George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Richard Florida

Utrecht stopt 3,55 miljoen euro in een nieuwe plek voor film- en beeldcultuur in het Werkspoorkwartier. Een opmerkelijk slecht idee

with 2 comments

Uit het artikelUtrecht wil 3,5 miljoen steken in nieuwe locatie film- en beeldcultuur Werkspoorkwartier’ in DUIC blijkt dat het Utrechtse gemeentebestuur 3,55 miljoen euro wil steken in een nieuwe plek voor film- en beeldcultuur. In het Werkspoorkwartier, het moet De Machinerie gaan heten. Ik heb voor dat voorstel geen goed woord over en geef mijn reactie bij het artikel. Ik zie het als een vlucht vooruit, de leegte in:

De vijand van goed is beter, zo luidt het gezegde. Fantasie komt voor realisme te staan. Dat is hier aan de orde.

Hoe logisch is het dat een filmtheater dat al decennia niet meer kan voldoen aan de standaard van een gemiddeld filmtheater de hogere lat van een Podium voor Film en Beeldcultuur wel weet te halen? Of anders gezegd, waarom is die verdieping en verbreding de afgelopen jaren al niet op de vorige locatie aan de Slachtstraat/ Telingstraat voorbereid en uitgevoerd? Het valt dan ook te betwijfelen of een ‘reset’ voor ’t Hoogt de oplossing zal brengen.

De beleidsmakers van de gemeente en de subsidiegevers dienen de juiste diagnose te stellen. Aan de hand van de geschiedenis en het karakter van ’t Hoogt kunnen ze proberen te begrijpen wat het scharnierpunt is. Ze kunnen dan ook antwoord op de vraag vinden of een ‘reset’ geen middel is om de huidige malaise te verhullen. Als daarnaast ook nog eens het centrum verlaten wordt waar in Utrecht het meeste publiek en de juiste atmosfeer te vinden zijn voor arthouses en een avontuurlijke programmering, dan kondigt zich een nieuwe ramp aan. Naast een financiële ramp van 3,55 miljoen euro, ook een politieke ramp van een wethouder die gaat struikelen.

De Utrechtse raad én het gemeentebestuur hebben vanaf 2010 geworsteld met een andere, excentriek gelegen culturele instelling die het moest hebben van (inkomsten uit) bezoek waarvan onderzoeken vanaf het begin overtuigend aantoonden dat exploitatie door die ligging niet levensvatbaar was: landhuis Oud Amelisweerd waar het MOA werd gevestigd. College en raad sloegen de waarschuwingen in de wind. Of liever gezegd, ze hoopten dat door onvoorziene omstandigheden het tij zich ten goede zou keren. Maar dat gebeurde niet.

In 2018 ging het MOA failliet en werden alle breed uitgemeten waarschuwingen bewaarheid. Zonder dat overigens de Utrechtse politiek ook maar een begin van een mea culpa liet klinken. Succes heeft vele vaders, maar mislukking is een wees. Het is wachten op het moment dat deze volgende vlucht vooruit in het Werkspoorkwartier ontspoort. Opnieuw worden de waarschuwingen van deskundigen in de wind geslagen. In Utrecht herhaalt zich de geschiedenis. Wat zich eerst voordeed als tragedie wordt nu een klucht, zoals Karl Marx ooit zei.

Wensdenken van een wethouder die op sleeptouw wordt genomen door de eigen ambtenaren en bestuurders van organisaties die naar gemeentesubsidie hengelen kan het zicht op de realiteit vertroebelen. Het gebeurde met het MOA en kan met ’t Hoogt en dat brede centrum dat van alles bundelt en klontert opnieuw gebeuren. In elk geval als ’t Hoogt de kerntaak van het vertonen van kwetsbare films op een groot scherm wil blijven vervullen die een adviescommissie die zich daarover uitliet als onmisbaar ziet. Of is dat advies al losgelaten?

