CDA en VVD vertragen formatie door te duwen op rechterkant en PvdA en GL samen uit te sluiten

Stuurt het CDA in de persoon van Madeleine van Toorenburg de hulptroepen van Team B de media in om de georkestreerde boodschap te verspreiden en de reactie erop in te schatten dat deze partij een coalitie over rechts wil of spreekt zij op eigen initiatief namens de rechterflank van het CDA? 

Waarschijnlijk moet ze in opdracht van de partijleiding eraan mee helpen om het voldongen feit van een centrum-rechts kabinet te helpen forceren. Dat zou een voorzetting van het huidige kabinet zijn, met de CU, of een inwisseling van deze partij voor PvdA óf GL. Persoonlijk kan meespelen dat zij inschat dat zij meer kans op een kabinetspost heeft als minder partijen beloond moeten worden. Daarom lijkt ze ook over haar eigen carrière te praten, zonder dat uiteraard toe te geven. 

Het CDA behaalde bij de laatste verkiezingen 9,5% van de stemmen en heeft 15 zetels in de Tweede Kamer. Leider Hoekstra heeft niet uitgesproken dat hij wil toetreden tot een nieuw kabinet. Hij houdt nog steeds een slag om de arm. Dat heeft te maken met de machtige positie in de partij van kamerlid Pieter Omtzigt die niet gecharmeerd is van premier Rutte die volgens hem de verkeerde bestuurscultuur zou belichamen. Nu Omtzigt wegens ziekte voor langere tijd uitgeschakeld is lijkt het CDA geleidelijk uit de schulp te kruipen.

Het opvallende in de formatie is in de laatst weken de verandering van toon en retoriek van de rechtse partijen CDA en VVD. Of ze zelfvertrouwen hebben gekregen is de vraag, maar vaststaat dat ze die publiekelijk tonen. Dat kan als fluiten in het donker worden uitgelegd. Het tegen beter weten in willen forceren van een voldongen feit. 

De VVD meent die vrijheid te kunnen nemen omdat de positie van premier Rutte niet langer hevig, maar overigens nog wel gematigd ter discussie staat en het CDA omdat de positie van de genoemde Omtzigt is verzwakt.

Eerst erkenden deze partijen volmondig (VVD) en deemoedig (CDA) dat er sprake was van een liberaal motorblok van VVD-D66 als basis voor een coalitie. Nu proberen ze in de beeldvorming een werkelijkheid te creëren van een rechts kabinet. Zoals gezegd is dat vooral van het CDA een ondoorgrondelijke manoeuvre omdat het nog niet eens heeft verklaard deel te willen uitmaken van een nieuw kabinet. Het CDA formeert op afstand in ijle lucht. 

Dat tamboereren op een rechts kabinet met als joker zelfs het dreigen met het radicaal-rechtse JA21 wringt omdat de positie die D66 heeft bij monde van partijleider Sigrid Kaag niet verzwakt is. Deze partij heeft nog steeds de sleutel in handen. Het valt niet in te zien dat de tactiek waarmee Van Toorenburg in navolging van Hoekstra, die weer werd gevolgd door Rutte, het veld wordt ingestuurd zal werken. Als niet alleen PvdA en GL elkaar vasthouden, maar D66, PvdA en GL dat doen, dan valt niet in te zien hoe dit blok van 41 zetels dat nodig is voor een meerderheid gepasseerd kan worden.

Premier Rutte zei afgelopen weken dat PvdA en GL ver van hem afstaan. Dat was een tamelijk overbodige en al te opzichtige uitspraak. Wat is ver? D66 kan zeggen dat CU ver van hen afstaat en dat het niet uitsluitend met rechtse partijen wil samenwerken. Welke open deur gooide Rutte hier open? Kijk naar Israël waar partijen die ver van elkaar afstaan samen een kabinet vormen. Wat denkt Rutte wat hij ermee zegt dat partijen ver van elkaar afstaan? Dat is nou eenmaal politiek. Moeten volgens Rutte alle partijen hetzelfde zijn? 

In Nederland coalitieland zijn partijen niet gelijkgeschakeld. Ze zijn onderling verschillend. Maar alle partijen die tot het midden gerekend kunnen worden zijn nou ook weer niet zo anders van elkaar dat ze niet samen kunnen werken. De constructieve zes, te weten VVD, D66, CDA, PvdA, GL en CU zijn binnen marges programmatisch inwisselbaar. De accenten zijn anders, maar de verschillen zijn overbrugbaar. 

Madeleine van Toorenburg heeft gelijk dat er tijd verspild is. Maar anders dan zij het probeert te framen. Door toedoen van Hoekstra en in navolging van hem een stoet VVD’ers en CDA’ers die hun mening in de media uitventten is tijd verloren gegaan. Hoekstra’s roep om een rechts kabinet en zijn bedekte blokkade om PvdA én GL samen tot een volgend kabinet toe te laten heeft tot tijdverlies geleid. Zo’n uitspraak is uiteraard deel van de onderhandelingen die zich deels in de media afspelen. Maar voor het proces is zo’n eenzijdige blokkade niet constructief. 

Wat zal de realiteit van zo’n centrum-kabinet van VVD, D66, CDA, PvdA en GL zijn? Het kabinet Rutte III heeft 16 ministers en acht staatssecretarissen. Onlangs zei premier Rutte dat vooral het aantal ministersposten uitgebreid moet worden. Hij voerde als reden de burn out van bewindslieden aan, maar evenzeer kan men er het voorsorteren van een vijfpartijen-kabinet in zien. Er zijn meer kabinetsposten nodig omdat meer partijen met posten tevreden moeten worden gesteld. 

De vijf partijen hebben samen 90 zetels. De module die leidt tot een kleine toename van het aantal kabinetsposten is 3 en resteert in 30 kabinetsposten (nu 24). Dat houdt in dat VVD, D66, CDA, PvdA en GL respectievelijk 11 (inclusief bonus voor premier), 8, 5, 3 en 3 kabinetsposten toebedeeld krijgen. De twee linkse partijen zullen naar verwachting karig bedeeld worden. Door te schuiven met de zwaarte van een staatssecretaris of de lichtheid van een minister kan het machtsevenwicht dat volgt uit het aantal zetels per partij gewaardeerd worden.

