleen Stikker waarin ze pleiten voor ‘een centralere rol van kunstenaars in de maatschappij in het vormgeven van de toekomstige samenleving’. Een pleidooi dat plat valt als kunstenaars binnen de voorwaarden moeten opereren van het stadsbestuur. Direct of via ‘cultureel stadslab’ RAUM dat een van de organisaties is die uitgezocht zijn door het stadsbestuur omdat het bij de ambities past. Dan spelen de kunstenaars geen centrale, maar een ondergeschikte rol omdat ze worden ingezet voor stadsontwikkeling en -promotie. Dat is niet de strekking van Brugmans’ en Stikkers betoog. RAUM zegt over de eigen toekomstplannen: ‘Met de gemeente wordt gelijktijdig gewerkt om het terrein van RAUM (ook wel de ‘cultuurkavel) tot een culturele plek te ontwikkelen waar allerlei verschillende partijen hun plek kunnen vinden. RAUM is daarin de pionier en aanjager.

Het gevaar van ‘stadskunst‘ ligt op de loer. De Utrechtse raadsleden moeten er alert op zijn onder welke voorwaarden het Berlijnplein wordt ontwikkeld. De marges tussen wat aanvaardbaar en niet aanvaardbaar is zijn smal. Het stadsbestuur moet wegblijven van de inhoud. Ook indirect via organisaties die het subsidieert.

Foto: Schermafbeelding van deel notitie (ofwel ontwikkelkader) ‘Berlijnplein: Kunst en cultuur over de toekomst van de stad’ van de gemeente Utrecht, 22 juni 2019.

Kunstuitleen Utrecht haakt af voor tijdelijke exploitatie Oud Amelisweerd. College onderzoekt versoepeling randvoorwaarden

with one comment

Het Utrechtse college blijft worstelen met het vinden van een exploitant voor landhuis Oud Amelisweerd. Dit rijksmonument met antiek Chinees behang is eigendom van Utrecht. In 2018 ging de Stichting Museum Oud Amelisweerd failliet. Daarna ging het gemeentebestuur op zoek naar een tijdelijke huurder voor hooguit twee jaar. Volgens het gemeentebestuur is dat in afwachting van een definitieve exploitant die aangewezen zal worden na een procedure waarin voor het eerst dieper ingegaan wordt op de mogelijkheden en optimale bestemming van het landhuis. Een museale bestemming lijkt op dit moment nog steeds het uitgangspunt.

De beoogde tijdelijke exploitant, de Kunstuitleen Utrecht heeft definitief afgezegd vanwege de hoge kosten en logistieke beperkingen van het landhuis. Dat blijkt uit een brief van 12 maart 2019 van wethouder Anke Klein aan de gemeenteraad. Ook de tweede kandidaat, de LOA-groep van ex-vrijwilligers van het voormalige Museum Oud Amelisweerd trekt zich terug vanwege de voorwaarden die als te beperkend worden ervaren.

De brief concludeert: ‘Dit betekent dat uit de selectieprocedure zoals gestart in november, geen tijdelijke huurder naar voren is gekomen. Wij ronden deze procedure nu af. Wij hebben besloten om op dit moment voor het pand een actieve leegstandsbeheerder aan te stellen. Deze beheerder krijgt de opdracht om maatschappelijke initiatieven via pop-up activiteiten te faciliteren, waardoor beperkte openstelling voor het publiek mogelijk blijft.’ De LOA-groep wordt nadrukkelijk uitgenodigd om activiteiten te organiseren.

Wethouder Klein en Culturele Zaken van de gemeente Utrecht hebben besloten om voor het rijksmonument een beheerder aan te stellen die de opdracht krijgt ‘om maatschappelijke initiatieven via pop-up activiteiten te faciliteren’. Wat dat programmatisch en praktisch betekent is onduidelijk. Uit de brief blijkt dat een subsidie van € 75.000 en gederfde huurinkomsten van € 30.000 (inclusief lagere service- en facilitaire kosten) leiden tot een kostenplaatje van totaal € 105.000 per jaar. Over programmering of de inhoudelijk voorwaarden voor openstelling laat de brief zich niet uit. Het gaat uitsluitend om de toelichting van een bestuurlijke procedure.