Origineel is het wel van het Utrechtse gemeentebestuur om culturele instellingen te bewegen om naar de rand van de stad te vertrekken, die dus niet te situeren in het culturele hart van de stad in de hoop op synergie, dat aan zakelijke partijen te verkopen als aanjaagfunctie voor een buurt en dat te belonen met subsidie. Dat is de naijlende werking van Richard Florida nadat diens ideeën over de creatieve klasse en stadsontwikkeling allang zijn weerlegd. Klaarblijkelijk wordt in het intellectuele centrum van het Utrechtse stadhuis nog ondubbelzinnig in de ideeën van Florida geloofd. Anno 2002.

De hoop dat de vele geconstateerde onzekerheden over levensvatbaarheid en haalbaarheid van een publieksinstelling in het Werkspoorkwartier tegen lage kosten en bescheiden middelen overwonnen kunnen worden is valse hoop. Wethouder Klein presenteert valse hoop als hoop. Dat is blijkbaar de politiek van het moment van het huidige gemeentebestuur.

Het wachten is op betere, realistische tijden.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelUtrecht wil 3,5 miljoen steken in nieuwe locatie film- en beeldcultuur Werkspoorkwartier’ in DUIC, 5 september 2019.

’t Hoogt Utrecht: Gemeente dient oudste filmtheater van Nederland plek in centrum als publiekstheater voor artistieke film te gunnen

with 5 comments

Jarenlang was ik naar eigen zeggen van een vorige directeur een van de trouwste bezoekers van het in het centrum van Utrecht gevestigde filmtheater ’t Hoogt. Het filmtheater gaat me aan het hart en heb ik tientallen jaren trouw en met veel genoegen bezocht. Na de digitalisering werd dat minder. Pixels leidden in mijn ogen naar een volstrekt ander medium dan celluloid. Daarbij zakte het filmtheater weg. Sinds kort bezoek ik het weer regelmatig, maar het is toch voornamelijk een nostalgische trip geworden. De urgentie is weg. Nu is er sprake van om ’t Hoogt te verplaatsen naar het Werkspoorkwartier, een locatie aan de rand van de stad en het van karakter te veranderen. Het moet een Podium voor Film en Beeldcultuur worden. Dat vind ik twee slechte ideeën die ik niet anders kan zien als modieus, de waan van de dag en oneigenlijk. Mijn reactie bij het artikelFilmtheater ’t Hoogt definitief niet naar City op de Voorstraat: alle pijlen op Werkspoorkwartier’ op DUIC:

Probleem is dat het 45-jarige filmtheater ’t Hoogt al lang niet meer ’t Hoogt is. De reputatie van dit oudste filmhuis van Nederland is groter dan objectieve toetsing rechtvaardigt. Eveneens kan de reputatie van de laatste directeuren niet tippen aan die van de eerste directeur Huub Bals. Ofwel, ’t Hoogt is sinds 1980 weggezakt en ingehaald. Door de theaters van ondernemer-regisseur Jos Stelling en door gebrek aan eigen initiatief. ’t Hoogt is nog maar een schaduw van wat het ooit was. Vernieuwing is aan ’t Hoogt afgelopen decennia voorbij gegaan. Het is een sterfhuisconstructie geworden.

De huidige programmering bestaat voornamelijk uit kinderfilms, documentaires en te weinig goede publieksfilms. De distributeurs laten ’t Hoogt grotendeels links liggen en vertonen hun pareltjes elders. ’t Hoogt is in een glijdende schaal neerwaarts terechtgekomen die bij gelijkblijvende voorwaarden niet te keren valt. Zo wordt er door de week niet meer voor 16.00 uur geprogrammeerd. In studentenstad Utrecht is dat merkwaardig. Zo verliest ’t Hoogt nog eens extra terrein aan theaters die dat wel doen. De loop en de hoop is er bij ’t Hoogt uit.