Die berekening roept de vraag op voor welk gevaar Hoekstra en Van Toorenburg nou eigenlijk waarschuwen. PvdA en GL krijgen naar alle verwachtingen hooguit samen zes kabinetsposten waarvan wellicht slechts elk een van zwaarder kaliber om zich te kunnen profileren. De zware posten zullen naar VVD, D66 en CDA (Financiën) gaan. 

Wat Van Toorenburg vergeet te zeggen is dat de linkse partijen als ze tot het kabinet Rutte IV toetreden weinig in de melk te brokkelen zullen hebben. Ligt voor Van Toorenburg een staatssecretariaat Binnenlandse Zaken in het verschiet als opvolger van Raymond Knops? Als beloning voor haar partijtrouw en lobbywerk als slippendrager van de partijleiding van het CDA. 

Hoe kan de partijpolitiek uit de eigen schaduw stappen?

Still uit Nosferatu (1922).

Met spanning wordt uitgezien naar de openbaarmaking vandaag van de notulen van de ministerraad waaruit zou blijken dat het leden van het kabinet moedwillig informatie achterhielden voor de Tweede Kamer in de toeslagenaffaire en kamerleden wilden inperken. Alle coalitiepartijen zullen daarbij worden beschadigd. Vraag is wie het meest en wie relatief het minst beschadigd wordt en of er nog voldoende vertrouwen overblijft voor de vorming van een nieuw kabinet.

Verliest D66-leider Sigrid Kaag haar geloofwaardigheid met haar oproepen voor nieuw leiderschap als blijkt dat zij in het kabinet meedeed aan oud leiderschap? Verliest CDA-leider Wopke Hoekstra de greep op zijn partij als blijkt dat hij CDA-kamerlid Pieter Omtzigt op verzoek van vooral D66 wilde inkapselen? Iets wat overigens niet lukte. Verliest VVD-leider Mark Rutte in de publieke opinie het laatste restje vertrouwen als blijkt dat hij leiding gaf aan het achterhouden van informatie voor de Tweede Kamer?

De oplossing is simpel en lastig tegelijk. Namelijk een coalitie die rond VVD-D66-CDA wordt gevormd met nieuwe gezichten van een nieuwe generatie. Geen Rutte, maar Klaas Dijkhoff. Geen Kaag, maar een backbencher. Geen Hoekstra, maar Omtzigt. Sterke ministers die de beste persoon op hun post zijn kunnen het kabinet vormen. Weg van het geklaverjas met partijbelangen waardoor partijen tweederangs wethouders naar voren schuiven die op hun eerste dag in het kabinet al mislukt zijn. Waarom geen Marcel Levi als minister van Volksgezondheid of Johan Simons of Willem de Rooij als minister van Kunst? Die ambitie om afstand te nemen van die oude partijpolitiek vormt ook een nieuwe bestuurscultuur.

Niet dat hiermee de oude, gesloten bestuurscultuur volledig verdwijnt en het zogenaamde dualisme in de scheiding van verantwoordelijkheid tussen kamer en regering, en tussen fracties en bewindslieden wordt gerealiseerd. Maar het kan een stap zijn in die richting. Met Omtzigt als tweede vice-premier is het niet onmogelijk dat de SP de vierde partij wordt in de coalitie. Dat is tandenknarsen voor de VVD, maar waarschijnlijk beter verteerbaar dan GroenLinks dat klimaatambities heeft en de bouw en de boeren voor het blok zet of PvdA dat op dit moment zwak geleid wordt en niet sterk en zelfverzekerd acteert.

Het gedoe over de formatie en de gesloten bestuurscultuur is beschamend voor wie alle problemen ziet die continu opduiken. En vooral, voor wie die serieus wil nemen. Wantoestanden en zaken die niet onder controle zijn en waar de politiek sturend in zou moeten zijn vertonen zich dagelijks. Het is de recycling van niet aangepakte problemen. De politiek wens je toe dat het doelmatig bestuurt, controleert en middelen verdeelt en niet steeds met zichzelf bezig is. Maar de politieke partijen geven in hun in zichzelf gekeerde arrogantie en zelfgerichtheid steeds weer het verkeerde voorbeeld.

De gesloten bestuurscultuur is een gevolg van het failliet van de partijpolitiek. Wie de politiek wil hervormen, moet de partijpolitiek hervormen. Ofwel, het belang van politieke partijen in de formatie moet afgeschaald worden. Hun belang hoeft daarmee niet te verdwijnen. Dat is ook onwenselijk omdat er veel waardevolle expertise en ‘geheugen’ in de partijen aanwezig is. Zonder hen kan het niet. Maar als ze in hun marketing, mannetjesmakerij, machtsdenken en electorale overconcentratie zo bijziend gefocust blijven op hun eigenbelang, dan kan het evenmin met hen.

De tussenoplossing is het openbreken van de partijpolitiek met een nieuwe generatie politici en deskundige ministers die losjes gebonden zijn aan partijen. De politiek om de politiek past slecht bij de bestuurscultuur waarvan iedereen zegt dat die nodig is. Laat het lippendienst zijn die ingegeven wordt door de publieke opinie die een eigen dynamiek krijgt. Die reden telt niet, het resultaat wel.

Sigrid Kaag (D66) valt Rutte (VVD) aan op diens buitenlandbeleid. Ze wil een hardere opstelling jegens Nord Stream II

Prima standpunt van D66 lijsttrekker Sigrid Kaag dat voortborduurt op de tegenstand tegen Nord Stream II die binnen GroenLinks, D66 en ChristenUnie is opgebouwd. Het is veelzeggend en slim van Kaag dat ze hier een strijdpunt van maakt. Op 17 maart 2021 zijn er landelijke verkiezingen.

