Franse regering opent aanval op woke-isme. Pleidooi voor het centrum. Tijd voor een Bataafs laboratorium?

Schermafbeelding van deel artikelFrench education minister’s anti-woke mission‘ op Politico, 19 oktober 2021.

Actie roept reactie op. In de politiek bestaat het besef bij middenpartijen dat het woke-gedachtengoed uit de VS radicaal-rechts in de kaart speelt. Woke is begonnen als een billijk pleidooi voor meer bewustzijn en minder onrecht, maar is gekaapt door een radicale minderheid en veranderd in een afrekencultuur die leidt tot apartheid en fragmentatie. De beperkte opvatting van het begrip diversiteit wordt als breekijzer gebruikt voor selectieve identiteitspolitiek.

Een deel van de zwijgende meerderheid wordt door de actie van radicaal-links naar radicaal-rechts gejaagd dat zich er publiekelijk het duidelijkst tegen uitspreekt. Daarom is het in het belang van Europese middenpartijen om het woke-gedachtengoed de pas af te snijden om radicaal-rechts niet in de kaart te spelen en zichzelf electoraal te redden. Het gevolg is dat er een dunne lijn ontstaat tussen centrum-rechts en radicaal-rechts waar radicaal-links vervolgens weer tegen ageert zonder te beseffen of toe te willen geven dat het zelf dat proces in gang heeft gezet.

In de VS heeft de Democratische partij zich grotendeels vervreemd van de gewone kiezer. Dat Joe Biden in 2020 president werd had hij te danken aan twee aspecten: zijn gematigde opstelling en de afkeer bij gematigde Republikeinen en Onafhankelijken van Trump. Ze bleven thuis zodat Biden met klein verschil enkele beslissende swingstates kon winnen omdat de Republikeinen Trump afwezen of op Biden stemden. Buiten een progressieve kern ontbreekt de liefde voor de Democratische partij die radicaler is dan Biden en zich onverdraagzaam en uit de hoogte gedraagt tegenover de kiezer.

Overigens is in 2024 de beste hoop voor Biden een herhaling van 2020: de strijd tegen Trump. Wie er dan wint hangt af van het antwoord op de vraag welke partij het meest gehavend uit die strijd komt. Want dat beide grote partijen aan geloofwaardigheid en samenhang inleveren is ontegenzeggelijk.

In Frankrijks is Jean-Michel Blanquer de minister van Nationaal Onderwijs en Jeugd. Hij is lid van president Emmanuel Macrons middenpartij LREM. Hij heeft er sinds kort een taak bij als coördinator van Le Laboratoire de la République dat zichzelf presenteert als ‘Club (of plek) van reflectie en actie ten gunste van de Republiek’. Tweets verschijnen sinds 13 oktober 2021 en zien er zo uit:

Tweet van Le Laboratoire de la République, 13 oktober 2021.

Er staat: ‘Deze woke/ anti-woke-kloof mag niet generationeel worden. @NatachaQS en @Valent1Pierre zullen de Jeugdcommissie van dit Laboratorium van de Republiek coördineren’.

Het ‘Labo’ is tegelijk publiciteitsmachine, denktank en campagnemiddel dat is bedoeld om het initiatief terug naar Macrons partij te brengen en niet gesandwicht te worden tussen de partijpolitieke waarheden over migratie, COVID-19, rechtsstaat en EU van radicaal- en nationalistisch-rechts en de culturele, metapolitieke waarheden van radicaal-links dat zoveel invloed heeft op universiteiten, media en in de intellectuele wereld. Blanquers beseft dat dit mede speelt op het niveau van ideeën als hij zegt dat het Republikeins laboratorium ‘verder gaat dan partijpolitiek’.

Een artikel van 19 oktober 2021 in Politico schetst dit Republikeinse laboratorium en verbindt het met de Franse versie van het secularisme. Aanleiding zijn uitingen van Blanquer zoals: ‘De Republiek is volledig in strijd met het woke-isme’. Die verwijzing lijkt vergezocht, maar wordt door Politico verklaard: ‘Voor een groot deel van het politieke establishment overstijgt het Franse secularisme – laïcité – ras, geslacht en religie en is het echt egalitair. Voor zijn critici bevordert datzelfde secularisme een wit en christelijk ideaal dat discriminatie van minderheden in stand houdt’.

Er lijkt een gat te zitten tussen het woke-isme dat vooral aan Amerikaanse. maar ook West-Europese universiteiten leidt tot (zelf)censuur en een reductie van onderzoek en waarheidsvinding die haaks staat op een open academische geesteshouding en de Frans-Republikeinse versie van het secularisme dat niet zo neutraal en kleurenblind is als het zelf suggereert. Ofschoon president Macron Frankrijk probeert te moderniseren, maar het land dat in de kern behoudend is tot nu toe slecht meekrijgt.

Mogelijk is het streven van het Republikeins laboratorium niet puur oprecht en vooral een stunt om het kiezersvolk bij de les te houden. Toch getuigt het van lef om het woke-isme waar radicaal-links en radicaal-rechts zo van profiteren frontaal aan te vallen. Het tekent de noodzaak voor middenpartijen om in actie te komen. Ze moeten veranderen om hetzelfde te blijven.

In Nederland zou een taak weggelegd zijn voor met name D66 en VVD om de tolerantie weer centraal te zetten in het publieke debat over diversiteit, academische vrijheid, complotdenken en culturele waarden. Het is de strijd om de geest. Het verhaal over identiteit legt een culturele basis onder de samenleving en kan door de politiek niet genegeerd worden. Een niet-partijpolitieke projectminister zou in het komende kabinet op het snijvlak van onderwijs, jeugd, emancipatie en media daarmee belast kunnen worden. In een Bataafs laboratorium.

