Orthodoxe christenen handelen niet in hun eigenbelang als ze framen dat er een kloof tussen religie en seculier bestaat

Schermafbeelding van deel artikel ‘Kloof tussen christelijk en seculier: „Steeds minder besef van waarde kerkgang” in het RD, 16 april 2021

Gelovigen staan niet buiten kijf. Ze ontkomen in hun denken een politiek handelen niet aan framing. Daarmee zijn ze niet uitzonderlijk. Dat geeft tegelijk aan dat ze niet uitzonderlijk zijn en voor zichzelf uitzonderingen kunnen claimen.

Dat doet SGP-raadslid Tom de Nooijer wel als hij zegt: ‘Mijn punt was dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is. Je kunt het kerkbezoek niet vergelijken met bezoek aan Ajax of bioscoop. Religie is niet alleen een persoonlijke keus, maar heeft ook een maatschappelijke rol en die moet je grondwettelijk beschermen.”’

Waarom een kerkbezoek niet vergeleken kan worden met bezoek aan Ajax, bioscoop, een schouwburg of museum legt de Nooyer niet uit. Het is van hem een slag in de lucht om dat te beweren. Wellicht heeft hij gelijk dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is, zoals hij niet begrijpt wat secularisme is. Daarnaast zijn er talloze uitingen die een maatschappelijke rol hebben. Waarom religie in de grondwettelijke bescherming uitzonderlijk zou zijn is onduidelijk. De Nooyer legt het niet uit.

De framing van het RD bestaat eruit dat het religie en secularisme tegenover elkaar zet als twee entiteiten waartussen een kloof zou bestaan. De suggestie daarvan is dat secularisme een tegenstelling van religie is. Dat is om twee redenen onjuist. Het secularisme is een overkoepelende politieke filosofie die alle religies en levensovertuigingen als gelijkwaardig beschouwt. Wat het RD als ‘seculier’ framet is de (niet-religieuze) levensovertuiging binnen het secularisme. Zij zijn geen tegenstellingen waartussen een kloof bestaat, maar gelijkwaardige entiteiten naast elkaar onder dezelfde paraplu.

Het RD zorgt trouwens voor verwarring door in de kop van een kloof te spreken, maar in de inleidende alinea te beweren dat ‘er als zodanig te weinig basis [is] om te spreken van een kloof.’ Wat is het nou, wel of geen kloof?

Orthodoxe christenen hebben er belang bij om de tegenstellingen binnen het secularisme tussen religie en levensovertuiging uit te vergroten. Dat belang bestaat eruit dat ze de afbraak willen vertragen van oude voorrechten die in Nederland christenen als vanouds genoten.

Maar daarmee spelen ze een gevaarlijk spel. Ook wat het voortbestaan in eigen kring betreft. In Nederland bestaan er immers honderden, zo niet duizenden religies, stromingen, aftakkingen en afscheidingen die allen een minderheid vormen. Zij hebben er belang bij om onder de rechtsstaat beschermd te zijn. Die bescherming wordt er solider en duidelijker op als de vertegenwoordigers van religies het secularisme omarmen en niet in de openbaarheid aanvallen of indirect verdacht proberen te maken. De kloof bestaat vooral in het denken van de orthodox-christelijke denkers die niet beseffen dat het secularisme het voortbestaan van hun specifieke religie optimaal garandeert.

Als Trouw nuance zoekt in inhoud, dan kan het de nuance in het begrippen- en woordgebruik niet achterwege laten

Schermafbeelding van deel artikelDe seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’ in Trouw, 5 april 2021.

Trouw is een dagblad dat veel aandacht geeft aan religie. Dat gebeurt vanuit een religieus perspectief en is niet altijd als zorgvuldig te omschrijven. De framing zitten de journalistieke onpartijdigheid en het professionalisme in de weg. Trouw zit gevangen in de vooroordelen van een traditie waarin oude woorden hun betekenis hebben. In elk geval roept lezing van Trouw dat beeld bij mij op.

Neem nou bovenstaand artikel dat als kop heeft ‘De seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’. Waarom kiest Trouw deze kop? Er had ook kunnen staan: ‘De gematigde en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’.
Het wordt en nog vreemder op als in de introductie van dit artikel staat: ‘De spanning tussen orthodoxe religieuze minderheden en de liberale meerderheid groeit.’ Wat moet onder ‘de liberale meerderheid‘ verstaan worden? Zijn dit alle niet-orthodoxe gelovigen? Omvat dit ook de sociaal-democraten, rechts-radicalen, christen-democraten en anarchisten? Trouw maakt het niet duidelijk. Dit is blijkbaar geheimtaal in de eigen kring die buitenstaanders niet kunnen ontcijferen.