Het commentaar van de VK is verwarrend als het suggereert dat het standpunt van de Nederlandse regering al jaren onveranderd is. Dat is niet zo. Onder druk van genoemde drie partijen werd in 2018 de regering Rutte gedwongen om de Europese Commissie te volgen in een autonome gaskoers die impliceert dat Nord Stream II geen commercieel, maar een (geo)politiek project is. Daarom oogt Kaags opmerking gedateerd omdat ze een achterhaald standpunt bestrijdt. Dat is Don Quichotterig. Niet toevallig zei in april 2018 de Duitse kanselier Merkel dat “uiteraard ook met politieke factoren rekening moet worden gehouden” bij de aanleg van Nord Stream II. Daarmee doelde ze niet alleen op de positie van Oekraïne.

Hoe dan ook is het goed dat Kaag dit standpunt verkondigt. Hoewel het te laat dreigt te komen omdat de aanleg van Nord Stream II in de laatste fase is aanbeland. Voltooiing is door onder meer de Amerikaanse en Oost-Europese oppositie nog niet zeker. Hopelijk kan Kaag haar standpunt met de buitenlandwoordvoerders van haar partij verder uitwerken en verbinden aan de positie van Alexei Navalny en de mensenrechten in de Russische Federatie, Shell en Gasunie, Oekraïne en Duitsland, de duurzaamheid en toekomstbestendigheid van de energievoorziening zoals die is verwoord in het Third Energy Package uit 2018 van de EU dat gaat over het vergroten van de diversiteit en onafhankelijkheid in de energievoorziening. De aanleg van Nord Stream II is daarmee strijdig en met de Duitse Alleingang om Nord Stream II vanwege eigenbelang te bouwen heeft Duitsland door haar arrogante opstelling enkele EU-lidstaten van zich vervreemd en de sfeer binnen de EU verziekt.

De VK schetst de valkuil waar Kaag in kan vallen als het zegt dat zij wil dat Nederland in haar buitenlandbeleid aansluiting zoekt bij Frankrijk en Duitsland. Dat kan probleemloos op onderdelen, maar de twee landen zitten niet altijd op dezelfde lijn. Juist Nord Stream II maakt duidelijk dat deze twee landen er verschillend tegenaan kijken. Dat is begrijpelijk voor wie de energievoorziening van genoemde landen in ogenschouw neemt. Duitsland heeft kernenergie in de ban gedaan en Frankrijk niet. Die energiepositie bepaalt grotendeels de afhankelijkheid van de opstelling. Frankrijk is al jaren tegen het voltooien van Nord Stream II, terwijl Duitsland voor is. Tegelijk gebruikt de Franse diplomatie de tegenstand om op andere dossiers wisselgeld te vergaren, en bindt het telkens in.

Het Nederlandse kabinet is onder druk van GroenLinks, D66 en Christen Unie én de Europese Commissie dus al sinds 2018 verwijderd van het standpunt dat Nord Stream II een zuiver commercieel project is. Maar tegelijk heeft Rutte III het standpunt dat Nord Stream II een (geo)politiek project is evenmin omarmd. Daar zal de positie en het lobbywerk van Shell en Gasunie niet vreemd aan zijn.

Het feit dat in de Nederlandse politiek in het midden is blijven hangen of Nord Stream II een commercieel of politiek project is kan opgevat worden als een compromis tussen enerzijds VVD en anderzijds D66 en Christen Unie in Rutte III, met het CDA in een tussenpositie. Vreemd overigens omdat sinds 2018 vele landen wel opgeschoven zijn naar het standpunt dat Nord Stream II een zuiver politiek project is van het Kremlin.

Omdat minister Sigrid Kaag als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking blijkbaar geen macht had om minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken in beweging te krijgen richting mensenrechten, een Europese energie-onafhankelijkheid en -diversiteit, en een hardere koers tegenover de Russische Federatie probeert ze nu in verkiezingstijd haar punt te maken dat het kabinetsberaad niet haalde of daar onvoldoende steun kreeg. Zo is het niet ondenkbaar dat Nederland in een nieuwe Tweede Kamer een harder Rusland-standpunt inneemt in navolging van de regering Joe Biden. Door de Yukos- en de MH17-rechtszaak op Nederlandse bodem is Nederland een betrokken buitenstaander die ook een publieke mening dient te geven over Nord Stream II.

Foto’s: Schermafbeelding van delen van het artikel ‘Kaag de lijsttrekker hekelt buitenlandbeleid Rutte: ‘We moeten optrekken met de Fransen en Duitsers’’ in de Volkskrant, 10 februari 2021.

Op wie moet ik stemmen op 17 maart 2021? Aflevering 2: partijpolitiek

In een commentaar van 20 februari 2018 over de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 schreef ik het volgende: ‘Nog een maand campagne. Nog een maand leuzen, versimpelingen, verdraaiingen en de vermarkting van politici. Ik weet werkelijk niet of ik ga stemmen en als ik ga stemmen welke partij het wordt.

Dat ik het niet weet komt niet door een tekort aan politiek besef of interesse, maar door een teveel eraan. Wat moet ik met partijpolitiek, en krampachtige en onopvallende politici die naar mijn gunst dingen? Tegelijkertijd wil ik niet meedoen aan de retoriek van de stemmingmakers die tegen ‘de politiek’ schoppen. Ik ben voor de politiek. Hoe kan ik een stem voor de politiek uitbrengen, terwijl ik geen vertrouwen heb in de partijpolitiek en de huidige generatie politici? Ik ben nijdig dat partijen me voor het blok zetten met hun onheuse voorstelling.’

Slechte voorbeelden uit het buitenland stralen negatief af op de Nederlandse situatie. De onwaarachtige en leugenachtige verklaringen van Republikeinse vertegenwoordigers in het Amerikaanse Huis versterken het beeld dat het in de partijpolitiek niet gaat om het landsbelang, maar om persoonlijk belang. Wat krom is wordt recht verklaard en eigen fouten worden aan de concurrentie toegerekend. In de kern is partijpolitiek kinderachtig gedoe van grote mensen die in hun speeltuin een steeds nauwere blik op de werkelijkheid ontwikkelen totdat ze zelfs over zichzelf niet meer weten hoe nauw en verkeerd hun blik is.