Het venijn van de brief zit in de staart als het zegt: ‘Tijdens de periode van actief leegstandsbeheer gaan wij door met het onderzoek naar mogelijke aanpassingen aan het pand en/of het bestemmingsplan zodat de gebruiksmogelijkheden van het pand worden vergroot en de kansen op het vinden van een definitieve gebruiker toenemen.’ Wat die aanpassingen inhouden is onduidelijk. Des te meer omdat de gemeente Utrecht in het verleden het casco en het interieur al optimaal, om niet te zeggen voorbeeldig heeft hersteld en de Stichting MOA het landhuis daarna museaal optimaal heeft ingericht. Ofwel, de gebruiksmogelijkheden van het pand zijn al optimaal en kunnen niet meer vergroot worden. Het enige wat deze passage kan betekenen is dat er door het Utrechtse gemeentebestuur bij de RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed) toestemming wordt gezocht om het antieke Chinese behang uit dit rijksmonument te verwijderen en elders onder te brengen. Of als dit een brug te ver is omdat het immers om een rijksmonument gaat waarvan het interieur onlosmakelijk onderdeel is om de voorwaarden voor het klimaatsysteem zodanig te versoepelen zodat door minder goede conservering en bescherming van het antieke Chinese behang de exploitatie goedkoper en makkelijker wordt.

Het idee is dan dat een exploitant makkelijker te vinden is. In een commentaar van 20 februari 2019 zei ik: ‘Er is sinds 2010 niets veranderd in het denken over cultureel erfgoed. Het enige motief voor een beslissing over de verhuizing van het Chinese behang is politiek. Anders gezegd, de deskundigen op het gebied van erfgoed zullen niet anders dan in 2010 denken, namelijk dat het historisch behang ‘in situ’ de waarde ervan optimaal dient. Maar de bestuurders van toen die dat idee ondersteunden worden wellicht met terugwerkende kracht overruled door de bestuurders van nu die beseffen dat de randvoorwaarden voor een middelgroot museum in een landhuis met kwetsbaar antiek behang zeer lastig, om niet te zeggen onmogelijk zijn.

Wat toont deze brief aan en welke richting valt eruit te lezen? Het lijkt duidelijk dat het Utrechtse college zich acht jaar na 2011 nog steeds niet goed raad weet met de bestemming van Oud Amelisweerd. Zelfs het vinden van een tijdelijke exploitant lukt niet, zoals het afhaken van de Kunstuitleen Utrecht aantoont. Het college lijkt in te zetten op versoepeling van de voorwaarden, hoewel dat lastig is omdat de gebruikersmogelijkheden onlosmakelijk aan dit rijksmonument en de museale inrichting ervan zijn verbonden. Dat is de weg die een vorig Utrechts gemeentebestuur in 2012 ondanks herhaalde en ernstige waarschuwingen voor de te zware randvoorwaarden en door forse investeringen willen en wetens heeft ingezet. Als het bestuurlijk zorgvuldig wil handelen, dan kan het huidige college daar om economische redenen niet eenzijdig afstand van nemen.

Positief is dat de brief aangeeft na te denken over de toekomst van Oud Amelisweerd en ‘de kaders voor de permanente invulling vóór de zomer’ voor te leggen aan de raad. Dan kan eindelijk het inhoudelijk debat in de raad starten over welk soort museum voor deze kwetsbare en excentrieke plek haalbaar en gewenst is.

Foto’s: Schermafbeelding van briefRaadsbrief Selectie tijdelijke exploitatie Landhuis Oud Amelisweerd afgerond’ van wethouder Anke Klein aan de gemeenteraad van Utrecht, 12 maart 2019.

Wethouder Utrecht zegt onderzoek toe om antiek Chinees behang uit landhuis Oud-Amelisweerd te verwijderen. Is dat realistisch?

with 6 comments

Op 23 januari 2019 stelde het Utrechtse raadslid Ellen Bijsterbosch (D66) raadsvragen aan wethouder Anke Klein (D66) over landhuis Oud-Amelisweerd waarbij ze vroeg om te verkennen of het antieke Chinese behang verwijderd kan worden om elders ondergebracht te worden. Op 19 februari 2019 heeft Klein geantwoord.