Want wat wordt hier nou bedoeld met ‘liberaal’? Is dat volgens het jargon van de protestante christenen een omschrijving van vrijzinnig of onorthodox? Maar waarom scherpt Trouw dan een tweedeling tussen orthodoxe gelovigen en vrijzinnigen aan die als zodanig in de samenleving niet bestaat en laat het de niet-orthodoxe gelovigen ongenoemd?

Wat gelovigen met ‘seculier’ bedoelen is evenmin altijd duidelijk. Vaak gebruiken ze het in de minachtende betekenis ’wereldlijk’ als tegenstelling tot religieus of godsdienstig.

Dat is problematisch als ermee de politieke filosofie van het secularisme wordt bedoeld die vanuit de christelijke flanken indirect onder vuur wordt genomen. Secularisme houdt in dat alle geloven en levensovertuigingen in gelijke mate onder de nationale rechtsstaat zijn gegarandeerd. Het secularisme is niet anti-religieus of pro-‘seculier’. Het secularisme is perfect neutraal. Het secularisme is de vertaling van rechtsstatelijkheid op het gebied van geloof en levensovertuiging. Degenen die zich verzetten tegen het secularisme door dat ter discussie te stellen of verdacht te maken verzetten zich tegen de rechtsstaat. Uiteraard zien ze dat zelf anders in hun eigen belangenbehartiging.

Feit is dat vooral orthodoxe christenen ten onrechte claimen dat het secularisme anti-religieus is. Vanuit hun beperkte opvatting is dat logisch. Het heeft ermee te maken dat ze het secularisme als zodanig niet aanvaarden omdat het te beperkend zou zijn voor het in de volle breedte belijden van hun geloof. Want als geloof en samenleving één zijn, dan staat een politieke filosofie die ruimte geeft aan andere geloven en levensovertuigingen die vereniging van eigen geloof en samenleving in de weg. Voor die volle breedte van de orthodoxe christenen moeten andersdenkenden wijken, zoals dat in de moderne Nederlandse geschiedenis altijd het geval was. Dat was staande praktijk totdat in de tweede helft van de 20ste eeuw de ontkerkelijking op gang kwam met als gevolg dat nu een meerderheid van de bevolking zegt zich niet meer te laten inspireren door het geloof. Daarom wijzen deze orthodoxe christenen ook de moderniteit af.

De paradox is dat Trouw weliswaar afstand neemt van de kritiek op het secularisme dat uit orthodox christelijke hoek komt, maar geen afstand neemt van de framing en het jargon van deze orthodoxe christenen. Hiermee neemt Trouw inhoudelijk een ruimdenkende, pluriforme positie in die door het woordgebruik en het misleidend gebruik van begrippen niet past bij de inhoud, voor verwarring zorgt en haaks op de inhoud kan komen te staan. In elk geval buitenstaanders vragen zich vervolgens af hoe vorm en inhoud, ofwel formuleringen en ideologie zich tot elkaar verhouden.

Waarschijnlijk beseffen de trouwe lezers van Trouw, de doorgaans christelijke opinieleiders die Trouw artikelen leveren en de eindredacteuren van Trouw niet hoe gedateerd en verkeerd het gebruik van dit christelijk jargon is dat steeds minder past bij de inhoud. Dit jargon als relict van een oude nestgeur blijft daar bij achter en werkt verwarrend.

Mogelijk heeft het moeizame afstand nemen van dit christelijke jargon voor Trouw ermee te maken dat de conservatieve protestante media als het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad die economische en geestelijke rivalen zijn van Trouw er nog volledig in ondergedompeld zijn. Zowel in dat oude jargon als in traditionele standpunten die ermee samengaan. Dat maakt de positie van Trouw hybride. Met de pretentie om pluriformiteit van opinies te bieden zou Trouw ook voor de eigen lezers nauwkeuriger kunnen zijn door zorgvuldig om te gaan met de begrippen die zijn geworteld in het orthodoxe christendom en die in de kern een vaak stilzwijgend beeld van vijandigheid tegenover de 21ste eeuwse samenleving uitdrukken. Van dat laatste zou Trouw afstand moeten nemen.