Een gebruikelijke reactie bij een inzinking in bedrijfsvoering en geestkracht is de vlucht vooruit. Dat kondigt zich vol pretenties nu ook aan bij ’t Hoogt. Dat is geen hoopgevend, maar juist een onheilspellend teken. Want hoe logisch is het dat een filmtheater dat al decennia niet meer kan voldoen aan de standaard van een gemiddeld filmtheater de hogere lat van een Podium voor Film en Beeldcultuur wel weet te halen? Of anders gezegd, waarom is die verdieping en verbreding de afgelopen jaren al niet op de huidige locatie voorbereid en uitgevoerd?

Het valt dan ook te betwijfelen of een ‘reset’ voor ’t Hoogt de oplossing zal brengen. De beleidsmakers van de gemeente en de subsidiegevers dienen de juiste diagnose te stellen. Aan de hand van de geschiedenis en het karakter van ’t Hoogt kunnen ze proberen te begrijpen wat het scharnierpunt is. Ze kunnen dan ook antwoord op de vraag vinden of een ‘reset’ geen middel is om de huidige malaise te verhullen.

Als daarnaast ook nog eens het centrum verlaten wordt waar in Utrecht het meeste publiek en de juiste atmosfeer te vinden is voor arthouses, dan kondigt zich een nieuwe ramp aan. Cultuur als aanjager voor stadsvernieuwing aan de randen van de stad is een achterhaalde en inmiddels weerlegde interpretatie van de ideeën van Richard Florida. Jammergenoeg is dat tot de beleidsmakers en projectontwikkelaars nog onvoldoende doorgedrongen.

Wat is dan wel de oplossing? Hoe dan ook is de huidige locatie in verband met brandveiligheid, comfort, grootte van de zalen en doeken, geluidsisolatie, routing, doorstroming van het publiek en integratie met de horeca achterhaald. ’t Hoogt is wat de basisstructuur betreft niet meer bij de tijd. De grootste zaal 1 die oorspronkelijk een theaterzaal was (met de ongemakkelijke vierkante turquoise-blauwe bankjes) zou overigens prima weer als theaterzaal in gebruik genomen kunnen worden. Mogelijk in samenwerking met Universiteit Utrecht of Theater Kikker.

Het binnenkort aantredende nieuwe gemeentebestuur Utrecht waarin naar verwachting beide progressieve partijen GroenLinks en D66 dominant zijn, zou zich het lot van ’t Hoogt serieus aan moeten trekken. Met realiteitszin en haalbaarheid als uitgangspunt. Niet door het in te passen in een megalomaan project in het Stationsgebied of het te verplaatsen naar de marge van de stad, maar door het een nieuwe start te laten maken in het centrum van de stad. Met nieuwe middelen en nieuwe kansen.

Het oudste filmtheater van Nederland dat een onlosmakelijk deel van het cultureel erfgoed van Utrecht en Nederland vormt verdient een tweede kans. Niet door het zichzelf in vergezichten en een vlucht vooruit in zelfbedrog te laten verloochenen en te vervreemden van haar oorspronkelijke roeping en taak, maar door het weer ongestoord de kans te bieden het publiekstheater te laten zijn dat het ooit was. Spraakmakend en in de voorhoede van de zevende kunst. Haaks op de tijdgeest zonder de neus op te halen voor commercie.

Er is in het centrum van Utrecht voldoende ruimte voor drie arthouses waar de Cinevillepas geldt. De horeca en het uitgaansleven draaien in Utrecht als een tierelier en moeten eerder afgeremd dan gestimuleerd worden. Maar dat mag geen reden zijn om het oudste filmtheater van Nederland dan maar om budgettaire redenen en een achterhaalde interpretatie van stadsvernieuwing naar de marge te verbannen. Want spreiding van culturele voorzieningen resulteert uiteindelijk in verdunning en verzwakking van de culturele infrastructuur. Met het relatief kleine aantal van 350.000 inwoners moet het gemeentebestuur niet de eigen hand overspelen door culturele basisvoorzieningen naar de marge van de stad te verplaatsen.