Ik ken geen alternatief.  De partijpolitiek is leidend en gezaghebbende partijen staan hun macht niet vrijwillig af. Ontwikkelingen met burgerfora of loterijen om burgers bij het bestuur te betrekken blijven kleinschalig en lijken eerder een cosmetische operatie, dan een welgemeend streven van de macht naar machtsdeling en het teruggeven van macht aan de burger. Uit onderzoek blijkt dat er met name bij jongeren een groot engagement is en ze wakker liggen van maatschappelijke thema’s, maar zich niet kunnen identificeren met de partijpolitiek.

Wat de gevestigde partijen doen is teleurstellend. Ze verliezen de strijd op twee fronten. Ze laten zowel in de beeldvorming als in de politieke realiteit een idee postvatten dat ze niet oprecht zijn in hun sociaal-economisch beleid en niet eens meer zelf aan de knoppen zitten om het vorm te geven. Het zijn de multinationals, de banken en de EU die het voor het zeggen hebben. Dat relativeert het belang van de gevestigde partijpolitiek en verkleint het verschil met de radicale randpartijen van rechts en links. De gevestigde partijpolitiek laat deels bewust, deels onbewust na om te formuleren, te verduidelijken en te presenteren hoe in Nederland de macht verdeeld wordt en welke richting het land moet inslaan om toekomstbestendig en duurzaam te zijn. Zo resteert pragmatisme dat politiek zonder politieke beginselen en programma biedt.

Een oplossing voor de gevestigde politiek om de schijnvoorstellingen en -oplossingen van de radicalen te ontmaskeren ligt voor de hand. Het moet aan geloofwaardigheid, voorspelbaarheid en verantwoording winnen om het verschil met het ongeloofwaardige beleid van de radicalen te benadrukken. Gevestigde partijpolitiek moet met realisme en transparantie rekenschap van zichzelf geven om het verschil te onderstrepen met de randpolitiek die bestaat uit onrealistische toekomstbeelden. Maar het terugtreden van Lodewijk Asscher als partijleider van de PvdA schetst het dilemma. Door transparantie en oprechtheid leveren hij en zijn partij aan macht in. In elk geval voorlopig. Zolang de gevestigde partijpolitiek onvoldoende handelt kan het de politieke handelaren in hersenschimmen niet de pas afsnijden.

Maar kan de gevestigde partijpolitiek nog wel geloofwaardig, voorspelbaar en met verantwoording handelen? Valt het politieke systeem nog wel te repareren of is het het punt al gepasseerd dat de partijpolitiek en de burgers samen er nog voldoende grip op kunnen krijgen om het te repareren omdat het al bezit van externe krachten is? Het antwoord op die vraag is onduidelijk. De paradox is dat wat Forum voor Democratie en de PVV als bezwaar zien, namelijk het weggeven van de soevereiniteit van Nederland, precies hun electorale opgang mogelijk maakt. Niet omdat ze daarin beleidspunten scoren die van belang zijn voor de praktische politiek, maar omdat het het verschil met de geloofwaardigheid van de gevestigde partijpolitiek verkleint.

Het gebrekkige en uitblijvende antwoord van de gevestigde partijpolitiek dat schippert tussen het inleveren van soevereiniteit en het ophouden van de schijn dat dit niet aan de orde is, baart meer zorgen dan de schijnoplossingen van radicaal links en rechts. De politieke filosofieën van het communisme en het fascisme die ten grondslag liggen aan de programma’s van de radicale partijen hebben hun geloofwaardigheid voor de praktische politiek allang verloren. Dat is een doodlopende weg waar de gevestigde politiek minder bevreesd voor zou moeten zijn dan het nu is. Dat maakt het uitblijven van een passend antwoord er des te raadselachtiger op.

Zie hier voor commentaar ‘Op wie moet ik stemmen op 17 maart 2021? Aflevering 1: religie rukt op in D66 en GL’ van 2 december 2020.

Foto: Minister Wiebes in gesprek met scholieren. beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen, 2019.

Kandidatuur van Kauthar Bouchallikht bij GroenLinks toont aan dat het in Nederland ontbreekt aan een linkse, vrijzinnige partij

De wetmatigheid van een verkiezingscampagne is dat onrust bij de buren positief uitpakt voor de partij waar het rustig blijft. Zo beredeneerd is op links de PvdA op dit moment de geluksvogel. Bij D66 is er Sigrid Kaag die een parallelle marketingcampagne heeft opgezet en het stigma om elitair te zijn in haar uitspraken eerder benadrukt dan ontzenuwt. Bij SP is er een geschil van de partijleiding met de jongerenafdeling ROOD (verdacht van communistische sympathieën) die vragen oproept over de interne democratie van de partij. Toch al het zwakke punt van de SP. En bij GroenLinks is er de ongelukkige kandidatuur voor de Tweede Kamer van Kauthar Bouchallikht die voortdurend in opspraak is en voor negatieve publiciteit blijft zorgen.

Kauthar Bouchallikht was tot 1 december 2020 als vice-voorzitter van studenten – en jongerenplatform FEMYSO die opgericht was door de Moslimbroederschap hieraan gelieerd. Dat kan, maar het springende punt was dat de leiding of screeningcommissie van GroenLinks hiervan niet op de hoogte bleek. Of in elk geval ontbrak dit feit bij de informatie die de partij gaf over de kandidaten. De leiding van GroenLinks lijkt dus niet tot in detail te hebben begrepen waar Bouchallikht voor staat en zit nu in een publicitaire klem om achteraf toe te geven dat de screening onvoldoende is geweest en deze kandidate niet bij het karakter van de partij past. Het is dan ook de vraag of de partij deze publicitair zeurende kwestie goed behandelt.

Het ontbreekt de linkse partijen aan een goede antenne om kandidaten met een allochtone achtergrond te screenen zoals ze dat bij andere kandidaten doen. Of hoe dat in het tijdperk van inclusie en diversiteit genoemd behoort te worden. De afsplitsing van twee Turks-Nederlandse PvdA’ers die met succes DENK oprichtten geeft aan hoe mis dat is gegaan bij de PvdA. Toenmalig partijleider Wouter Bos zei daar in 2006 over dat hij ongelukken voorzag met allochtone kandidaten die met voorkeurstemmen gekozen waren. De fout die partijen maken is dat ze ongeduldig zijn. Ze zien niet in dat islam-fundamentalisten in vorm modernistisch zijn, maar niet in inhoud en dat anderen vanwege het streven naar een representatieve vertegenwoordiging van allerlei doelgroepen hun etniciteit om opportunistische redenen gebruiken om snel te stijgen in de partijhiërarchie. Waardoor de rijping en scholing te weinig aandacht krijgen.