Trouw zou er goed aan doen om in een Code alle medewerkers regels op te leggen via geformuleerde afspraken en op de hoogte te brengen van de journalistieke kernwaarden en de ideologie van Trouw. In zo’n Code kan omschreven worden wat het verstaat onder begrijpen als ’seculier’, het ’secularisme’, ‘orthodoxie’ en ‘liberaal’. Voor alle journalisten en eindredacteuren van Trouw is dan duidelijk dat het in vorm en inhoud ondubbelzinnig de rechtsstaat en het secularisme ondersteunt. Als Trouw de nuance zoekt in de inhoud, dan kan het niet achterblijven door de nuance in het woord- en begrippengebruik achterwege te laten. Dat wringt.

De Reuver is neerbuigend over het secularisme en de moderniteit

De oud-predikant en oud-bijzonder hoogleraar geschiedenis van de gereformeerde godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond Arie de Reuver schrijft in zijn columnOok crisistijd is genadetijd’ van 4 april 2020 in het Reformatorisch Dagblad geen profeet te zijn om vervolgens tot de volgende uitspraak te komen: ‘Voor het gros van de hedendaagse bevolking is het leven voorbij zodra het hart het begeeft’. De Reuver geeft zijn interpretatie van de gevolgen van het secularisme en de moderniteit: ‘De geestesblik reikt niet verder dan de einder. Omdat er met het instrument van intellect en observatie geen land daarachter te bekennen valt, is het er ook simpelweg niet. Want zekerheid kun je in alle nuchterheid alleen maar hebben over dingen die te constateren en te vatten zijn. De rest is fictie en illusie. Zo luidt de slotsom van de moderniteit.’

De Reuver gooit een hoop overhoop en overtuigt naar mijn idee niet. Laat ik het anders zeggen, ik toon vanwege de sociale cohesie, de tolerantie voor anderen en de vrijheid van godsdienst respect voor zijn christelijk-gereformeerde gedachtengoed. Ofschoon ik het daar op maatschappelijke en ontologische gronden niet mee eens ben. Maar Nederland is een pluriform land met duizenden godsdiensten, levensovertuigingen, nihilistische of sceptische stromingen waar het onvruchtbaar is om elkaar de maat te nemen en te krenken.

Voor de duidelijkheid, de meerderheid van Nederlanders zegt zich niet te laten inspireren door religie. Ik respecteer dat De Reuver in deze column in een orthodox-christelijk medium voor eigen parochie preekt en daardoor wellicht selectief en kort door de bocht opereert en in eigen groepstaal vervalt. Het is hem gegund.

Maar ik vind het ongelukkig dat het gedachtengoed dat De Reuver aanhangt hem brengt tot neerbuigendheid jegens andersdenkenden en de moderniteit. Zijn suggestie is dat het secularisme leidt tot geestesarmoede en een platte levensvisie. Blijkbaar is het belijden van zijn christendom in eigen kring niet voldoende en acht hij het nodig om zich af te zetten tegen andersdenkenden. Waarom doet hij dat? Of uit deze opstelling blijkt dat het geloof van De Reuver niet overtuigend is en hij externe mikpunten nodig heeft om het legitimiteit en reliëf te geven waarmee hij zich in eigen kring kan waarmaken is de vraag die hij zelf het beste kan beantwoorden.

Het is niet dat De Reuver verweten hoeft te worden dat hij bewust een verkeerde interpretatie geeft van het secularisme. Het is zijn goed recht om iets niet te begrijpen of om kerkpolitieke redenen net te doen alsof hij iets niet begrijpt. Hierin staat hij als orthodoxe christen niet alleen. Het secularisme is een politieke filosofie waarin alle godsdiensten en levensovertuigingen als gelijkwaardig worden beschouwd en door de nationale rechtsstaat gegarandeerd zijn. Het secularisme is niet pro- of anti-religieus, maar neutraal jegens alle religies en levensovertuigingen. Het laatste jaar blijkt dat duidelijk in het publieke debat in India waar de moslims een beroep doen op het secularisme omdat ze door de nationalistisch-hindoeïstische regering van premier Moti in het nauw worden gebracht. Hij dreigt hun hun grondrechten te ontnemen. Het secularisme biedt bescherming voor niet-dominante godsdiensten die geen staatsgodsdienst zijn of van de staat een voorkeursbehandeling krijgen. Wat De Reuver verweten kan worden is dat hij onnodig het secularisme en de aanhangers ervan tracht te kleineren. Hiermee geeft hij geen positief beeld van de stroming van het christendom die hij aanhangt.

Foto: Schermafbeelding van deel columnOok crisistijd is genadetijd’ van Dr. A. de Reuver in het Reformatorische Dagblad, 4 april 2020.