Een grootmoedig en zelfbewust gemeentebestuur van Utrecht dat de eigen historie koestert helpt er actief aan mee om ’t Hoogt een plek in het centrum te bieden. Dat is geen kwestie van niet kunnen, maar van willen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelFilmtheater ’t Hoogt definitief niet naar City op de Voorstraat: alle pijlen op Werkspoorkwartier’ op DUIC, 11 april 2018.

Pleidooi voor de herwaardering van kunst vanwege de bedreiging door het populisme

with 2 comments

Kunst als industrie is een opvatting. Specialismen die aan hoogleraar Andy Pratt van de City University London worden geplakt zijn verschillend. Veelzeggende etikettering. Dat varieert van Cultuurbeleid (‘Cultural Policy‘) tot Culturele Economie (‘Cultural Economy’). Dat is een principieel verschil in benadering die voor gescheiden werelden staat. Cultuurbeleid is het geheel van uitgangspunten van de overheid ten aanzien van de culturele sector. Het omvat emancipatie, culturele educatie en debat. Culturele economie is de studie van de culturele sector vanuit economisch perspectief. Het omvat beroepsopleiding, de creatieve industrie en amusement.

Politiek denken in de westerse landen van de afgelopen 15 jaar is doorgeslagen in de richting van kunst die dienstbaar is aan de economie. Zoals ook politiek dienstbaar werd aan de economie. Vaak in het verlengde van stadsplanning, ruimtelijke ontwikkeling en de belangen van de vastgoedsector. Dat kreeg een semi-officiële onderbouwing door de verschijning van The Rise of the Creative Class van Richard Florida in 2002.

Die ontwikkeling werd mogelijk omdat kunst als maatschappelijk-kritische macht haar scherpte had verloren en daarom getemd kon worden. Overheden schroefden uitgaven van cultuurbeleid terug. De politiek zag het belang van kunst niet in omdat het geen politiek-maatschappelijke functie van betekenis meer zou hebben.

Door de opkomst van het populisme verandert dat snel. Zo snel dat het praatje van professor Andy Pratt van november 2016 nu al gedateerd aandoet. De demagogie van Donald Trump, Nigel Farage, Marine Le Pen of Geert Wilders geeft kunst weer een functie. Die meer is dan economisch belang en verkooppraatjes over de creatieve klasse, werkgelegenheid en kunst uit cultuureconomisch perspectief. Kunst groeit door de slechte smaak van de populisten en hun opwaardering van politiek tot amusement -die indirect ook de journalistiek onschadelijk probeert te maken- in haar aloude rol als politiek kompas en maatschappelijk geweten.

Zo gloort er weer een rol voor kunst met een maatschappelijke functie die de economisering van de afgelopen 15 jaar achter zich laat. Het is zaak voor politieke partijen die zich tegen de demagogie van de populisten keren om in te zien dat kunst een essentieel instrument is om die demagogie te bestrijden. Niet door politiek stelling te nemen tegen de populisten, maar door hun kleinigheden, tegenstrijdigheden en onbelangrijkheden bloot te leggen. Cultuurcriticus Neil Postman zei: ‘When a population becomes distracted by trivia, when cultural life is redefined as a perpetual round of entertainments, when serious public conversation becomes a form of baby-talk, when, in short, a people become an audience, and their public business a vaudeville act, then a nation finds itself at risk; culture-death is a clear possibility.’ In die fase zijn we aanbeland. Hoogste tijd voor de herwaardering van kunst door de gevestigde politiek om de dreigende cultuurdood voor te zijn.