Het antwoord van de wethouder bevat een raadselachtige passage als het beweert: ‘De keuze voor dit klimaatsysteem is vier jaar geleden expliciet gemaakt met de komst van MOA.’ Dat is 2015, terwijl het MOA officieel op 21 maart 2014 opende nadat het na een verbouwing geschikt was gemaakt voor een museale bestemming. In jaarrekening 2013 van het MOA valt te lezen: ‘In 2013 is verder gewerkt aan de restauratie en herbestemming van landhuis Oud Amelisweerd tot MOA IMuseum Oud Amelisweerd’ en ‘Eind november werd de voltooiing van de restauratie van het Chinees behang gevierd met een feestelijk programma’. In november 2013 werd de voltooiing van de restauratie van het Chinees behang feestelijk gevierd, terwijl wethouder Klein in haar antwoord aan Ellen Bijsterbosch beweert dat pas in 2015 ‘expliciet’ werd gekozen voor het principe van ‘conservation heating’. Het MOA ontving al in maart 2014 bezoekers.

Uit de haalbaarheidsstudie De Weg der Weegen valt af te leiden dat al eind 2010 bekend was dat in voorjaar 2011 waarschijnlijk een klimaatinstallatie zou worden geïnstalleerd volgens het principe van ‘conservation heating’. Het draait om dit beginsel van ‘conservation heating’ (dat in het antwoord ‘conservational heating’ wordt genoemd) waarover ik in een commentaar van 13 december 2010 het onderstaande schreef en wat in het citaat precies bedoeld wordt met ‘expliciet’. Als dat een term is die bedoelt te zeggen dat formeel-bestuurlijk pas in 2015 gekozen werd voor een klimaatsysteem dat uitging van het principe van ‘conservation heating’ dan is het gebruik ervan in het antwoord verwarrend omdat het de suggestie wekt dat voor 2015 dat principe niet werd gevolgd of uitgangspunt zou zijn voor het klimaatsysteem. Maar als randvoorwaarde was ‘conservation heating’ vanaf 2010 publiekelijk bekend voor de klimaatbeheersing in het landhuis.

In haar antwoord zegt wethouder Klein bereid te zijn om de verhuizing van het antieke Chinese behang naar een andere locatie te onderzoeken en daar ook in gesprek over te zullen gaan met het Centraal Museum. Wat zo’n onderzoek precies betekent en omvat is onduidelijk, maar zou kunnen bestaan uit het administratief raadplegen van een publicatie van het RCE over historisch papierbehang dat zegt: ‘Oud behang versterkt de beleving van authenticiteit in het interi­eur van een historisch gebouw. Sommige behangsels zijn inmid­dels uiterst zeldzaam. Behang verschaft bovendien kennis van het soort vertrek en de inrichting, de modernisering ervan, de heer­sende mode, en de persoonlijke smaak en financiële draagkracht van de bewoners.

Er is sinds 2010 niets veranderd in het denken over cultureel erfgoed. Het enige motief voor een beslissing over de verhuizing van het Chinese behang is politiek. Anders gezegd, de deskundigen op het gebied van erfgoed zullen niet anders dan in 2010 denken, namelijk dat het historisch behang ‘in situ’ de waarde ervan optimaal dient. Maar de bestuurders van toen die dat idee ondersteunden worden wellicht met terugwerkende kracht overruled door de bestuurders van nu die beseffen dat de randvoorwaarden voor een middelgroot museum in een landhuis met kwetsbaar antiek behang zeer lastig, om niet te zeggen onmogelijk zijn.