Keklik Yücel heeft kritiek op samenwerking van PvdA met GroenLinks. Ze wenst minder identiteitspolitiek en meer waarden

Op de PvdA heb ik nooit gestemd. Dat is niet omdat ik tegen het sociaal-democratische gedachtengoed ben, maar omdat ik er voor ben. Omdat in mijn ogen bij de PvdA dat gedachtengoed wordt verwaarloosd ontbreekt voor mij de noodzaak om op de PvdA te stemmen. Integendeel, door op de PvdA te stemmen zou ik me juist vereenzelvigen met een PvdA die zich keert tegen het sociaal-democratische gedachtengoed. De befaamde ideologische veren. Sinds het leiderschap van Wim Kok (vanaf 1986) is de PvdA steeds meer vervreemd geraakt van haar beginselen.

De kiezers zien dat feilloos in en hebben in grote getale afscheid van de partij genomen. Want ook zij zien geen noodzaak meer om op de PvdA te stemmen die niet meer is wat het zegt te zijn. Het is de vraag of het huidige leiderschap van de PvdA zelf nog weet waar het voor staat.

De paradox is dat de PvdA in een identiteitscrisis verkeert omdat het te veel aandacht geeft aan identiteit. De kritiek is dat door de samenwerking met GroenLinks de crisis waarin de PvdA verkeert alleen nog maar groter wordt. Oud PvdA-Kamerlid Keklik Yücel wijst in gesprek met WNL die samenwerking af omdat volgens haar de sociaal-culturele thema’s (verworvenheden, liberaal-democratische waarden, individuele vrijheden) bij GroenLinks niet in goede handen zijn. Zij legt dat in de video vanaf 5’20” uit.

Keklik Yücel beseft dat ze als PvdA’er onderhand behoort tot een minderheid binnen haar partij. Zij heeft met onder meer Asis Aynan, Femke Lakerveld en Eddy Terstall in 2018 een manifest gepubliceerd en is sinds die tijd betrokken bij de beweging Vrij Links. Het is min of meer een doorstart van een eerdere kritische groep PvdA’ers (2008-2018) die zich met onder meer Terstall en Marcel Duyvestijn verenigden als Liefdevol Lid. Maar de genegenheid voor de PvdA vanaf die vrijzinnige flank lijkt gaandeweg afgenomen en de afstand groter.

Men kan Vrij Links opvatten als de PvdA in ballingschap, De ondertitel van het manifest uit 2018 geeft aan waar het Vrij Links om gaat en waar het volgens haar bij de huidige PvdA aan schort: ‘EEN VRIJ EN ONBELEMMERD DEBAT, EEN LEVENSBESCHOUWELIJK-NEUTRALE STAAT, SECULIER ONDERWIJS VOOR ALLE KINDEREN EN EEN HERWAARDERING VAN INDIVIDUELE VRIJHEID.’

Keklik Yücel geeft de nummer 9 op de lijst van GroenLinks als voorbeeld van de verkeerde weg die volgens haar die partij is ingeslagen en waarom PvdA nooit met GroenLinks hecht kan samenwerken. Dat gaat niet alleen om genoemde Kauthar Bouchallikht die verdacht wordt van islamistische sympathieën, maar om GroenLinks die vanwege electorale redenen iemand met die achtergrond ondanks brede kritiek uit GroenLinks haar toch handhaaft. Deze partij kiest hiermee eenzijdig voor marketing en oppervlakkigheid en tegen de waarden waar Yücel voor pleit en die ze graag bij de PvdA opnieuw ingevoerd zou zien.

Ik schreef in een commentaar van december 2020 over de kwestie Kauthar Bouchallikht: ‘Er moet maar eens een echte linkse, vrijzinnige partij in Nederland komen. Het is tamelijk absurd voor het seculiere Nederland waar het hele politieke landschap is verkaveld in aparte onderdelen voor elke overtuiging dat zo’n eenduidig vrijzinnige partij niet bestaat. Het valt Kauthar Bouchallikht niet aan te rekenen dat ze haar opvattingen heeft (die zijn te karakteriseren als islamitisch-fundamentalistisch), maar wel dat GroenLinks met haar kandidatuur volhoudt dat het vrijzinnig en seculier is.’

Keklik Yücel concludeert terecht dat zo’n echte linkse, vrijzinnige partij waar de politieke filosofie van het secularisme niet alleen in de marketing, maar in de waarden het uitgangspunt is door de steeds hechtere samenwerking van de PvdA met GroenLinks verder uit zicht raakt.

Wie doordenkt ziet in de blokkade van twee linkse partijen door CDA-leider Hoekstra en VVD-leider Rutte een succesvolle actie om PvdA en GroenLinks verder van zichzelf te vervreemden. Deze linkse partijen wringen zich in bochten om te voldoen aan de voorwaarden van beide rechtse partijen. Ze denken slim te zijn, maar vooral de PvdA is de tuinman uit de parabel die voor de dood vlucht om hem in Ishafan in de armen te lopen. De oud-PvdA’ers van VrijLinks zien aan de zijlijn de verwording van hun partij met spijt en ontsteltenis aan.

Persoonlijk hoop ik ooit de dag mee te maken dat er in Nederland een geloofwaardige, echte, linkse, vrijzinnige partij is waar ik mijn stem op kan uitbrengen. Ik vrees echter dat het een vergeefse wens zal blijven.

Interviewster RD meent dat er in Nederland steeds minder ruimte voor de christelijke visie is. Waar baseert zij zich op?

Op de FB-pagina van het RD bij deze video plaatste ik onderstaande reactie. Ik werd op het spoor gezet door de vraag van de interviewster (na 1′ 47”) die zij als een conclusie poneert: ‘Er lijkt in Nederland wel steeds minder ruimte te zijn voor die christelijke visie. Is dat dan iets waar je tegenaan loopt?‘ De geïnterviewde Dico Baars weerspreekt dit krachtig.