Crisis bij ‘Het Nieuwe Instituut’ geeft architecten kans op een nieuw eigen architectuurinstituut. Weg van het stylisme

with one comment

js_ni_ext_2

Zonder dat het echt opgemerkt wordt herbergt Rotterdam een tweede Wereldmuseum. Of liever gezegd het Wereldmuseum zoals dat functioneerde onder de vorige directeur Stanley Bremer voordat het voor de kunst werd gered en voor de poorten van de horeca, marketing en styling werd weggesleept. Het betreft ‘het sectorinstituut voor de creatieve industrie’ Het Nieuwe Instituut (HNI) met Guus Beumer als directeur. Deze vergelijking mag sommigen vergezocht voorkomen, maar de overeenkomsten tussen het oude Wereldmuseum en het huidige HNI zijn verbluffend. Zo wil volgens een bericht van architectenweb HNI ook een hotel beginnen: ‘Opmerkelijk is het voornemen om kantoorruimte een bestemming te geven als hotel-restaurant’.

Weliswaar bestaat het besef bij publiek, politiek en museumsector dat het niet goed gaat bij HNI, maar die kritiek vertaalt zich niet in actie zoals dat bij het Wereldmuseum gebeurde. Hoewel zich daar het tegengeluid met een publieksactie pas in de zomer van 2014 doelmatig bundelde, terwijl de kritiek al sinds 2011 klonk. Het vraagt blijkbaar enige tijd voordat voor als achter de schermen de tegenkrachten worden gecoördineerd.

HNI kwam in 2015 negatief in het nieuws door belangenverstrengeling binnen de directie en het ontbreken van goed bestuur, mede door onvoldoende toezicht vanuit de Raad van Toezicht. Afgelopen week werd die neergang geaccentueerd door het negatieve advies van de Raad voor Cultuur over de subsidieaanvraag voor de basisinfrastructuur 2017-2020. HNI houdt wel zicht op een subsidie van 5.640.000 euro als het onder meer alsnog voldoet aan voorwaarden van goed bestuur, positionering, kwaliteitszorg, educatie en financiële verslaglegging. Maar hoe dan ook is de subsidie met een derde gekort. HNI staat er financieel goed voor. 

Het advies liegt er niet om. Het vindt de resultaten van HNI te mager: ‘De raad vindt dat de instelling zijn rol en meerwaarde van zijn activiteiten voor de sector beter dient te beschrijven en uit te voeren. Hij kan uit de aanvraag niet opmaken hoe HNI zich bij de uitvoering van zijn taken verhoudt tot relevante spelers in de creatieve industrie.’ Wie verder kijkt dan het advies van de raad ziet waar de pijn zit. Een tweet van architect Thijs Asselbergs is veelzeggend: ‘Het Nieuwe Instituut doet niets voor de De Nieuwe Architect maar draagt wel bij aan imago ‘architect als stylist’. En de criticus van het eerste uur architect Kees van der Hoeven twittert: ‘Hoop – tenminste voor de architectuur – dat er eindelijk (kan het zijn) rigoureus wordt ingegrepen.’

Hier tekent zich een richtingenstrijd tussen architecten en stylisten af. Het gaat over het antwoord op de vraag wat architectuur is. Grofweg gezegd, is architectuur het vormgeven van ruimte als vastlegging van politieke verhoudingen of versiering? Anders gezegd, is het onderwerp van een architectuurinstituut een architectuur die verslag doet van ontwikkelingen of een architectuur die de ambitie heeft om de ontwikkelingen zelf te helpen vormen? HNI heeft onder directeur Guus Beumer duidelijk gekozen voor dat eerste: stylering.

De crisis die zich nu bij HNI aftekent zet deze tegenstelling op scherp, maar geeft de architecten ook kans om verloren terrein terug te winnen in een nieuw instituut: het NNAI, het Nieuw Nederlands Architectuur Instituut met een grotere rol voor techniek en leefomgeving. Nu is het moment om een weeffout te herstellen die de museale architectuur bevrijdt uit het klusterdenken over creatieve industrie en maakt tot vehikel van lifestyle of een modieus politiek debat. Kees van der Hoeven oppert in een tweet een verdeling in drie afdelingen (design, architectuur, e-cultuur): ‘Oplossing simpel: 3 vakgebieden, 3 krachtige curatoren voor komende 4 jaar, daarboven deskundige zakelijk directeur.’ Ik antwoordde in een tweet: ‘Of splitsing in twee musea: 1) Museum voor Stilering; 2) Architectuurmuseum. In R’dam staan zoveel gebouwen leeg. Dat moet kunnen.’