De Stichtse politiek is in 2011 met de keuze voor exploitant Stichting MOA voor Oud-Amelisweerd een doodlopende weg ingeslagen en lijkt nu pas tot het volle besef te komen wat dat inhoudt. Het bezint zich nu op een list. Maar het is een merkwaardige list die bedrieglijk aanvoelt als het met veel expertise, energie, geld en betrokkenheid gerestaureerde antieke Chinese behang alsnog zou moeten verhuizen naar een andere locatie. Waarom is die beslissing niet in 2011 genomen en in de haalbaarheidsstudie van 2010 voorgesteld? Maar die haalbaarheidsstudie kiest juist expliciet voor behoud: ‘De aanwezigheid van de antieke (Chinese) behangsels vormt een belangrijke factor waarmee rekening moet worden gehouden in het gebruik. Het behang is onlosmakelijk verbonden met het landhuis en dient goed geconserveerd en beschermd te worden (ook tegen extra licht en warmte van lampen). De verantwoordelijkheid en deskundigheid ten aanzien hiervan ligt hier bij het Centraal Museum. De behangsels hebben een hoge, onvervangbare educatieve en esthetische waarde. Ze zeggen iets over de plek waar ze definitief zijn geplaatst, te weten het park, het bos en het huis.

Foto 1: Schermafbeelding van deel BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2019, NUMMER 13 door wethouder Anke Klein, gemeenteraad Utrecht, 19 februari 2019.

Foto 2: Schermafbeelding van deel commentaarOnderzoek Armando Museum roept vragen op’ van George Knight, 13 december 2010.

Petitie ‘Speelgoedmuseum Deventer’ vraagt Deventer politiek om een toekomst. Sluiting om financiële redenen zou verarming zijn

with one comment

Staat het Speelgoedmuseum Deventer op omvallen? Er wordt vanaf maart 2019 over beslist. Het museum is ondergebracht bij de gemeentelijke erfgoed-organisatie Deventer Verhaal dat in een toelichting zegt: ‘In het Speelgoedmuseum zie je speelgoed waar in Nederland mee gespeeld is. Met ruim 13.000 objecten heeft het Speelgoedmuseum Deventer de grootste openbare collectie speelgoed van Nederland’. In een petitie bepleit directeur Garrelt Verhoeven om het museum niet te sluiten. Hij is tevens directeur van Deventer Verhaal.

Uit een bericht van De Stentor uit augustus 2018 blijken er twee hete hangijzers te zijn: tijdelijke huisvesting van het Speelgoedmuseum plus de investering in een nieuw onderkomen, en niet-structurele financiering van het museum die ten koste van Deventer Verhaal gaat. Verhoeven ‘eist’ van de gemeente Deventer structurele financiering en noemt een bedrag van 300.000 euro per jaar dat daarvoor nodig zou zijn. De gemeente zegt in een bericht van 1 november 2018 dat het ‘een sterk cultureel profiel’ heeft en ‘vele culturele activiteiten’ ondersteunt. In dat laatste lijkt hem het probleem te zitten als cultuurwethouder Carlo Verhaar (GL) beweert: ‘We willen niet zozeer instellingen financieren als wel culturele activiteiten’. Dat project-model wijst op een opvallende visie van een cultuurwethouder die hiermee afstand lijkt te nemen van culturele instellingen. Zoals het Speelgoedmuseum Deventer. In een andere ontwikkeling met de vastgoedwethouder Jaap Kolkman als eindverantwoordelijke omarmt het Deventer college het particuliere Zeromuseum in oprichting dat past in het frame van een vernieuwend initiatief. Het is onmiskenbaar dat er in de Deventer politiek al sinds 2007 veel wordt ‘gesproken’ over het ‘proces om te komen tot een cultuurvisie’ en de cultuurvisie zelf, maar de voorlopige conclusie toch is dat in de Deventer politiek een eensluidende visie op kunst en cultuur ontbreekt.

Ondertekenen van de petitie kan hier.

Foto 1: Schermafbeelding van petitieSpeelgoedmuseum Deventer’ van Garrelt Verhoeven, directeur museum op Petities.nl.

Foto 2: Schermafbeelding van berichtPetitie voor behoud Speelgoedmuseum; Voorkom sluiting’ op site van Speelgoedmuseum Deventer.

Foto 3: Schermafbeelding van berichtKeuzes maken voor de toekomst van de culturele sector’ op gemeentesite Deventer.nl, 1 november 2018.