Ik vraag me af hoe de geïnterviewde tot zo’n conclusie komt en waarom zij suggereert bedreigd te zijn in het praktiseren van haar christelijk geloof:

In de online-versie van het RD staat: ‘Hoe blijf je als christelijke politicus overeind in een seculiere samenleving?‘ Dat is een opmerkelijke vraag die een tegenstelling suggereert tussen de seculiere samenleving en een religieuze overtuiging. Deze tegenstelling bestaat niet op de wijze die hier gesuggereerd wordt.

Het kan duiden op twee aspecten. Dat de seculiere samenleving het geloof verdringt of dat gelovigen zich laten verdringen zonder dat er een extern opdringen is. In de samenleving bestaat deze tegenstelling niet. Iedereen is in Nederland vrij om de eigen levensovertuiging of godsdienst te kiezen en in eigen kring te praktiseren. Hoe christenen in hun hoofd reageren op de samenleving is een onnavolgbaar aspect dat per individu zal verschillen. Het is lastig om daar voor allen een patroon uit af te leiden.

De politieke filosofie van het secularisme biedt onder de nationale rechtsstaat godsdiensten bescherming. Het secularisme is niet zoals het RD meent een dreiging voor een religieuze overtuiging, maar juist de bescherming en in zekere zin de redding ervan.

De geïnterviewde begrijpt dat beter dan de interviewster. Zij stelt de normatieve vraag dat er in Nederland steeds minder ruimte lijkt te zijn voor de christelijke visie. Terecht weerspreekt Dico Baars dat. Hij corrigeert de interviewster. Waar zij haar observatie op baseert dat de christelijke visie in Nederland steeds minder ruimte krijgt is onduidelijk. Het wordt niet duidelijk hoe ze dat bedoelt en meent te kunnen beredeneren.

Wellicht verwart ze dat met demografische ontwikkelingen en ontkerkelijking. Uit de statistieken van het CBS blijkt dat steeds meer Nederlanders verklaren dat ze zich niet laten inspireren door het geloof. Dat is nu in Nederland de meerderheid van zo’n 57% (Stand 2019: 54,1%) die jaarlijks met zo’n 1 tot 2 % toeneemt.

Dat houdt in dat alle godsdiensten in Nederland minderheidsgodsdiensten zijn. Met de katholieke kerken tussen de 15 en 20% en de protestante kerken tussen de 10 en 15% aanhang van de totale Nederlandse bevolking. Dus ongeveer een derde van de bevolking verklaart een christelijke visie te hebben.

In een land met alleen minderheidsgodsdiensten, die zoals uit het interview blijkt ook nog eens intern verdeeld zijn, biedt de politieke filosofie van het secularisme gelovigen met een christelijke overtuiging de garantie dat zij alle ruimte hebben om ervan te getuigen.

Bij de interviewster is blijkbaar het besef niet doorgedrongen dat het secularisme de christelijke godsdienst niet bedreigt, maar beschermt. Het is de vraag of zij hiermee representatief is voor de redactie van het RD. Het is niet te hopen, maar zou niet verrassend zijn. Dat heeft te maken met een minderheidsstrategie van kleinere religieuze organisaties om gelovigen te motiveren en strijdbaar te maken. Terwijl daar feitelijk geen reden voor is.

Hoe dan ook zou het jammer zijn omdat het niet alleen onnodig, maar zelfs contra-productief is voor gelovigen om zich tegen het secularisme af te zetten. Ze zagen de tak af waar hun kerk op is gebouwd.

Krimp geeft katholieke kerk kans om ontspannen terug te keren naar oude roeping

Schermafbeelding van deel artikelMinder gelovigen, geld en pastorale krachten: aartsbisdom Utrecht maakte moeilijk 2020 door‘ in het Katholiek Nieuwsblad, 8 juli 2021.

Afgelopen dinsdag 6 juli 2021 publiceerde het Aartsbisdom Utrecht het jaarverslag 2020. Er wordt een beeld in gegeven dat ondanks ‘praktische moeilijkheden en beperkingen die de coronapandemie met zich bracht‘ de betrokkenen zich goed hebben ingezet, maar dat het vechten tegen de bierkaai is. De middelen in geld en personeel zijn ontoereikend. De financiële situatie van het aartsbisdom is slecht en de ontkerkelijking eist zijn tol. Die zou in 2020 versneld zijn.

Uit statistieken van het CBS blijkt dat in 2019 20,1% van de Nederlandse bevolking aangaf Rooms-katholiek te zijn. In 2015 was dat nog 25,3%. In vier jaar heeft dus 20% van het aantal katholieken de kerk verlaten. Dat heeft te maken met de publiciteit over het kindermisbruik door pastoors en andere kaderleden van de kerk en de daaropvolgende deels mislukte pogingen van de kerkleiding om dat in de doofpot te stoppen. Het heeft ook te maken met natuurlijk verloop. De aanhang veroudert en de aanwas van jongeren blijft achter. In 2020 kwam daar de coronapandemie bovenop waardoor een nieuwe afkalving van het aantal katholieken als deel van de bevolking valt te verwachten. Het jaarrapport sorteert daar op voor. Het aartsbisdom Utrecht schetst een minderheidskerk die probeert te overleven.

Een recensie door Sjoerd Mulder in Trouw van het boekGeloof en godsdienst in een seculiere samenleving‘ van de Belgische kardinaal Jozef De Kesel valt op te vatten als een aanvulling op het jaarrapport van het aartsbisdom Utrecht. De Kesel plaatst kanttekeningen bij de ontkerkelijking en ziet die niet als negatief. Mulder: ‘Sterker nog, volgens De Kesel moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat het christendom wellicht uit ons werelddeel verdwijnt. Die verrassende optiek hangt samen met zijn overtuiging dat de westerse meerderheidskerk een historische uitzonderlijkheid was. Het is volgens hem veel natuurlijker, veel passender voor wat de kerk in wezen is, om als kerk marginaal te zijn, aan de rand van de maatschappij.’ De theorie van kardinaal De Kesel brengt het aartsbisdom Utrecht in praktijk.  