Foto: Het Nieuwe Instituut in Rotterdam. Credits: Johannes Schwartz.

Tilburg ziet stedelijke openbare ruimte als onderneming. En kunst als afgeleide daarvan

leave a comment »

til

Schrik slaat om het hart bij lezing van de stukken (zie 17) van de gemeente Tilburg over kunst in de openbare ruimte. Bij een project van het openbaar bestuur dat zich bij de tijd acht past uiteraard een hedendaags acroniem: CUPUDO. Jawel, CUltuur in het PUblieke DOmein. Het is niet zozeer de bestuurlijke taal vol holle frases waarin de overmoed en de citymarketing doorklinken en alles drie keer wordt gezegd die afschrikt, maar de koers van een bezuinigende, terugtrekkende overheid die met afleidende kletspraatjes het publieke domein overlevert aan externe partijen. Tilburg denkt haar nadeel van een overheid die geen initiatieven voor de openbare ruimte meer neemt straffeloos om te kunnen vormen tot een voordeel. Tilburg volgt Richard Florida in zijn generalisaties over de creatieve klasse en een maatschappelijk bedrijfsleven die de gemeente  aan de haren uit het moeras trekken. Tilburg tovert zich rijk en zit voortaan op de achterbank als ‘regisseur’.

Neem dit citaat uit de Verkenning, p.8: ‘Voor grote (kunst)projecten op stadsniveau zal de samenwerking gezocht moeten worden met private partijen als projectontwikkelaars, architectenbureaus, creatieve ondernemers en organisatoren van festivals. Private financiële bijdragen maken grote dynamische en tijdelijke (kunst)projecten in de openbare ruimte mogelijk, waarmee de stad zich kan profileren. De stedelijke openbare ruimte kan in dit kader gezien kunnen worden als onderneming. Wanneer een private partij zeggenschap krijgt over een aangewezen openbare locatie, zonder dat de overheid daarin beperkt, zal er door deze partij meer in de openbare ruimte worden geïnvesteerd. Hier fungeert de overheid als bewaker van het algemeen belang, om de kwaliteit van het publieke domein te kunnen waarborgen en sociaal maatschappelijke uitsluiting te voorkomen.’ Wensdenken als vlucht vooruit kan niet beter omschreven worden dan hier gebeurt.

De gemeente Tilburg ziet de stedelijke openbare ruimte als onderneming. Is dat gemeend of een ongelukkig gekozen bewoording? Wat is er aan de hand in bestuurlijk en ambtelijk Tilburg? Heeft de verbeelding het overgenomen van het gezond verstand? Maar vooral roept dit de vraag op waar dit de rol van het openbaar bestuur laat. De volgende stap is mogelijk de volledige privatisering van de gemeente Tilburg. De zwakkeren die niet meer voor zichzelf kunnen opkomen worden aan hun lot overgelaten en niet meer door de gemeente beschermd. Projectontwikkelaars, architectenbureaus, creatieve ondernemers en organisatoren van festivals mogen voortaan de openbare ruimte van Tilburg als onderneming zien. Het Tilburgse model voor de openbare ruimte is de ultieme verwatering van zowel de kunst als het openbaar bestuur. Wie heeft daar profijt van?

Foto: Citaat uit Nota CUPUDO Tilburg, januari 2016. (Op 1 maart 2016 start de ‘pilot’ van het ‘Stadslab’ dat de openbare ruimte als onderneming ziet; provincie Noord-Brabant zou positief zijn over de toekenning van de zogenaamde impulsgelden).