Is de verhuizing van de Kunstuitleen Utrecht naar landhuis Oud Amelisweerd een verstandige, wezenlijke en blijvende oplossing?

with 2 comments

Het gemeentebestuur van Utrecht worstelt met de bestemming van landhuis Oud Amelisweerd in Bunnik waarvan het eigenaar is. Na het faillissement in 2018 van de Stichting Museum Oud Amelisweerd is het op zoek naar een nieuwe bestemming. Maar daartoe moeten knopen worden doorgehakt. Daar is het Utrechtse gemeentebestuur blijkbaar nog niet toe in staat. Uit het bericht in DUIC blijkt dat Kunstuitleen Utrecht een jaar lang gebruik kan maken van het landhuis. Hiermee zit het in een erg ruim en duur jasje. Eerder was de Kunstuitleen Utrecht onder meer gevestigd op Maliebaan 42, het Fentener van Vlissingenhuis, dat niet toevallig evenals landhuis Oud Amelisweerd eerder beheerd werd door het Centraal Museum. Volgens een afspraak uit 1951 zou de gemeente dit majestueuze pand een culturele bestemming geven, maar begin 2018 lapte de gemeente Utrecht deze afspraak eenzijdig en naar het idee van cultuurminnend Utrecht onnodig aan haar laars. De verhuizing kan opgevat worden als een genoegdoening voor de Kunstuitleen. Er kunnen veel woorden worden besteed aan dit dossier dat een aaneenrijging van blunders en halfzachte oplossingen is, maar de onmacht van het Utrechtse gemeentebestuur is onderhand te groot om het nog in woorden te vatten.

Mijn reactie bij het artikel: ‘Is dit een blijvende oplossing voor de bestemming of eerder het uitstel van een oplossing en een uitstel van het doorhakken van een knoop? Ofwel, kick the can down the Bunnik-road. Het blijft een lastig dossier waarin het Utrechtse gemeentebestuur al sinds 2011 de weg kwijt is.

Foto: Schermafbeelding van artikel ‘Kunstuitleen Utrecht in landhuis Oud Amelisweerd’ in DUIC, 29 januari 2019.

Utrechtse museumsector: Maak nijntje museum los van Centraal Museum en investeer de afkoopsom in Museum Oud-Amelisweerd

leave a comment »

Soms hebben ideeën onvermoede effecten. De Utrechtse VVD pleitte bij de behandeling van de begroting voor het verhuizen van het nijntje museum naar stadswijk Leidsche Rijn. Dat is om meerdere redenen een slecht idee, maar het voorstel geeft wel ruimte om hierover verder na te denken. Want hoe vanzelfsprekend zijn de vanzelfsprekendheden? De uitkomst kan zijn dat het nijntje museum losgemaakt wordt van het Centraal Museum en beide musea weer op eigen benen gaan staan. Vanwege de huidige verknoping dient dan een overgangsperiode afgesproken te worden waarbij financiële en facilitaire problemen onder controle moeten worden gebracht. Het Centraal Museum kan in samenspraak met het gemeentebestuur een andere taak op zich nemen, namelijk het beheer en het uitbouwen van het onlangs failliet gegane Museum Oud-Amelisweerd waarmee de gemeente Utrecht in de maag zit. Zo resteert een driehoeksverhouding tussen Centraal Museum, nijntje museum en het nieuwe Museum Oud-Amelisweerd waar alle drie de betrokken van kunnen profiteren. Mijn reactie op de FB-pagina van VVD Utrecht over dit onderwerp:

Welk probleem denkt VVD Utrecht met de verhuizing van het nijntje museum naar Leidsche Rijn op te lossen? Dat is onduidelijk in de verantwoording van raadslid Gertjan te Hoonte die met humor die doet denken aan Seth Gaaikema praat over ‘Leidsche nijn’. In elk geval staat dit proefballonnetje haaks op de inspanningen van de gemeente Utrecht om succesvol een Museumkwartier te realiseren. De VVD breekt daar nu op in. Daarom kan het afgedaan worden als aandachttrekkerij van een backbencher die voor zijn onderwerp gaat staan. Maar helemaal nutteloos is zijn voorstel niet.