Als ik geen theïst, atheïst, agnost of apatheïst ben, dan ben ik een secularist die betrokken is bij én kritisch op religie en hun goden

Van de term ‘apatheisme’ had ik nog nooit gehoord totdat ik het voorbij zag komen in de online versie van het opinie-artikelApatheïsten verder weg dan atheïsten’ van Wim Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad. De term is een samentrekking van ‘apathie’ en ‘theïsme’.  Het perspectief ervan is religieus, want het idee is dat de aanhangers ervan onverschillig of gevoelloos tegenover het bestaan van God staan. Kranendonk citeert enkele Amerikaanse christelijke auteurs die claimen dat er ook apatheïsten in christelijke kerken zijn. In mijn reactie bij het artikel op de FB-pagina van het Reformatorisch Dagblad antwoord ik de auteur en constateer ik dat de kenmerken die hij geeft van een apatheïst niet op mij van toepassing zijn. Ik sta namelijk helemaal niet onverschillig tegenover religie of God, maar ben er evenmin een aanhanger van. Ik val in geen van de vier categorieën die Kranendonk schetst en voeg daarom noodgedwongen een vijfde categorie toe:

Het is merkwaardig dat in de afsluitende alinea de auteur het apatheïsme een probleem noemt. Hiermee laat hij zich kennen als normatief en onverdraagzaam. Hij trapt in de val die hij zelf de atheïsten verwijt die volgens hem het geloof in God zouden minachten. Het is trouwens kort door de bocht om dit atheïsten te verwijten. Zij kunnen ook andere bezwaren hebben tegen religie en de macht van de religieuze instellingen. Hun kritiek betreft dan niet zozeer de ‘binnenkant’ van religie, maar de ‘buitenkant’ ervan. Dus niet de zingeving of insluiting in een religieus gedachtegoed, maar de machtsvorming en morele claims. Het is een feit dat dominante religieuze organisaties nog steeds een voorkeursbehandeling genieten en voorrechten hebben in onze samenleving. De auteur onderschat hoeveel weerstaand dat in de samenleving oproept.

Wim Kranendonk minacht de apatheïsten. Die geringschatting komt voor zijn rekening. Het is een gevolg van zijn kerkpolitieke opstelling. Waar de apatheïsten hun schouders ophalen over religieuze organisaties met hun dogmatiek van een opperwezen, zo maakt een christen als Wim Kranendonk zich druk dat er mensen zijn die in geestelijk opzicht afstand nemen van de dogmatiek van het christendom. Hij begrijpt het niet. Apatheïsten gunnen gelovigen hun geloof en inspiratie, Kranendonk lijkt apatheïsten geen redelijke positie te gunnen.

Ik betwijfel of de auteur het verschijnsel van het apatheisme doorgrondt. Hij kijkt niet met een open blik, maar met een blik die de religie verdedigt en in bescherming neemt. Laat ik dat uitleggen aan de hand van mijn eigen positie. Ik neem geen van de drie posities in die Kranendonk in het artikel schetst, te weten de categorie van de theïsten (mensen die de overtuiging hebben dat er een opperwezen is), atheïsten (mensen die de overtuiging hebben dat er geen opperwezen is) of agnosten (mensen die twijfelen tussen de overtuiging of er wel of niet een opperwezen is). Maar ben ik dan een apatheïst of is er nog een vijfde restcategorie?

Laat ik het checken aan de hand van de kenmerken en stellingen die Kranendonk van het apatheïsme geeft.
1) De groep die totaal niet geïnteresseerd is in de vraag naar het bestaan van God. Check: Dat klopt niet. Ik ben indirect geïnteresseerd in de vraag naar het bestaan van God omdat ik geïnteresseerd ben in andere mensen die menen dat er een God bestaat. Mij interesseert het als fenomeen hoe mensen in een zich ontkerkelijkende omgeving zich laten inspireren. Om Harry Kuitert te parafraseren: ‘Hoe kan het dat mensen de bewering geloven dat het spreken dat van beneden komt van boven komt?’ Waarom geloven mensen dat een menselijke constructie geen menselijke constructie is en weven ze die verdichting in het ontstaan van hun geloof? De interesse in die vraag die raakt aan de verhaalleer, de dramatiek, de mythologie en het stelsel van rituelen bindt me aan de gelovigen. Niet de vraag of er wel of niet een God of vele Goden met hun aparte godsdienst bestaan. Dat laatste kunnen gelovigen beter zelf binnen hun gesloten wereldbeeld beantwoorden.
2) De apatheïst negeert het geloof. Check: Dat klopt niet. Ik respecteer het geloof en de gelovigen en wil me er iets van aantrekken omdat de gelovigen mijn medemensen zijn.
3) Het apatheïsme is typerend voor onze huidige tijd. Check: Dat klopt. Het past in de politieke filosofie van het secularisme waarin alle godsdiensten en levensovertuigingen in gelijke mate gewaardeerd, gegarandeerd en door de wet beschermd worden.

