Beeldrijm. Gedachten bij foto ‘Charbonnier au 208 rue Raymond-Losserand’ (1973)

Beeldrijm wordt op een technische fotosite omschreven als ‘een zich herhalend beeldaspect dat zeer bepalend is voor de ordening’. Verder in dit stukje wordt gewaarschuwd voor het gebruik van beeldrijm: ‘Het is natuurlijk het leukste als de rijm niet al te veel voor de hand ligt’.

Hoe moet de waarschuwing voor beeldrijm dat te veel voor de hand ligt worden opgevat? Op welk niveau speelt dat? Verstoort opzichtig beeldrijm de terloopsheid van de fotografie die suggereert dat het leven wordt betrapt, de sturende rol van de fotograaf die beelden ‘vangt’ of zelfs de autonomie van de fotokunst die zou lenen van andere disciplines?

De naam van de fotograaf is Robert Doisneau (1912-1994). Deze Fransman legde het straatleven van Parijs vast. Omdat hij zich daarin onderdompelde noemde hij zich een ‘beeldenvisser’ en geen ‘beeldenvanger’, zo maakt zijn lemma op Wikipedia duidelijk. Maar dat lijkt niet meer dan een woordspelletje. Doisneau was een befaamde documentaire fotograaf en zijn foto’s geven een tijdsbeeld van een verdwenen Frankrijk.

Dat speelt in op een langlopend debat wat de ziel van Frankrijk is en of het minder moderniseert dan zich positioneert als openluchtmuseum. Dat is een debat vol misverstanden omdat Frankrijk wel degelijk verandert, maar waarschijnlijk het minste in de uiterlijkheden die de toerist in steden, stranden en iconische plekken aantreft. Dit soort foto’s bevestigen onbewust en zonder dat het de opzet was met terugwerkende kracht voor de kijker van nu de misvatting dat Frankrijk een conservatief land is dat niet wil veranderen.

De foto is iets voor 1974 genomen en heeft als titelCHARBONNIER AU 208 RUE RAYMOND-LOSSERAND’ ofwel ‘Kolenboer op de Rue Raymond-Losserand 208’. Dat is in het 14de arrondissement in Parijs onder Montparnasse.

Een ‘Café Charbon Mazout’ (‘Houtskool -stookolie’) combineerde de verkoop van drank, houtskool en stookolie. Maar het is nostalgie hoewel deze ‘bougnat’ enigszins gemoderniseerd nog in ere wordt gehouden om het zogenaamde authentieke Parijs te weerspiegelen. Het etablissement werd net als de handelaar bougnat genoemd die doorgaans uit de Auvergne kwam. Jacques Brel heeft een bougnat vereeuwigd in zijn lied ‘Mathilde’ uit 1966 als hij zingt: ‘Bougnat, je kunt je wijn houden’. Het betekent meer dan kastelein zoals een gemoderniseerde vertaling zegt.

Zo komen we tot twee soorten beeldrijm in deze foto die worden aangevuld met een tegenvoeter. Zo wordt poëzie gemaakt. In vorm door de herhaling én spiegeling van het uithangbord van de bougnat die kolen en drank aanbiedt met de kolenboer met de zak op zijn schouder die in tegengestelde richting loopt. In kleur met het zwart van uithangbord en kolenboer die scherp afsteken tegen de grijze, regenachtige omgeving. Dat wordt geaccentueerd door het formaat van de afdruk waarbij de hoogte tweemaal langer is dan de breedte. Het formaat ‘vangt’ het beeld nog eens extra. Dit is geen beeldrijm die voor de hand ligt.

De disharmonie zit in de tijd vanwege een veranderend Frankrijk dat zich in 1973 voor wat de energie betreft in een overgangsfase bevindt. Vanaf 1970 importeerde Frankrijk Nederlands aardgas uit Slochteren en in 1973 produceerden de Franse steenkoolmijnen nog 17,3 Mtoe (megaton olie-equivalent) steenkool wat tegen de 10% van de totale energiebehoefte van het land was. De foto is de aankondiging van twee vergeten beroepen: de kolenboer en de bougnat. Ze rijmen met elkaar tegen de moderne tijd.

Foto: Robert Doisneau, ‘Charbonnier au 208 rue Raymond-Losserand, reproduction d’une photographie de Doisneau’, ongeveer 1973. Collectie: ‘Musée Carnavalet, Histoire de Paris’.

De hond op de Pont des Arts. Kijken en bekeken worden

135-1314110921

We kijken naar elkaar en letten op elkaar. We houden elkaar in de gaten. De close reading van de samenleving legt zout op slakken en rekent af tot achter de komma. In dat proces gaat meer verloren dan gewonnen wordt. Een samenleving moet marges kunnen hebben waarin mensen zich onbespied achten. Waarin ze hun idee van vrijheid kunnen genieten. Waarin ze hun eigen grootmoedigheid vinden door de ander die ruimte toe te staan. Als dat niet lukt, dan rest bijziendheid. Kort, bekrompen en beperkt zicht komt in de plaats van de ruime blik.

Het is de mentaliteit van de afrekening, wie eraan meedoet kan niet meer ontsnappen omdat de vereffening nooit plaatsvindt. Iedereen die wil wordt spion. De klassieke uitrusting is nieuwsgierigheid, vasthoudendheid, binnendringen in de levenssfeer van een ander en het verzamelen van informatie. Deze spion komt niet tot oordeel aan de hand van de feiten, maar heeft de opdracht als uitgangspunt. Het tegendeel van een frisse blik.

Wat zegt dit visueel plezier of scopofilie over onze samenleving? In de filmtheorie sprak Laura Mulvey 40 jaar geleden in een artikel over de ‘mannelijke blik’.  Nog steeds is deze blik dominant in film en reclame. Dat de vrouw door de man wordt bekeken is nog steeds de standaard. Door de opkomst van sociale media is daar sinds 15 jaar iets bijgekomen. Dat draait niet om de autoriteit van de blik, maar om de blik van de autoriteit.

De menselijke maat is het elkaar bezien. Uit noodzaak, uit overlevingsdrift, uit liefde of ter verdediging. Dat maakt sociaal, maar asociaal als het teveel of te weinig wordt. Morrelen aan de kaders van het sociale verkeer maakt onrustig. Buiten de ruimte wordt een ruimte verondersteld die niemand ziet. Maar wel als bestaand aanneemt. Die buitenruimte is de vrijplaats voor complotten. Daar spant het bekende onbekende samen. Dat wat niet onmogelijk is, maar voor de meesten onwaarschijnlijk is wordt door de verwerping ervan het bewijs voor het complot omdat het niet onder ogen gezien zou mogen worden. De som klopt zelfs als het niet klopt.

Wat heeft de hond die op de Pont des Arts in 1953 naar ons kijkt ermee te maken? De hond heeft ons in de gaten. Zo lijkt het. Of neemt toch ten minste fotograaf Robert Doisneau op de korrel die terugkijkt met zijn toestel in de aanslag. Het baasje kijkt naar het schilderij. En de schilder kijkt naar de stad die hij op zijn schilderij wil uitbeelden. Op sociale media zouden die blikrichtingen nu met roze, gele, paarse en blauwe pijlen en cirkels verduidelijkt worden. Dat verklaart en verstoort tegelijk omdat het te veel invult en niets toevoegt. Dat is het. We willen teveel uitleggen. We voegen ons naar alle middelen die we daartoe hebben.

Foto: Robert Doisneau, Le chien du pont des arts, 1953.