Nieuw inzicht: Cultuurbeleid draait om cultuur. In Vishallen wordt de vis goedkoop betaald

leave a comment »

unnamed

Twee berichten die niets met elkaar te maken lijken te hebben, worden hier in een kader gezet. Afgelopen donderdag 5 maart 2015 presenteerde de WRR verkenning 30: Cultuur herwaarderen van Erik Schrijvers, Anne-Greet Keizer en Godfried Engbersen. De opzienbare conclusie is dat de ‘wrr-verkenning bepleit een herwaardering van het ‘culturele’ binnen het cultuurbeleid.’ Dus niet de sociale en economische effecten van cultuur geeft de waarde van cultuur aan, maar de waarde van cultuur is gelegen in cultuur. Een terechte, maar in wezen schandalige conclusie die aangeeft dat het cultuurbeleid de afgelopen jaren behoorlijk uit de koers is geraakt. Van het padje zelfs. En voor allerlei karretjes gespannen is, maar niet voor dat van de cultuur zelf.

De conclusie dat cultuur om cultuur draait is van het kaliber dat de waarde van de zorg in zorg ligt, de waarde van sport in sport, de waarde van defensie in defensie of de waarde van de slager in vlees. Generaties politici die met hun pseudo-intellectuele timmerdoos hun hobbyisme botvierden met praatjes over emancipatie, allochtonen, stadspromotie, stadsvernieuwing, creatieve klassen of andere afgeleiden van cultuur zouden het schaamrood op hun kaken moeten krijgen. Als ze al tot zelfinzicht te brengen zijn. Gelukkig is een kenmerk van de Nederlandse politiek dat partijen het geheugen van een muis hebben en liefst tezamen met z’n allen door de wind gaan om fouten uit het verleden zo snel mogelijk te vergeten. Zonder nog ooit achterom te kijken. Zonder verwondering over de ooit ingenomen standpunten of de aangebrachte schade aan de cultuur.

Het gevaar van de verkenning is levensgroot en kan anders uitpakken dan bedoeld. Nederlandse politici geven persoonlijk doorgaans geen snars om cultuur zodat bij de pacificatie van hun programmatische strijdpunten over cultuur hun interesse ervoor tot het nulpunt zal dalen. Want als partijen elkaar over cultuur geen vliegen meer af kunnen vangen ontbreekt de noodzaak om er ter onderscheid nog politieke strijd over te voeren. Hoe averechts dat in het verleden ook uitpakte, maar wel investeringen in cultuur opleverde. Nu de verheffing van het volk zo goed als voltooid is, ontbreekt de noodzaak om overheidssubsidie in kunst en cultuur te stoppen.

Hoe de cultuursector in de praktijk werkt maakt een vacature van kunstenaarsvereniging De Vishal in Haarlem inzichtelijk. Het zoekt een Artistiek Coördinator die voor een vergoeding van € 12.500 per jaar ongeveer tien tentoonstellingen moet organiseren, vormgeven en uitvoeren; een tentoonstellingscommissie moet voorzitten; atelierbezoeken moet afleggen; dient te netwerken; dient te inspireren, begeleiden en binden; externe contacten dient te onderhouden; als ‘gastvrouw (!) bij openingen moet optreden en ook met het bestuur moet samenwerken. Een van de eisen is om De Vishal naar een hoger plan te tillen. Geen gebrek aan pretenties.

Maar wel aan middelen. De scheefgroei tussen schijn en wezen van het cultuurbeleid symboliseert de realiteit van de cultuursector. En leidt tot nederigheid. Dan past zwijgen. Of: wacht opstand. De vacature van De Vishal en al die andere Vishallen om voor een vergoeding van € 12.500 per jaar een hooggekwalificeerd medewerker te eisen die dag en nacht klaarstaat symboliseert het bedrijfsmodel van een sector die in de politieke prioriteit eenzaam onderaan de lijst bungelt. En ook elders onvoldoende steun krijgt. Zolang de cultuursector op deze afhankelijke manier blijft opereren ondermijnt het de eigen geloofwaardigheid. Cultuur draait om cultuur.