De linkse partijen laten zich door schone schijn van conservatief-religieuze opvattingen verleiden die in tegenspraak met hun uitgangspunten zijn. Vaak komt daar nog antisemitisme bij. In een commentaar in 2018 over de ongelukkige samenwerking van het islamitisch geïnspireerde NIDA met SP, PvdA en GroenLinks in Rotterdam concludeerde ik: ‘De linkse reflex van diversiteit en insluiting is even kwalijk als de rechtse reflex van homogeniteit en uitsluiting als die niet samengaat met het toetsen van uitspraken op hun betekenis.’

Wat meespeelt bij GroenLinks is dat bij de fusie in 1991 met PPR en EVP, naast de CPN en PSP, een evangelisch geluid de partij binnenkwam. Reken daarbij de communisten die zich gedroegen als gelovigen en het is duidelijk dat het vrijzinnige en pacifistische geluid van PSP’er Fred van der Spek binnen GroenLinks een minieme minderheid was. In bijna 30 jaar is weliswaar het onderlinge verschil tussen de afzonderlijke bloedgroepen afgenomen, maar is dat zalvend-verkondigende aspect nog steeds in het DNA van GroenLinks aanwezig. Naar mijn idee heeft de partij zich nooit hersteld van dat religieuze denken en de wil om te getuigen. Het kan er de verklaring voor zijn dat Kauthar Bouchallikht binnen GroenLinks zo weinig kritisch, om niet te zeggen naïef is bejegend.

Er moet maar eens een echte linkse, vrijzinnige partij in Nederland komen. Het is tamelijk absurd voor het seculiere Nederland waar het hele politieke landschap is verkaveld in aparte onderdelen voor elke overtuiging dat zo’n eenduidig vrijzinnige partij niet bestaat. Het valt Kauthar Bouchallikht niet aan te rekenen dat ze haar opvattingen heeft (die zijn te karakteriseren als islamitisch-fundamentalistisch), maar wel dat GroenLinks met haar kandidatuur volhoudt dat het vrijzinnig en seculier is.

Op wie moet ik stemmen op 17 maart 2021? Aflevering 1: religie rukt op in D66 en GL

Waar moet ik op stemmen bij de Tweede Kamer verkiezingen van 17 maart 2021? D66 valt af vanwege de uitgesproken religieuze Sigrid Kaag die bij het vrijzinnige D66 inhoud inwisselt voor marketing. GroenLinks valt af vanwege de naïviteit van de partijtop over de kandidaatstelling van de aan de Moslimbroederschap verbonden Kauthar Bouchallikht die met veel onregelmatigheden en slechte informatievoorziening gepaard gaat. GroenLinks slaat net als D66 de richting van de godsdienst in. FVD is racistische clownerie en geen politieke partij. PVV steunt met bedenkelijke overtuigingen autoritaire leiders en heeft geen serieus programma. Religieuze partijen steun ik per definitie niet. Hun drammerig gezalf en beroep op een hogere macht is daarnaast een extra argument om er weg te lopen. VVD moet maar eens afgelost worden en alle fraudeurs en profiteurs definitief de laan uitsturen en mentaal uit de schaduw van het bedrijfsleven treden. PvdA moet eens maar eens bewijzen dat het de weggeven waarden van de sociaal-democratie goed weet te vertegenwoordigen. SP zit in zichzelf verstrikt en kan beter omgebouwd worden tot een zorgfiliaal. De andere partijen zijn te klein om een beslissende rol te spelen.

Als ik desgevraagd tegen mensen in mijn omgeving zeg dat ik niet ga stemmen, dan krijg ik kritiek. Maar moet die kritiek niet gericht worden op de huidige generatie politici die er een potje van maakt en niet weet te overtuigen? Het is toch te simpel om de thuisblijvende kiezer daar de schuld van te geven? De oorzaak ligt op het Binnenhof.

Vaak wordt gezegd dat iemand niet naar de stembus gaat vanwege gebrek aan interesse in de politiek. Politici als Frits Bolkestein concludeerden ooit uit dat wegblijven dat de mensen dus tevreden zijn met de politiek. Maar ik vermoed dat voor steeds meer potentiële kiezers die zich tot de tanden toe geïnformeerd hebben het omgekeerde geldt. Ze gaan niet naar de stembus vanwege een teveel aan interesse in de politiek waarin ze geen vertrouwen weten te vinden. Het moge duidelijk zijn dat ik tot die groep behoor.

Ofschoon ik door veranderde omstandigheden in de komende drie maanden mijn mening kan wijzigen. Zeg nooit nooit en laat ruimte voor verandering. Wellicht kondigt zich nog een vrijzinnige, vrijdenkende partij aan die me politiek onderdak geeft. Op dit moment ben ik al jaren politiek dakloos. Ik hoor van steeds meer mensen in mijn omgeving dat ze dat ook zijn. Zodat we veel schommelingen en onverwachte uitslagen kunnen verwachten. Als er iets te melden is over de ‘veranderende omstandigheden’ die mijn stem beïnvloeden, dan doe ik er hier verslag van.

Foto: Uit commentaarWaarom ik niet op GroenLinks zal stemmen’ van Meindert Fennema op Joop, 19 november 2020.

SGP wenst Nederlandse militairen ‘Gods zegen’ in strijd tegen IS. Hoe erg is dit gebrek aan urgentie en verantwoordelijkheidsbesef?

Je zou maar in de Nederlandse krijgsmacht dienen en door een parlementariër van de SGP ‘Gods zegen’ in de strijd tegen IS toegewenst worden. Als ontvangende en dienende partij heb je dat te accepteren. Je wordt ongewild in de beeldvorming over een strijd tussen twee belangrijke religies getrokken. Te weten het christendom en de islam. Terwijl je als militair met andere dingen bezig bent dan religie of ‘Gods zegen’. Je moet je deze beeldvorming aan laten leunen, want het is een Nederlandse parlementariër die het zegt.