De Kesel schetst het kader waarbinnen de Europese Rooms-katholieke kerk in de toekomst moet opereren. Niet het winnen van zieltjes of het verwerven van wereldse macht via de kerk is daarbij het doel, dus het streven naar meer, maar het tevreden zijn met wat het nu is. Een kleine, compacte kerk is waarde op zichzelf.

De Kesel: ‘Missionering betekent niet noodzakelijk christianisatie van de samenleving. Missionering mag niet verward worden met het herstel van een homogeen christelijke beschaving. De Kerk is niet geroepen om stilaan zelf de wereld te worden en de ganse samenleving in haar schoot op te nemen. De Kerk is de gemeenschap van christenen, niet de verzameling van de bevolking‘.  

Deze teruggang naar het proberen te hervinden van een vroegere kern van een oude kerk is interessant. De Kesel heeft gelijk dat deze ontspannen omgang met de onvermijdelijke krimp van de kerk een nieuwe vrijheid biedt. Een minderheidskerk waar nu waarschijnlijk nog ongeveer 15% van de bevolking lid van is geeft ruimte om meer dan voorheen de eigen roeping te volgen. De pretentie van machtsuitoefening die toch niet meer succesvol kon worden gerealiseerd kan worden losgelaten.

Het secularisme biedt in Nederland en België alle godsdiensten en levensovertuigingen de garantie van de staat gelijkwaardig en waardig beschermd te worden onder de rechtsstaat. Dat is de verzekering voor de toekomst van de Rooms-katholieke kerken van Europa.

Bizar vonnis in Mechelen: Radicaal-rechtse activisten veroordeeld die spandoek met tekst ‘Stop Islamisering’ toonden

In Mechelen heeft een correctionele rechtbank vier leden van de Vlaams-nationalistische beweging Voorpost veroordeeld tot zes maanden cel voor het aanzetten tot haat en geweld. Reden voor de veroordeling was het in mei 2020 tijdens een demonstratie tonen van een spandoek met als opschrift ‘Stop Islamisering’. Hier is het vonnis te lezen. Aanzet tot haat of geweld jegens een groep is de aanklacht, in dit geval de moslimgemeenschap. De advocaten van de aangeklaagden protesteerden tevergeefs dat de rechtbank niet bevoegd was omdat het om een drukkersmisdrijf zou gaan.

Ik ben het niet met de standpunten van Voorpost of de nationalistische partij Vlaams Belang eens, maar evenmin met de motivatie van het vonnis. Overigens evenmin met de verdediging door de advocaten van Voorpost. De valkuil van een zaak als deze is om de eigen mening te laten bepalen door het feit dat men het niet eens is met de overtuiging van de aangeklaagden. Men moet echter het vonnis kunnen bekritiseren zonder het eens te zijn met de rechts-nationalistische overtuiging van de vier veroordeelden.

In de vonnis is naar mijn idee dit de sleutelzin, waarbij met ‘hem’ wordt verwezen naar aangeklaagde LV: ‘Volgens hem is er geen wet die kritiek op eender welke godsdienst verbiedt’. Uit het vonnis blijkt dat dit aspect door rechtbank noch verdediging wordt uitgewerkt. Dat is merkwaardig. Waarom is dit door de verdediging niet uitgewerkt?

België kent net als Nederland het secularisme als politieke filosofie. Dat houdt in dat alle godsdiensten en levensovertuigingen voor de wet gelijk zijn. Onder de rechtsstaat is voor de volgers ervan het bestaan van hun favoriete godsdienst of levensovertuiging gegarandeerd, maar dat betekent niet dat kritiek erop in het publieke debat niet is toegestaan.

Religiekritiek is zelfs gewenst als men in beschouwing neemt dat vanwege de machtsvorming als wereldreligie de islam machtig is en tegen een stootje moet kunnen. Die kritiek kan opgevat worden als een instrument dat op het niveau van argumenten de vanzelfsprekendheid van de macht aanspreekt. Interessant zou zijn of een spandoek met de tekst ‘Stop Christianisering’ met een tekening van nonnen met hoofddoeken tot dezelfde argumentatie van deze rechtbank zou leiden. Zou dat ook opgevat worden als aanzetten tot haat en geweld jegens een groep, in dit geval de christenen? Met het vonnis beperkt de rechtbank van Mechelen religiekritiek.

Het zou wat anders zijn als de activisten van Voorpost een spandoek hadden getoond met een tekst die niet verwees naar de islam of de islamisering, maar direct naar degenen die zich erdoor laten inspireren, de moslims. Bijvoorbeeld, ‘Moslims Oprotten’ of ‘Minder Moslims? Dat regelen we!’. Zo’n tekst is ontoelaatbaar omdat het in strijd is met de wet die het vrij belijden van godsdienst of levensovertuiging garandeert.

De motivatie dat zo’n spandoek met een tekening van vrouwen die nikabs of boerka’s dragen ’suggereert dat in de toekomst in Vlaanderen, alle vrouwen mogelijks verplicht zullen zijn om nikabs of boerka’s te dragen’ wordt niet onderbouwd. Het Belgicisme ‘mogelijks’ houdt al een slag om de arm dat het misschien kan gebeuren. Het vonnis vervolgt: ‘Dit beeld kan angst en haat opwekken voor vreemdelingen, hun geloof en hun gebruiken en voor de mogelijkheid dat deze in de toekomst Vlaanderen zullen overheersen’. Opnieuw gebruikt het vonnis de optie van iets dat theoretisch kan, maar niet noodgedwongen hoeft te gebeuren, door de aangeklaagden wordt nagestreefd of uit hun actie volgt als bouwsteen voor de motivatie. De rechtbank bouwt hiermee op drijfzand.

