Museum de Fundatie zegt in jaarverslag dat er gedurende 15 jaar organisatorische problemen waren die niet aangepakt werden. Waar laat dat Keuning en Raad van Toezicht?

Schermafbeelding van deel artikel ‘Museumdirecteur Ralph Keuning over ophef: “Organisatie is onvoldoende meegegroeid” van Rutger Borgerink voor RTV Oost, 10 mei 2022.

Update 7 juni 2022: Ralph Keuning treedt terug als directeur/bestuurder van Museum de Fundatie in Zwolle, volgens de lokale media. Hij blijft als adviseur verbonden aan het Museum. Het valt te verwachten dat er de komende tijd nog meer lijken in de kast van dit museum worden ontdekt.

RTV Oost citeert uit het jaarverslag 2021 van Museum de Fundatie in Zwolle. Er is onder personeel en oud-personeel ophef over het functioneren van directeur Ralph Keuning. Hij zou op autoritaire manier leiding hebben gegeven en zo een deel van het personeel tegen zich in het harnas hebben gejaagd. Er zou volgens sommigen zelfs een angstcultuur heersen.

Tot nu toe heeft Keuning op de kritiek niet publiekelijk gereageerd. Dat doet hij nu voor het eerst in genoemd jaarverslag:

Schermafbeelding van deel jaarverslag 2021 van Museum De Fundatie, p. 10.

Keuning zegt dus dat de problemen bij Museum de Fundatie onder meer zijn veroorzaakt doordat de organisatie de afgelopen 15 jaar onvoldoende is meegegroeid met de uitbreiding van het museum. Zoals RTV Oost zegt: ‘Op zijn eigen functioneren gaat hij verder niet in‘. Met de zinsnede ‘maar niet alleen‘ houdt Keuning de optie open dat hij niet goed geopereerd heeft, maar die wordt door hem jammergenoeg niet uitgewerkt.

Wat probeert Keuning te bereiken met zijn constatering over de museale organisatie die 15 jaar niet meegroeide met de ambities? Hoe dan ook was Keuning daar als directeur gedurende deze periode de eerst verantwoordelijke voor.

Hij ging over de bedrijfsvoering en de inzet van middelen. Keuning geeft indirect toe dat het beleid niet goed was. Beleid waarvoor hij verantwoordelijk was. Maar waarvoor hij geen verantwoordelijkheid neemt. Evenmin houdt de Raad van Toezicht hem hiervoor verantwoordelijk.

Probeert Keuning het museum als organisatie een collectieve schuld in de schoenen te schuiven zodat hij als directeur niet als enige daar op aangesproken kan worden? Geeft hij ook de Raad van Toezicht een trap na omdat die de organisatie niet goed bewaakt heeft? Want daar lijkt het sterk op.

Dat is een afleidende projectie van Keuning die niet getuigt van zelfkennis. Hij verwijt achteraf de Raad van Toezicht dat het hem onvoldoende aangestuurd heeft en beter had moeten corrigeren. Want het is de Raad van Toezicht die over het toezicht gaat en dat 15 jaar verzaakt zou hebben. Welke kaas laat de Raad van Toezicht zich door Keuning van het brood eten?

Wat Keuning doet past in het patroon van de directie en de Raad van Toezicht van dit museum. Namelijk herhaalde pogingen om kritiek te bagatelliseren en onschadelijk te maken door verhulling, ontkenning, vertraging en geringschatting van de medewerkers die zich kritisch uitspreken. Als Keuning of RvT-voorzitter Van Boxtel en zakelijk directeur Zuidema ingaan op de kritiek dan gebeurt dat sussend of vrijblijvend met als doel om alles bij het oude te laten.

Iedereen was 15 jaar schuldig volgens Keuning. De schoonmaker, kassamedewerker, projectmedewerker en medewerker van de technische dienst in dezelfde mate als de directeur of de voorzitter van de Raad van Toezicht.

Als iedereen fouten maakt, dan kan niemand daar verantwoordelijk voor worden gehouden. Dat is de logica van de doofpot. De doofpot van Museum de Fundatie staat al 15 jaar te roken, maar nu zegt de directie in een jaarverslag dat het een groeistuip van de organisatie was. Die was zo onzichtbaar dat er 15 jaar door de leiding niet is ingegrepen. Nalatigheid wordt als afleiding voor de fout gebruikt.

Het raadsel van het functioneren van het management van Museum de Fundatie wordt er door de verklaring in het jaarverslag 2022 eerder groter dan kleiner op.

Politiek keurt eigen vlees en vindt het normaal: Piet Hein Donner

Update 13 oktober: Volgens de NOS is het kabinet van plan om minister Donner kandidaat te stellen voor het vicepresidentschap van de Raad van State. De oppositie bij monde van PvdA-leider Cohen vraagt premier Mark Rutte om opheldering. Donner zelf doet alsof het onderwerp niet aan de orde is. 

In het discussieprogramma Buitenhof van 9 oktober stelde PvdA-leider Job Cohen dat minister van Binnenlandse zaken Piet Hein Donner geen vice-president van de Raad van State kan worden. Het is de slager die zijn eigen vlees gaat keuren, zo zegt-ie. Want bij de Raad van State zou Donner wetgeving uit het kabinet onafhankelijk moeten beoordelen. Cohen heeft gelijk, het is bizar dat het kabinet zelfs maar overweegt om Donner te benoemen in die functie. Hij wil een motie indienen die zegt dat zittende ministers niet naar de Raad van State kunnen doorstromen. De regent Donner staat overigens niet te boek als modeldemocraat.

Maar zoals Syp Wynia in een commentaar in Elsevier zegt is het een hypocriete oproep. Want nu is PvdA-er Herman Tjeenk Willink vice-president. De politicus die altijd net doet of-ie geen partijpoliticus is, maar wel dicht op de macht zit. En Wynia wijst terecht op de vele oud-politici die voor hun partij of belangengroep in het parlement zitten: Loek Hermans, Roger van Boxtel, Marleen Barth, Frank de Grave en dan vergeet-ie nog de grootste netwerker van allen: Elco Brinkman. En zijn Wouter Bos, Jan Peter Balkenende en Jack de Vries met hun kennis en Haagse contacten niet doorgestroomd naar het bedrijfsleven? Om niet te zeggen: opgekocht.

In de oproep van Cohen wreken zich twee aspecten. Nederland kent geen anti-lobby register en functies worden uitsluitend langs partijlijnen verdeeld. Zolang daarvoor geen oplossing is gevonden zullen over en weer dit soort verwijten blijven klinken tussen regering en oppositie. Als Cohen aan de macht was zou-ie zonder wroeging een PvdA-minister benoemen. Type Guusje ter Horst. De greep op de macht van de politieke partijen is de oorzaak voor wat nu met Donner dreigt te gebeuren. Dat kan opgelost worden door de machtsdeling te individualiseren. Zodat partijen aan macht inboeten. En de burger directe inspraak krijgt.

Foto: Minister van Binnenlandse Zaken Piet Hein Donner op het Binnenhof, 2010.