Hoe zo’n uitspraak ook past bij het theocratische DNA van de SGP en de parlementaire vrijheid om te spreken, het gaat een grens over en is ongewenst. Het is het voorbeeld van een poging om anderen christelijk jargon en denkwijze op te leggen. Chris Stoffer probeert zo zijdelings militairen van de Nederlandse krijgsmacht in te lijven in zijn wereldbeeld. Dat is een beperkt perspectief. In het publieke debat gelden regels voor mensen van diverse pluimage om met elkaar in discussie te gaan. Dat vereist schakelen van iedereen om over de eigen schaduw heen te springen om de ander open en zonder gebruik van eigen jargon tegemoet te treden. Stoffer kiest er bewust voor om zich niet-neutraal op het neutrale terrein van de Tweede Kamer op te stellen.

Er is de laatste maanden gedoe in de media over complotdenkers die wetenschap, journalistiek en politiek verdacht proberen te maken. Dat betreft een minderheid die op sociale media vooral met zichzelf in gesprek gaat. Het enige perspectief dat wisselt is dat de geïnterviewde scepticus de volgende keer de interviewer is. De inteelt van het complotdenken leidt tot een bunkermentaliteit. Dat bevordert het idee van buitengesloten zijn en leidt tot radicalisering. De isolatie van Geert Wilders is daar een vroeg voorbeeld van. Maar het gevaar voor de Nederlandse democratie komt niet van deze kleine geradicaliseerde minderheid malcontenten en ophitsers.

De gevestigde politiek laat het liggen. Zo’n SGP die in de beeldvorming de Nederlandse krijgsmacht in een heilige oorlog tegen de islamitische barbaren probeert te trekken. Of de politiek leider van het CDA die de strijd tegen de pandemie niet onder de knie krijgt en een minister van Justitie laat zitten die door zijn gebrek aan geloofwaardigheid dat verder aantast. Of een politiek leider van D66 die praat over normen en waarden zonder de sociaal-economische factoren die oorzaak zijn voor verdeeldheid boven aan de agenda te zetten.

Voorbeelden van falende politiek zijn talrijk. Als burgers afhaken en zich afzijdig opstellen en daarna opgevist worden door complotdenkers is dat geen falen van burgers die het niet begrijpen of complotdenkers die het verkeerd voorstellen. Het is het falen van een politieke klasse die de urgentie niet ziet van een democratie die onder druk staat, laat staan de weerbaarheid ervan snel repareert, maar blijft hangen in eigen profilering.

Kaag verwijst publiekelijk zo vaak naar haar religieuze overtuiging en God dat het de vraag oproept wat het profiel van D66 is

In een vraaggesprek met Tijs van den Brink uit 2018 zegt Sigrid Kaag: ‘Ik heb juist het gevoel: de mens wikt, maar God beschikt’. Zij doet andere uitspraken over haar Rooms-Katholieke overtuiging, onder meer als antwoord op de vraag waarom ze als minister de eed aflegde: ‘Als je keuze hebt om op zo’n moment te verklaren dat je hoopt dat je de hulp van God hebt, dat God over je mag waken, zodat je verstandige of wijze besluiten kunt nemen, dat je ook voor jezelf behoed mag worden – want daar komt het soms ook een beetje op neer – voor je eigen domheid. De weging om het wél te doen was belangrijker dan om het niet te doen.’

Gisteren plaatste Johan Fretz een column in Het Parool met de titel ‘Er was een tijd dat ik vaak op D66 stemde’ waar ik het mee eens ben. Ook ik stemde nog in de jaren 1990 op D66. In de kern is het een rechtse partij vanwege het sociaal-economisch beleid dat met sociaal-culturele thema’s gecamoufleerd wordt. Maar ik verschil met Fretz over de aanvechting om op de nieuwe partijleider Sigrid Kaag te stemmen. Die aanvechting heb ik niet. Met het mes op de keel zou ik nog op Rob Jetten kunnen stemmen, maar absoluut niet op Kaag.

Zij heeft niet alleen een religieuze overtuiging, wat uiteraard toegestaan is, maar gebruikt die in de publiciteit om zich te profileren. Zoals in het vraaggesprek met Van den Brink. Daar raakt ze me kwijt. Zij zou haar geloof ook voor zichzelf kunnen houden, zoals politici vaak privé en zakelijk scheiden, maar dat doet zij niet.

Kaag maakt haar religieuze overtuiging tot een aspect waarmee zich zich in de publiciteit profileert. Ook dat is uiteraard toegestaan, maar bij mij roept het wel de vraag op of het profiel van Sigrid Kaag nog wel past bij het profiel van D66. Als D66 al een min of meer omlijnd profiel heeft. Past het in de openbaarheid praten over de individuele religieuze overtuiging niet eerder bij CDA of SGP dan bij D66? Zo tekent zich in het D66 van Kaag een dubbele ontkenning aan van het eigen gedachtengoed: de partij is niet ondubbelzinnig vrijzinnig en niet centrumlinks met de ambitie van bestuurlijke vernieuwing, maar centrumrechts met het streven naar macht.

Anders gezegd, via een omweg roept de religieuze profilering van Kaag de vraag op of het huidige D66 nog wel de partij van de vrijzinnige Boris van der Ham en Boris Dittrich is. Op de site van D66 bestaat de pagina ‘vrijzinnigheid’ niet meer of de verwijzingen naar ‘vrijzinnig’. Die verwijzingen lijken afgezwakt of weggewerkt te zijn. Ik vraag me af hoeveel ruimte vrijzinnigen bij het D66 van Kaag, die zich in het openbaar beroept op God, nog kunnen vinden. Ik stem uit principe niet op religieuze of pseudo-religieuze partijen. Dreigt die zelfprofilering van Kaag met haar religieuze overtuiging niet de olifant in de kamer van D66 te worden?