Het wordt er absurd op als de vorige citaten worden gevolgd door een conclusie: ‘Aangezien de feiten klaarblijkelijk mogelijks werden ingeven door racisme of xenofobie, is de rechtbank bevoegd om de grond van de zaak te beoordelen’. Let opnieuw op de slag om de arm, ‘klaarblijkelijk mogelijks’ (!). Dat is geen juridische redenering die klopt als een bus en waar geen speld tussen te krijgen is. Het is een impressionistisch, journalistiek betoog dat een parodie op een gerechtelijk vonnis is. In bovenstaande redenering wordt iets verondersteld dat vervolgens als vaststaand wordt aangenomen. Dat is een cirkelredenering. Dit vonnis rammelt aan alle kanten.

De vier activisten van Voorpost verdienen voor genoemde actie op de Grote Markt in Mechelen op 30 mei 2020 eerder een schrobbering, dan een gevangenisstraf van zes maanden. Voor drie met uitstel. Het is voor een open samenleving lastig om grenzen te stellen. Democratie moet weerbaar zijn en verdedigd worden. Niet in het minst tegen radicaal-rechtse activisten die rare kostgangers met radicale overtuigingen zijn en dreinend de grenzen van de wet opzoeken.

Maar de democratie moet evenmin om zeep geholpen wordt door de vrijheid van meningsuiting en religiekritiek in te perken. De zittende macht moet beseffen dat de islam tegen een stootje kan en voor zichzelf op kan komen. Het is een machtige organisatie en geen slachtoffer dat beschermd moet worden. De vrije meningsuiting krijgt pas waarde als men opkomt voor degenen met wie men het niet eens is. Dat idee dient ook het uitgangspunt van een rechtbank te zijn.

Gevestigde democratische instituties moeten niet bang zijn en zelfvertrouwen tonen dat de democratie het wel redt tegen vier tamelijk onbelangrijke radicaal-rechtse activisten. Ze willen de democratie niet afschaffen, maar zich profileren met hun hun politieke agenda. Ze hebben binnen het secularisme recht op de religiekritiek die ze in Mechelen uitoefenden. Ook als daar een politieke overtuiging achter schuilgaat die de meerderheid van de bevolking verderfelijk vindt.

Hoe gewoon praat Eva van Urk-Coster over geloof en wetenschap?

Geloof & Wetenschap.nl en Forum C werden financieel op de been geholpen door de Templeton World Charity Foundation. John Horgan die als fellow subsidies ontving van deze stichting heeft er achteraf kritiek op omdat het geloof en wetenschap zou vermengen en christelijke wetenschappers zou bevoordelen. In reactie daarop zei Richard Dawkins dat Horgan volgens hem bedoelt dat ‘Templetons geld de wetenschap corrumpeert’ en dat Templeton doorgaans geld verstrekt aan ‘een wetenschapper die bereid is iets aardigs over religie te zeggen’. Ook als ze dat zelf niet geloven. Geld koopt in dat geval een overtuiging.

Eva van Urk-Coster is verbonden aan de website Geloof & Wetenschap die zoals gezegd met geld van de Templeton stichting werd opgezet. Zij werkt als promovendus op het gebied van de christelijke ecologische theologie, aldus een bericht van de VU over haar.

Wat Van Urk zegt in het fragment is niet makkelijk te duiden. Ze begint met het aanbrengen van een tegenstelling tussen religieuze en seculiere mensen. Vraag is of die tegenstelling in de vorm bestaat die zij framet. Van Urk gaat uit van het contrast. Vervolgens gooit ze jongere mensen, mensen met een hoger inkomen en hoogopgeleiden op een hoop omdat die ‘overtuigender zouden zijn van de klimaatproblematiek’ dan andere mensen. Ze constateert dat er ‘een aantal dynamieken zijn die daar een rol spelen’.

Ook meent ze dat er wat meer conservatieve mensen vaak ook wat ‘terughoudender’ zijn dan mensen die progressiever zijn. Waar die terughoudendheid op slaat wordt uit dit fragment niet duidelijk. Van Urk spreekt het niet uit.

Het wordt er ronduit verwarrend op als Van Urk dit fragment afsluit met een constatering die uit de lucht komt vallen, een deus ex machina die geloof er aan de haren bijsleept: ‘Dus je ziet dat de religieuze gewoon midden in de maatschappij staan en ook gewoon daarin hun bagage meenemen’. Je ziet de gelovigen met hun koffer staan op het Centraal Station in een heldhaftige poging om de dienstregeling te ontcijferen zonder de indruk te geven er niks van te snappen.

Van Urk bedrijft satire op het raakvlak van geloof, wetenschap en humor. Het aardige daaraan is dat ze zich daar ogenschijnlijk niet bewust van is. Om het in haar eigen woorden te parafraseren: ‘de mensen van Geloof & Wetenschap staat gewoon midden in de wetenschap zonder dat ze daarin gewoon hun bagage meenemen’.

Van Urk komt de erkenning toe om religie op te rekken voorbij de wetenschap. Wat het maatschappelijk nut van haar zoektocht is valt te bezien. Zij voorziet ongetwijfeld in een behoefte. Die lijkt er vooral uit te bestaan dat religieuze mensen in de wetenschap serieus willen worden genomen en doen alsof ze objectief zijn, maar stiekem een christelijke agenda volgen.

Chris Janse geeft in boekbespreking orthodoxe blik op NRC, liberalisme en secularisme. De afstand zijn de anderen

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is altijd aardig en een genoegen van balorigheid om kennis te nemen van de visie van orthodoxe gelovigen over moderniteit en secularisme. Daar zetten ze vraagtekens bij in de veronderstelling dat die begrippen haaks staan op hun godsdienst.

Dat is het misverstand dat orthodoxe gelovigen koesteren en in de lucht houden omdat het hun strategie is om het secularisme, of meer algemeen de wereld, als vijandig af te schilderen. Dat dient driemaal daags voor intern gebruik na de maaltijd te worden ingenomen samen met de bijbellezing.

Opzet van het creëren van een vijandbeeld is dat orthodoxe gelovigen zich aangevallen voelen en in eigen kring terugtrekken. Waarmee hun onderhorigheid is verzekerd, hun zelfstandig denken op sterk water wordt gezet en ze blijvend zijn gemobiliseerd voor de goede zaak.