De voor ‘cultuur’ bedoelde plek in Leidsche Rijn kan door rauwe en grensverleggende kunst ingevuld worden die beter dan het nijntje museum bij deze nieuwe stadswijk aansluit. Dat zou bij voorkeur een onderwerp moeten zijn dat nu nog niet voldoende afgedekt wordt in de Utrechtse musea. Stadspromotie en city marketing gedijen ook beter bij klustering van gelijkwaardige functies. Ook daarom is de verhuizing van het nijntje museum naar Leidsche Rijn niet verstandig.

Toch is er een niet bedoeld voordeel in de verhuizing die door VVD Utrecht noch door critici wordt genoemd, namelijk de ‘bevrijding’ van het Centraal Museum. Want de verknoping van nijntje museum en Centraal Museum kent weliswaar facilitaire en publicitaire voordelen, maar heeft inhoudelijke en mentale nadelen.

Ofwel, de publiekstrekker nijntje museum waarop de kurk van het Centraal Museum de laatste decennia zakelijk drijft heeft het Centraal Museum vervreemd van zichzelf. Hoewel er voordelen zijn, want de geldstroom van het nijntje museum maakt het het Centraal Museum mogelijk om projecten van de grond te tillen die het zonder het nijntje museum niet zou kunnen realiseren. Maar dat is een onnatuurlijke situatie doordat het evenwicht steeds meer uit het lood is komen te staan vanwege het zwaarwegende financiële en publicitaire belang van het nijntje museum.

Daarbij is er een verschil. Het Centraal Museum is een veelgelaagd stads- en kunstmuseum dat een fundamenteel andere opdracht heeft dan het nijntje museum dat feitelijk onderdeel is van een andere sector. Namelijk die van het toerisme en het evenement waarbij de vaste opstelling en niet een avontuurlijke programmering het kenmerk is. Ook dit pleit voor ontknoping.

Dit mislukte proefballonnetje van VVD Utrecht kan wellicht toch onbedoeld leiden tot iets goeds. Namelijk, de ontknoping van Centraal Museum en nijntje museum. Het nijntje museum hoort thuis in het Utrechtse Museumkwartier, maar hoeft niet per se in de Agnietenstraat tegenover het Centraal Museum gehuisvest te zijn. Te denken valt aan een verhuizing naar elders in het Museumkwartier. Het nijntje museum dat 12 jaar geleden nog niet op eigen benen kon staan, kan dat inmiddels wel. Dus kan het nijntje museum verzelfstandigd worden en los van het Centraal Museum worden gezet.

Omdat dit het Centraal Museum investeringen en gederfde inkomsten kost kan voor een overgangsperiode van 10 jaar een afkoopsom afgesproken worden, zodat de bedrijfsvoering van het Centraal Museum niet onder druk komt te staan. In de uitruil kan tevens het failliete Museum Oud-Amelisweerd betrokken worden dat het Centraal Museum zoals voor 2012 weer gaat beheren. Te denken valt om hier een Museum voor Chinoiserie of Exotica in te richten.

Als kinderen uit huis gaan is dat een bevrijding voor de kinderen, maar vaak ook voor de ouders. Achteraf blijkt dan dat ze elkaar al een hele tijd in de weg zaten. Het Centraal Museum kan oude gewoontes weer oppakken. Zo is het met de ‘ouder’ Centraal Museum en het ‘kind’ nijntje museum dat in 2006 als ‘Dick Bruna Huis’ werd geopend. Voor die tijd had het Centraal Museum al een heel leven zonder nijntje museum achter zich. Het Centraal Museum kan de huidige ruimte van het nijntje museum in de Willem Arntsz-vleugel weer gaan gebruiken als nijntje het huis uit gaat. Als nieuw project kan het Centraal Museum in directe samenspraak met en op verzoek van het gemeentebestuur het Museum Oud-Amelisweerd gaan beheren om niet helemaal kinderloos en eenzaam achter te blijven. Het geld van de bruidsschat van het nijntje museum kan dan zonder bijkomende kosten of investeringen voor de gemeente Utrecht én het Centraal Museum gebruikt worden voor het uitbouwen van het nieuwe Museum Oud-Amelisweerd.

Foto: Schermafbeelding van artikelVVD wil nijntje museum naar Leidsche Rijn Centrum verhuizen’ van Diane Hoekstra in het AD, 6 november 2018.