Mijn kritiek is niet dat Kaag gelovig is. Ik ontzeg niemand een religieuze overtuiging. Dat zou onverdraagzaam zijn en tegen de grondrechten ingaan. Wat ik me afvraag is hoe Kaags religieuze overtuiging waarmee ze bewust naar buiten treedt zich verhoudt tot het gedachtengoed van D66. Ik vraag me af of dit besproken is met de spindoctors van D66 die de campagne begeleiden. Zoals campagneleider Frans van Drimmelen. Dit gaat over het vasthouden aan het eigen gedachtengoed, en de geloofwaardigheid en koersvastheid van een politieke partij. Het kan zijn dat de vrijzinnigheid van D66 in de praktijk allang afgeschaft is zoals ook de bestuurlijke vernieuwing in de praktijk afgeschaft is. Dan is Kaags nominatie en haar behoefte om publiekelijk naar haar religieuze overtuiging te verwijzen een bevestiging van de normalisering van D66 waarin oude eigenheden of onregelmatigheden zijn weggewerkt. Of de verwijzingen naar vrijzinnigheid preventief zijn weggewerkt als rode loper voor een opkomst van Kaag is vergezocht, maar roept dit allemaal wel op.

Een partijleider behoort overtuigend aan te sluiten bij de kernwaarden van een partij en daar geen vragen over te laten ontstaan. Ik ben van mening dat door de profilering van Kaag vragen opgeroepen worden over de kernwaarden van D66. Wat Kaag afgelopen jaren deed door te verwijzen naar haar religieuze overtuiging hebben andere leiders van D66 nooit publiekelijk gedaan. Dit is voor mij nieuw in D66. Ik kende het wel binnen de SGP en zelfs daar werd door iemand als Bas van der Vlies het onderscheid gemaakt tussen een individuele overtuiging en de werking van religie als politiek middel. Bij Kaag blijft dat in het midden hangen.

Keer het eens om. Wat voor reuring zou het geven als een christelijke partij als CDA, SGP of CU of een partij die zich inspireert op de islam een partijleider zou hebben die in het openbaar telkens verwees naar het eigen atheïsme of agnosticisme? Van Van Mierlo, Terlouw, Dittrich, Engwirda, Borst, De Graaf, Brinkhorst of Pechtold heb ik nooit gehoord dat ze zich publiekelijk beriepen op hun religieuze overtuiging (als ze die al hadden).

Dat Kaag dit wel doet doet me afvragen of ze wel volgens de partijlijn handelt of daar van afwijkt en zoja, wat dat dan zegt over het leiderschap en het teamspel van Kaag en de vraag wat voor partij D66 eigenlijk (nog) is.

Foto: Schermafbeelding van deel interview van Tijs van den Brink met Sigrid Kaag, 21 oktober 2018 op lazarus.nl.

Kan Nederland zich de lichtheid van minister Blok veroorloven of is dat opzet om particuliere belangen makkelijk door te drukken?

Bij Buitenhof 18/11/2018

Minister Stef Blok zegt over Poetin :-
“…je kunt in de Oekraïne een burgeroorlog ontketenen…”

Het blijkt merkwaardig waarom politici een oorlog tussen landen een burgeroorlog noemen en een oorlog die geen oorlog is een oorlog. In de Nederlanden werd in 1940 een burgeroorlog ontketend. Zoiets? Bizar is dat minister Ank Bijleveld naar aanleiding van de Russische OPCW-hack zei dat Nederland ‘in cyberoorlog’ met de Russische Federatie is wat ze achteraf liet corrigeren omdat het ‘niet letterlijk bedoeld’ was. Is Bijleveld zelf wel letterlijk bedoeld? Kortom, de ene bewindsman noemt een oorlog in Oekraïne tussen landen een burgeroorlog en de andere bewindsvrouw noemt een oorlog tussen landen die geen oorlog is een oorlog.

Wat leert ons de opsomming van bokken die bewindslieden in de buitenland-driehoek van Rutte III schieten? Minister Sigrid Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is de gunstige uitzondering. Ze mocht als D66’er om partijpolitieke redenen VVD’er en buitenlandminister Halbe Zijlstra niet opvolgen toen hij moest aftreden vanwege zijn Datsja-fantasie over president Putin. Dat leert ons dat deze ministers behoefte hebben aan bijscholing (door bijvoorbeeld deskundigen van Instituut Clingendael) omdat ze de (historische) kennis en het inzicht missen om de wereld die ze voor hun ogen zien correct te kunnen evalueren om daar vervolgens geloofwaardig en autonoom naar te handelen. Ze doen hun best, maar schieten toch tekort.

Ideaal zou het zijn als de ministersposten op Defensie en Buitenlandse Zaken bezet zouden worden door experts die hun sporen intellectueel en in het veld op dat gebied verdiend hadden. Nu zit Nederland omdat de poppetjes in de formatie moesten kloppen opgescheept met een onbenul als minister Bijleveld die elke keer weer toont dat ze geen idee heeft waarover ze praat en een goedwillende invaller als minister Blok die z’n best doet, maar toch tekortschiet. Bijleveld en Blok vertegenwoordigen het aantoonbare falen van de partijpolitiek.

Nederland krioelt van de deskundigen op allerlei gebieden op universiteiten, sectorinstituten en ook op lokaal niveau en daarom is het opvallend en niet in lijn met de stand van het land dat de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie niet op hun functie berekend zijn. In elk geval geven ze elke keer weer aan dat ze het beleidsterrein waarvoor ze ingehuurd zijn niet voldoende beheersen. Dat is beschamend. Des te meer als vereist wordt dat ze snel moeten schakelen en dat vanwege hun gebrek aan kennis en inzicht niet kunnen. Een minister die gezag mist en duidelijk optreedt als filiaalhouder kan in binnen- en buitenland niet krachtig functioneren. Zo’n minister bouwt geen invloed op en is per definitie een speelbal in de handen van anderen.