Daarmee vegen ze onder het tapijt dat het hun orthodoxie is die deze kettingredenering in gang zet. Ofwel, het secularisme staat niet haaks op de christelijke godsdienst. Want het secularisme is niet anti-religieus of pro-atheïstisch, maar neutraal jegens alle geloven en levensovertuigingen.

Het is de orthodoxie die de wereld afwijst en gelovigen opsluit in de definitie van wereldlijk als niet-geestelijk. Dat is niet onjuist, maar wel suggestief omdat het een tegenstelling creëert die bij het bredere perspectief van het secularisme als politiek-filosofische paraplu die alle godsdiensten en levensovertuigingen onderdak biedt bij nader inzien niet bestaat.

In een boekbespreking besteedt oud-hoofdredacteur van het RD Chris Janse aandacht aan John Kroon’s geschiedenis van 50 jaar NRC. Een krant die volgens hem ver afstaat van het RD vanwege de liberale geest die er waait. Hij noemt NRC ook ‘een seculiere krant’ en dat bedoelt hij niet positief. De verwijzing naar oud-hoofdredacteur van NRC Ben Knapen is verwarrend als de begrippen seculier en agnostisch langskomen en onduidelijk is wat die volgens Janse bijdragen aan betekenis. Ze lijken voor intern gebruik bedoeld zodat er niet te veel logica achter gezocht hoeft te worden.

Chris Janse besluit zijn artikel als volgt: ‘Ongetwijfeld is NRC Handelsblad een kwaliteitskrant. Ze hebben er de mankracht voor. Maar tegelijkertijd is het een krant die bij uitstek het seculiere vrijheidsgevoel belichaamt. Dat schept duidelijk afstand’.

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is weinig grootmoedig van Janse om de kwaliteit van NRC in de kwantiteit en niet in de liberale overtuiging of het journalistieke beleid te zoeken, maar dat is blijkbaar het perspectief van een onderliggend medium als het RD dat de eindjes aan elkaar moet knopen en last heeft van jaloezie.

Opvallend is Janses slotzin die klinkt als zijn credo: ‘Dat schept duidelijk afstand’. De distantie tot andersdenkenden is wat hem en zijn orthodoxe geloofsgenoten obsedeert. Zoals gezegd uit zelfbehoud van de eigen kring. Dat wat hij het ’seculiere vrijheidsgevoel’ van NRC noemt zou volgens hem afstand scheppen.

Maar het is andersom. De slotzin kan uitsluitend begrepen worden vanuit Janses orthodoxe perspectief. Hij schept afstand en houdt het idee dat dat noodzakelijk is graag in stand. Maar wel indirect. Toegeven doet hij dat niet graag omdat dat niet netjes staat en bij zijn houding van gespeelde mildheid past. Het venijn van Janses slotzin is dat hij suggereert dat de ander de oorzaak voor de afstand is, zodat hij en zijn geloofsgenoten niet van onwil beschuldigd kunnen worden. Chris Janse is de schorpioen die in eigen staart prikt en daar de ander de schuld van probeert te geven. Het is echter zijn fijne rechtzinnigheid die de afstand tot de wereld schept.

Orthodoxe christenen handelen niet in hun eigenbelang als ze framen dat er een kloof tussen religie en seculier bestaat

Schermafbeelding van deel artikel ‘Kloof tussen christelijk en seculier: „Steeds minder besef van waarde kerkgang” in het RD, 16 april 2021

Gelovigen staan niet buiten kijf. Ze ontkomen in hun denken een politiek handelen niet aan framing. Daarmee zijn ze niet uitzonderlijk. Dat geeft tegelijk aan dat ze niet uitzonderlijk zijn en voor zichzelf uitzonderingen kunnen claimen.

Dat doet SGP-raadslid Tom de Nooijer wel als hij zegt: ‘Mijn punt was dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is. Je kunt het kerkbezoek niet vergelijken met bezoek aan Ajax of bioscoop. Religie is niet alleen een persoonlijke keus, maar heeft ook een maatschappelijke rol en die moet je grondwettelijk beschermen.”’

Waarom een kerkbezoek niet vergeleken kan worden met bezoek aan Ajax, bioscoop, een schouwburg of museum legt de Nooyer niet uit. Het is van hem een slag in de lucht om dat te beweren. Wellicht heeft hij gelijk dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is, zoals hij niet begrijpt wat secularisme is. Daarnaast zijn er talloze uitingen die een maatschappelijke rol hebben. Waarom religie in de grondwettelijke bescherming uitzonderlijk zou zijn is onduidelijk. De Nooyer legt het niet uit.

De framing van het RD bestaat eruit dat het religie en secularisme tegenover elkaar zet als twee entiteiten waartussen een kloof zou bestaan. De suggestie daarvan is dat secularisme een tegenstelling van religie is. Dat is om twee redenen onjuist. Het secularisme is een overkoepelende politieke filosofie die alle religies en levensovertuigingen als gelijkwaardig beschouwt. Wat het RD als ‘seculier’ framet is de (niet-religieuze) levensovertuiging binnen het secularisme. Zij zijn geen tegenstellingen waartussen een kloof bestaat, maar gelijkwaardige entiteiten naast elkaar onder dezelfde paraplu.

Het RD zorgt trouwens voor verwarring door in de kop van een kloof te spreken, maar in de inleidende alinea te beweren dat ‘er als zodanig te weinig basis [is] om te spreken van een kloof.’ Wat is het nou, wel of geen kloof?

Orthodoxe christenen hebben er belang bij om de tegenstellingen binnen het secularisme tussen religie en levensovertuiging uit te vergroten. Dat belang bestaat eruit dat ze de afbraak willen vertragen van oude voorrechten die in Nederland christenen als vanouds genoten.

