Kritiek op kinderkelen hoort niet

Enkele jaren woonde ik in een ruim huurhuis. Aan een speelplein. Ik heb het graag ingewisseld voor een kleiner, maar rustiger appartement. Ik ben opgegroeid aan een drukke haven en woonde later aan een spoorlijn, dus was wel iets gewend. Maar kindergegil is van een andere orde en went nooit. Het plein was overigens niet gepland toen ik er kwam wonen.

Nu woon ik opnieuw in de buurt van een Utrechts speelplein, iets verder weg dan de vorige keer. Mij verbaast het gegil van sommige kinderen. Spelen moet kunnen en ook volwassenen kunnen hard tekeer gaan. Maar het lijkt alsof er een categorie kinderen is die per definitie gilt ook als daar in het spel geen directe aanleiding voor is. Bij wijze van spreken ook als het samen met mama een avondgebedje zegt.

Het beeld bestaat dat kinderen in Frankrijk, Duitsland of België zich anders weten te gedragen. In restaurants luisteren ze en zijn ze doorgaans redelijk rustig. Niet in Nederland, waar kinderen elke leiding lijken te missen van ouders die zelf elke leiding missen. Hun gedrag is niet om aan te horen. Alles moet kunnen, lijkt het motto. De gevolgen van een mislukte opvoeding  mogen we meebeleven.

Zoals vroeger standsverschillen werden afgemeten aan kleding, woordkeuze of materiële welstand, valt dat nu af te lezen aan tafelmanieren, omgangsvormen en wellevendheid van kinderen. En dan gaat het er eerder om wat ouders doorgeven aan de eigen kinderen, dan om inkomen of uiterlijke rijkdom. Deze laatste aspecten hebben er niets mee te maken. Het is een taboe om het zo scherp te zeggen.

Vanaf 1 januari 2010 is geluidshinder van kinderen door de overheid officieel buiten de orde geplaatst. Kinderkeeltjes zijn vrijgesteld van geluidsnormen. Da’s niet beargumenteerd. Het spoort evenmin met de Europese campagne Stop that Noise. Zoals een rookverbod horeca-medewerkers beschermt zou een grens aan geluidsoverlast voor peuterleiders en onderwijzers kunnen gelden. Die keuze wordt niet gemaakt.

Geluidshinder speelt ook in centra van grote steden, die verfunnen door evenementen, luidruchtige horeca en festivals. Argument bij klachten is dan dat men er dan maar niet had moeten gaan wonen. Alsof het vinden van woonruimte in Nederland zo makkelijk is. En bewust voorbijgaand aan het feit dat bewoners er vaak eerder waren dan de nieuwe terrasjes of activiteiten.

Commercieel belang van kinderdagverblijf of horeca-onderneming wordt gelegitimeerd met een beroep op het algemeen belang. Da’s oneigenlijk. Het algemeen belang is ook het belang van een betrokken individu. Dat kan worden geschaad door kinderdagverblijf of horeca-onderneming. Commercieel belang moet afgezet worden tegen individueel belang. Algemeen belang kan door niemand worden geclaimd.

De maatregel die sinds 2010 voor kinderspeelplaatsen en schoolpleinen geldt gaat daaraan voorbij. Een bestuurlijke afweging is de nek omgedraaid. Grenzen oprekken en gedogen leidt tot grensvervaging en gaat voorbij aan correcte toepassing. In een semi-politieke sfeer zonder focus wordt beroep onmogelijk gemaakt. Het algemeen belang wordt een farce.

Overheden willen robuust overkomen. Ook als daartoe regels aan de laars gelapt moeten worden. Politiek en commercie lopen zelfs in elkaar over. Een maatschappijcriticus zegt: In de moderne staat worden al die instellingen én de overheid steeds meer één pot nat. Wie er iets van zegt is een zeurpiet. De nieuwe klasse snatert familiair verder. Overheden vergeten waarvoor ze bedoeld waren.

Foto: Kindergarten of the Air, kinderen luisterend naar de radio, 1940-1950