Neem het dossier Nord Stream II waarover de Tweede Kamer onder leiding van D66 en GroenLinks zich grote zorgen maakt. In strijd met het beleid van de EU over diversificatie en onafhankelijkheid van energie en onder protest van landen als Polen en de Baltische staten wordt dit geopolitieke project door de leidende politici in West-Europa ten onrechte als een economisch project voorgesteld. Het sterke vermoeden is dat economische grootmachten als Shell, Engie, OMV, Uniper en Wintershall de regeringen van de landen waarin ze gevestigd zijn (Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland) gijzelen en in de tang hebben genomen. De lijnen tussen de VVD en Shell zijn angstvallig kort. Welke initiatieven neemt Blok in antwoord op kritiek van de Tweede Kamer dat Nederland door de aanleg van Nord Stream II te afhankelijk wordt van Russisch gas? Zijn reactie is: afwachten. Kan Europa zich zo’n lakse houding veroorloven en beseft Blok wel de ernst van de situatie?

Nord Stream II loopt het risico klem te komen zitten tussen de dreiging van Amerikaanse sancties dat het project vleugellam maakt en de huidige inactiviteit en het selectief wegkijken van de regeringsleiders in West-Europa. Een voortvarende en creatieve minister zou gezien het Nederlands belang (Gasunie, Shell, gasrotonde, energie onafhankelijkheid) die twee proberen te verbinden door steun in de EU te mobiliseren, de Russen in te tomen en de Amerikanen te paaien. Maar minister Blok wacht af. Op instructies van Shell? Zo wordt duidelijk dat slecht functionerende minsters zonder de benodigde startkwalificaties als Bijleveld en Blok die niet op hun taak berekend zijn en geen gezag opbouwen wel degelijk een negatieve invloed hebben op de economie en politiek van Nederland. Het kwalijke is dat het zo makkelijk anders kan als partijpolitieke overwegingen niet leidend zouden zijn. In de partijpolitiek staat het algemeen belang niet altijd boven het particulier belang.

Foto 1: Still uit uitzending van Buitenhof met minister Stef Blok, 18 november 2018.

Foto 2: Aanleg van Nord Stream II, Moscow Times, 13 november 2018. Credits: Jörg Carstensen / DPA / TASS.

Abel Herzberglezing van Sigrid Kaag: Een extra reden om niet op D66 te stemmen

De Abel Herzberglezing op 30 september 2018 van Sigrid Kaag, de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (D66) heeft onder medestanders enthousiasme losgemaakt. Er werd zelfs over gespeculeerd dat deze lezing de geloofsbrief van Kaag is om partijleider Alexander Pechtold op te volgen. Hij lijkt over zijn uiterste houdbaarheidsdatum heen. De Democraten lijken paniekerig op zoek naar een vaste identiteit die ze langer dan de zittingsperiode van een kabinet kunnen vasthouden. Met als gevolg dat de illusie bij medestanders dat Kaag in die leegte voorziet haar projecteert naar het leiderschap van D66.

Ik lees die lezing anders en zie er vooral een extra reden in om niet op D66 te stemmen. Wat ik in een ver verleden meermalen gedaan heb. Kaag bestrijdt erin niet het beeld dat D66 een partij voor de elite is, maar bevestigt dat er juist mee. Het kan zijn dat dit electoraal werkt en zij de eigen achterban prima bedient en tevreden stelt, maar als antwoord op de problemen van Nederland schieten naar mijn idee Kaags woorden tekort. Zij geeft een prima beeld van de helft van het politieke landschap, maar laat de andere helft buiten beeld. Die andere helft is juist de moeilijke helft die het meest lastig aan te pakken is. Dat is bij nader inzien pijnlijk voor een politicus die pretendeert een ziener te zijn die streeft naar overzicht en nu opereert in een partij die ooit in de greep was van de speelse intellectuele denker Hans van Mierlo, maar feitelijk halfblind is.

Een van de weinige critici Paul Scheffer sloot zijn NRC-columnDe uitputting van het liberale wereldbeeld’ over Kaags lezing als volgt af: ‘Over het falen van de liberale elites had Sigrid Kaag met eenzelfde hartstocht kunnen spreken. Maar ze had het er niet over – en doet er ook niet echt iets aan.’ Scheffer concludeerde dat de klaagzang van Kaag krachtig was, ‘maar ook gespeend van zelfonderzoek‘. Dat is het probleem van Kaags wereldbeeld. Zij ziet overal de echo’s of schaduwen van de jaren dertig die haar wereldbeeld overschaduwen.

De schaduwen van het moderne neoliberalisme van na 1980 ziet ze niet, of benoemt ze niet. Wat doen de banken, financiële instellingen, multinationals en Amerikaanse techbedrijven die de agenda van de grote landen bepalen? Kaag stipt het niet eens aan. Weliswaar geeft Kaag een aanzet en zegt ze: ‘Maar dit Nederland staat ook onder druk, horen wij met enige regelmaat in het publieke debat. Omdat een grotendeels onbenoemde ‘elite’ het land in de uitverkoop zou hebben gedaan’, maar vervolgens komt er … niks.

Als de leden van D66 op hun partijcongres besluiten om genoegen te nemen met een nostalgisch-literair antwoord op de politiek-maatschappelijke problemen van vandaag, dan moeten ze verder gaan met Sigrid Kaag. Ongetwijfeld klopt haar hart aan de goede kant en geeft ze een passende analyse van de dreigingen van radicaal-rechts. Maar voor de praktische politiek komt Kaag met een onbruikbaar en ontwijkend verhaal dat te lezen valt als afleiding. Wat erin ontbreekt is dat radicaal-rechts een reactie is op iets anders. Namelijk de afbraak van de verzorgingsstaat, de opkomst van het globalisme en de hegemonie van het neoliberalisme dat de overheid terugdringt, bedrijven bijna onbeperkte macht heeft gegeven en de rekening neerlegt bij de gewone burger. Als dat andere niet aangepakt wordt, dan heeft de bestrijding van radicaal-rechts geen zin.

Minister Kaag kan zichzelf corrigeren door op haar Abel Herberglezing een tweede deel te laten volgen waarin ze waarschuwt voor het neoliberalisme en voorstellen doet om de macht weer bij de politiek en de burger te leggen. Dan toont ze aan verder te denken en buiten de comfort zone van zichzelf en D66 te kunnen treden.

Foto: Schermafbeelding van deel van Abel Herzberglezing door Sigrid Kaag: ‘Wees niet stil, wij zijn met velen’ op de site van D66, 1 oktober 2018.