Maar daarmee spelen ze een gevaarlijk spel. Ook wat het voortbestaan in eigen kring betreft. In Nederland bestaan er immers honderden, zo niet duizenden religies, stromingen, aftakkingen en afscheidingen die allen een minderheid vormen. Zij hebben er belang bij om onder de rechtsstaat beschermd te zijn. Die bescherming wordt er solider en duidelijker op als de vertegenwoordigers van religies het secularisme omarmen en niet in de openbaarheid aanvallen of indirect verdacht proberen te maken. De kloof bestaat vooral in het denken van de orthodox-christelijke denkers die niet beseffen dat het secularisme het voortbestaan van hun specifieke religie optimaal garandeert.

Als Trouw nuance zoekt in inhoud, dan kan het de nuance in het begrippen- en woordgebruik niet achterwege laten

Schermafbeelding van deel artikelDe seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’ in Trouw, 5 april 2021.

Trouw is een dagblad dat veel aandacht geeft aan religie. Dat gebeurt vanuit een religieus perspectief en is niet altijd als zorgvuldig te omschrijven. De framing zitten de journalistieke onpartijdigheid en het professionalisme in de weg. Trouw zit gevangen in de vooroordelen van een traditie waarin oude woorden hun betekenis hebben. In elk geval roept lezing van Trouw dat beeld bij mij op.

Neem nou bovenstaand artikel dat als kop heeft ‘De seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’. Waarom kiest Trouw deze kop? Er had ook kunnen staan: ‘De gematigde en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’.
Het wordt en nog vreemder op als in de introductie van dit artikel staat: ‘De spanning tussen orthodoxe religieuze minderheden en de liberale meerderheid groeit.’ Wat moet onder ‘de liberale meerderheid‘ verstaan worden? Zijn dit alle niet-orthodoxe gelovigen? Omvat dit ook de sociaal-democraten, rechts-radicalen, christen-democraten en anarchisten? Trouw maakt het niet duidelijk. Dit is blijkbaar geheimtaal in de eigen kring die buitenstaanders niet kunnen ontcijferen.

Want wat wordt hier nou bedoeld met ‘liberaal’? Is dat volgens het jargon van de protestante christenen een omschrijving van vrijzinnig of onorthodox? Maar waarom scherpt Trouw dan een tweedeling tussen orthodoxe gelovigen en vrijzinnigen aan die als zodanig in de samenleving niet bestaat en laat het de niet-orthodoxe gelovigen ongenoemd?

Wat gelovigen met ‘seculier’ bedoelen is evenmin altijd duidelijk. Vaak gebruiken ze het in de minachtende betekenis ’wereldlijk’ als tegenstelling tot religieus of godsdienstig.

Dat is problematisch als ermee de politieke filosofie van het secularisme wordt bedoeld die vanuit de christelijke flanken indirect onder vuur wordt genomen. Secularisme houdt in dat alle geloven en levensovertuigingen in gelijke mate onder de nationale rechtsstaat zijn gegarandeerd. Het secularisme is niet anti-religieus of pro-‘seculier’. Het secularisme is perfect neutraal. Het secularisme is de vertaling van rechtsstatelijkheid op het gebied van geloof en levensovertuiging. Degenen die zich verzetten tegen het secularisme door dat ter discussie te stellen of verdacht te maken verzetten zich tegen de rechtsstaat. Uiteraard zien ze dat zelf anders in hun eigen belangenbehartiging.

Feit is dat vooral orthodoxe christenen ten onrechte claimen dat het secularisme anti-religieus is. Vanuit hun beperkte opvatting is dat logisch. Het heeft ermee te maken dat ze het secularisme als zodanig niet aanvaarden omdat het te beperkend zou zijn voor het in de volle breedte belijden van hun geloof. Want als geloof en samenleving één zijn, dan staat een politieke filosofie die ruimte geeft aan andere geloven en levensovertuigingen die vereniging van eigen geloof en samenleving in de weg. Voor die volle breedte van de orthodoxe christenen moeten andersdenkenden wijken, zoals dat in de moderne Nederlandse geschiedenis altijd het geval was. Dat was staande praktijk totdat in de tweede helft van de 20ste eeuw de ontkerkelijking op gang kwam met als gevolg dat nu een meerderheid van de bevolking zegt zich niet meer te laten inspireren door het geloof. Daarom wijzen deze orthodoxe christenen ook de moderniteit af.

De paradox is dat Trouw weliswaar afstand neemt van de kritiek op het secularisme dat uit orthodox christelijke hoek komt, maar geen afstand neemt van de framing en het jargon van deze orthodoxe christenen. Hiermee neemt Trouw inhoudelijk een ruimdenkende, pluriforme positie in die door het woordgebruik en het misleidend gebruik van begrippen niet past bij de inhoud, voor verwarring zorgt en haaks op de inhoud kan komen te staan. In elk geval buitenstaanders vragen zich vervolgens af hoe vorm en inhoud, ofwel formuleringen en ideologie zich tot elkaar verhouden.

Waarschijnlijk beseffen de trouwe lezers van Trouw, de doorgaans christelijke opinieleiders die Trouw artikelen leveren en de eindredacteuren van Trouw niet hoe gedateerd en verkeerd het gebruik van dit christelijk jargon is dat steeds minder past bij de inhoud. Dit jargon als relict van een oude nestgeur blijft daar bij achter en werkt verwarrend.

Mogelijk heeft het moeizame afstand nemen van dit christelijke jargon voor Trouw ermee te maken dat de conservatieve protestante media als het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad die economische en geestelijke rivalen zijn van Trouw er nog volledig in ondergedompeld zijn. Zowel in dat oude jargon als in traditionele standpunten die ermee samengaan. Dat maakt de positie van Trouw hybride. Met de pretentie om pluriformiteit van opinies te bieden zou Trouw ook voor de eigen lezers nauwkeuriger kunnen zijn door zorgvuldig om te gaan met de begrippen die zijn geworteld in het orthodoxe christendom en die in de kern een vaak stilzwijgend beeld van vijandigheid tegenover de 21ste eeuwse samenleving uitdrukken. Van dat laatste zou Trouw afstand moeten nemen.