Foto: Pieter Claesz., Stilleven met vis, 1647. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Nelle Boer over kunst, artistieke vrijheid, censuur en underground

leave a comment »

Kunstenaar Nelle Boer heeft bovenstaand betoog over het kunstbeleid van de VVD’er Halbe ‘Hyena’ Zijlstra uitgewerkt in een opinieartikel dat gisteren op The Post-online werd geplaatst. Boer memoreert enkele voorbeelden van wat hij ziet als censuur  door (semi-)overheden. Zoals Elmer de Gruijl of Dirk Hardy. Boer: ‘Als gemeentebesturen, universiteiten, kasteelstichtingen en NS-personeel gaan bepalen welke kunst er in Nederland wordt tentoongesteld, is er sprake van censuur in een mate die serieus te nemen is. (..) Zij die kunst verwijderen en het kunstaanbod verarmen, zijn de ware vijanden van artistieke vrijheid in Nederland.’  Boer pleit er in elk geval voor dat kunstenaars zich juridisch wapenen en goed voor hun rechten opkomen.

Maar wacht even, de ware vijand van de kunst was toch Halbe ‘Hyena’ Zijlstra en de kunstvijandige VVD? Boer gooit het op het verslechterde politieke klimaat: ‘Voor de beeldend kunstenaar is het in deze vertruttende tijden erg lastig volwaardig gesprekspartner te zijn in maatschappelijke debatten. Door Jet Bussemaker en Halbe Zijlstra is het kunstenaarschap verworden tot een verdienmodel. Kritische, ongemakkelijke kunst verkoopt niet.’ Nee, het is nog erger voor wie afgelopen dagen op de beurzen van Art Rotterdam rondliep: in Nederland verkoopt zelfs gemakkelijke kunst nauwelijks die meer durft te zijn dan kassakoopjes. Maar goed, da’s de kunsthandel. Te mainstream en te corrupt voor de brains van Boer die het in een ander circuit zoekt.

Is de underground de redding voor de kunst? Boer: ‘In de underground-scene worden subsidies veracht, wordt men niet gedwongen deel te nemen aan de verwoestende commercialisering van cultuur en zijn beeldend kunstenaars nog werkelijk onafhankelijk. Daar kan dat het ‘heilige’ beschimpt en gehekeld wordt en hebben de Halbe Zijlstra’s van deze wereld geen invloed meer en zijn ze persona non grata.’ Boer doet niet anders dan Zijlstra en Wilders door kunstsubsidies verdacht te maken. Overheidssubsidies voor kunst zullen echter altijd nodig blijven. Zoals voor talentontwikkeling. Daarnaast hebben de professionals in de kunstsector niets aan het advies van Boer om underground te gaan. Door de marge op te zoeken geven kunstenaars die strijdbaar zijn het middensegment prijs. Daar wordt de strijd met de politiek gestreden. Als iedereen naar de underground verkast dan wordt cultuurpolitiek zeker een verlengde van handelspolitiek of citymarketing.

Of Boers analyse bruikbaar is valt daarom te bezien. Het valt eerder te lezen als een theoretische stellingname. De underground kan zeker dienen om de kunstscene intellectueel te voeden en anker te zijn voor politieke standvastigheid. Maar da’s een overloop van alle tijden en daarom niets nieuws onder de zon. Paradox voor het succes van die wisselwerking is dat de underground zich niet teveel moet afzonderen. De herbronning, heroriëntatie en het terugvinden van strijdbaarheid van de in de afgelopen jaren te lankmoedige, stuurloze, schreeuwerige en ook wel wat laffe kunstsector waarop Boer doelt is echter hard nodig. De confrontatie kan het elan terugbrengen en richting geven. Onbewust symboliseert Boer de verdeeldheid die dat zo lastig maakt.