Trouw zou er goed aan doen om in een Code alle medewerkers regels op te leggen via geformuleerde afspraken en op de hoogte te brengen van de journalistieke kernwaarden en de ideologie van Trouw. In zo’n Code kan omschreven worden wat het verstaat onder begrijpen als ’seculier’, het ’secularisme’, ‘orthodoxie’ en ‘liberaal’. Voor alle journalisten en eindredacteuren van Trouw is dan duidelijk dat het in vorm en inhoud ondubbelzinnig de rechtsstaat en het secularisme ondersteunt. Als Trouw de nuance zoekt in de inhoud, dan kan het niet achterblijven door de nuance in het woord- en begrippengebruik achterwege te laten. Dat wringt.

Hoe is progressiviteit te verenigen met religieuze orthodoxie? Kauthar Bouchallikht en GroenLinks leggen niet uit waar ze echt voor staan

Schermafbeelding van deel interview ‘‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ met Kauthar Bouchallikht in NRC, 29 maart 2021.

Een interview in NRC met de titel ‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ wekt bij de lezer de verwachting na lezing te weten dat de geïnterviewde is gevraagd waar zij echt voor staat en zij daar een goed antwoord op heeft gegeven. Het gaat om het kamerlid voor GroenLinks Kauthar Bouchallikht die vandaag in de Tweede Kamer wordt geïnstalleerd. De interviewer is Mark Lievisse Adriaanse.

Maar de titel maakt het niet waar. Na lezing weet de lezer nog steeds niet waar Bouchallikht nou echt voor staat. Ja, ze zou uit een ‘conservatieve omgeving’ komen, maar is dat de hele verklaring als zij verbonden was aan de islamistische Moslimbroederschap en het nationalistisch-conservatieve islamitische Milli Görüş? Dat is heel wat anders dan een conservatieve omgeving, dat is de omgeving van de politieke islam.

Mark Lievisse Adriaanse doet zijn best, maar komt er niet echt doorheen. Zo wordt het vooral een human interest verhaal over een jonge vrouw die zoveel mogelijk haar eigen verleden wegschoffelt omdat zij daar geen raad mee weet.

Het zou wat anders zijn als Bouchallikht zou toegegeven dat ze vanuit haar familieachtergrond in de politieke islam verzeild raakte en daar achteraf afstand van neemt. Dan zou haar een nieuwe start gegund zijn omdat haar nieuwe inzichten een duidelijke breuk met haar verleden vormen. Maar dat doet ze niet. Het blijft nu hangen in algemeenheden dat ze een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ze valt haar verleden en haar familie niet af. Daarom wordt niet duidelijk wie de echte Kauthar Bouchallikht is. Tegelijk heeft iedereen recht op een tweede kans. Maar zij en GroenLinks maken het de radicaal-rechtse critici wel erg makkelijk door geen goede verklaring te geven. Zou blijft deze identiteitspolitiek zeuren die afleidt van de echte problemen. Dat valt haar tegenstanders, maar ook GroenLinks te verwijten.

Tegelijk is Bouchallikht verbaasd over de kritiek die ze krijgt. Maar die verbazing is verbazingwekkend. Zo zegt ze te strijden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar gaf ze bij Milli Görüş een training waar mannen en vrouwen gescheiden zaten. Daar neemt ze achteraf geen afstand van.

Ze komt met een onnavolgbaar verhaal over dwang en vrije keuze. Daarbij gaat ze voorbij aan de sociale dwang voor vrouwen om zich stilzwijgend aan te passen aan hun omgeving. Alsof die vrouwen hun kritiek in een nationalistisch-conservatieve islamitische omgeving kenbaar kunnen maken. Zo vlucht Kauthar Bouchallikht weg in vreemde verklaringen die niks met de werkelijkheid te maken hebben. Dat roept vragen op over haar vermeende wereldwijsheid.

Dat ze vrouw is, een hoofddoek draagt en feministisch zegt te zijn is niet waar het om gaat. Daar mag ze niet op aangevallen worden, maar daar kan ze zich evenmin achter verschuilen als certificaat voor haar goede bedoelingen. Men kan zich alleen maar afvragen of de kandidatencommissie van GroenLinks moeite heeft gedaan om te achterhalen wie zij echt is.

Wat Bouchallikht heeft te zoeken bij GroenLinks is een ander aspect. GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 17 maart 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht.

Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst die trouwens te laag was om rechtstreeks verkozen te worden. In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links botst Nevin Özütok, de nummer 17 op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

NRC zou er evenwichtig aan doen om een vervolg te geven aan dit interview met Bouchallikht door critici van haar als Zihni Özdil, Meindert Fennema en Nevin Özütok hun mening over haar kamerlidmaatschap en de koers van GroenLinks te vragen. Dat kan de lezer helpen om te begrijpen wat hier nou echt speelt. Het is trouwens opvallend dat die kritiek vanuit GroenLinks op Bouchallikht in het interview niet wordt genoemd. Het blijft bij het plichtmatig noemen van kritiek vanuit de hoek van De Telegraaf, terwijl de interne kritiek vanuit GroenLinks interessanter was geweest om naar te vragen. Dat is een gemiste kans.

GroenLinks heeft een slechte campagne gevoerd en zes van de 14 zetels verloren. De partij wilde graag regeren en kreeg daardoor een vaag profiel. Kauthar Bouchallikht lijkt onderdeel te zijn geweest van de reeks inschattingsfouten die het campagneteam en de partijtop hebben gemaakt. Marketing bepaalde de inhoud. Weliswaar is zij verkozen met voorkeurstemmen, maar tegelijk lijken door haar kandidatuur de grootsteedse seculier-progressieve kiezers weggejaagd te zijn richting D66. Men zou verwachten dat GroenLinks daar uitleg over geeft.