Conclusie is dat ik volgens de kenmerken die Kranendonk geeft en die hij baseert op het nieuwe boek van de christelijke geloofsverdediger Kyle Beshears zowel geen theïst, atheïst, agnost als apatheïst ben. Het probleem van Kranendonks opstelling en van de christelijke auteurs Beshaers en Thomas Kidd waarop hij zich baseert is dat hij claimt een objectief beeld van de keuze van mensen voor een godsdienst of levensovertuiging te geven, maar intussen alles door een christelijke bril ziet en definieert. En dat laatste ook nog eens vanuit het perspectief van prediking en zieltjes winnen. Hierdoor scherpt Kranendonk onnodig aan en mist hij de nuance. Hij trapt in de valkuil van vele christenen, namelijk dat andersdenkenden ondanks alle afstand toch moeten worden beschouwd als een verlengde van hun godsdienst. Of dat nou in positieve of negatieve zin is. De achterliggende gedachte is dat ze afgedwaalde gelovigen zijn die op het rechte pad moeten worden gebracht.

Kranendonk mist de positie van iemand die geïnteresseerd is in religie en religieuze organisaties en onder de motorkap ervan wil kijken voorbij het cosmetische beeld dat religieuze organisaties zelf naar buiten brengen. Dat gaat om de functie van fictie in brede zin, inclusief noties van fantasie, inbeelding, zelfbedrog, waan en mythologisering. Kranendonk mist de bekommernis van mensen die niet in het religieuze domein willen worden getrokken en de claim op unieke moraliteit van gelovigen buitensporig en onterecht vinden, maar in beginsel anderen die positie royaal gunnen. Kranendonk mist de ontwikkeling van een Nederland waarin de meerderheid van de bevolking zich niet laat inspireren door religie of het christelijk-culturele gedachtegoed.

Neem ik dan de vijfde positie in? Die van de voorstander van het secularisme die in alle (aanhangers van) religies en levensovertuigingen in gelijke mate geïnteresseerd is en ze een identieke positie gunt en slechts één overwegende tegenwerping heeft tegen de opstelling van religieuze opinieleiders, namelijk dat ze andersdenkenden ondanks alles als een verlengde of een fantoomledemaat van hun godsdienst willen zien.

Foto: Schermafbeelding van het artikelApatheïsten verder weg dan atheïsten’ van Wim Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad, 7 december 2019.

Is voornaamste reden waarom het gezin dat zich negen jaar in een kelder verschanste hun persoonlijke gesteldheid of hun religie?

Dominee Georg Naber van de Protestante Gemeente Ruinen die daar trouwens binnenkort afscheid neemt is duidelijk over het gezin in het Drentse Ruinerwold dat negen jaar in een kelder woonde. Het wachtte op het einde der tijden en de wederkomst van Jezus. Volgens Naber is het onvoorstelbaar dat dit gebeurde. Hij legt een direct verband met het geloof als hij zegt: ‘Je hebt natuurlijk bepaalde Bijbelse lijnen die zeggen dat aan het einde der tijden bijzondere dingen gebeuren. Dat ook de anti-Christ opkomt. Dat je voorzichtiger moet zijn, dat je de wereld moet mijden. Je hebt die lijnen die ook in de Bijbel staan, en als je die teksten als een puzzel, met wat ontbrekende delen, maar toch, naast elkaar legt en daar de nadruk op legt, dan kan het gebeuren dat mensen dat blijkbaar doen. Maar het heeft ook te maken met hun persoonlijke gesteldheid, denk ik. Mensen moeten wel heel kwetsbaar in het leven staan als je je eigen geloof op deze manier denkt te moeten inkleuren.’ Dominee Naber heeft gelijk dat het gezin kwetsbaar in het leven stond en zo van het leven was afged(w)aald dat het zich in de kelder verschanste. Maar hij geeft ook aan dat de Bijbel daar de elementen voor heeft aangereikt. Elementen die alleen in de eschatologie van religie zijn te vinden. Zonder religie was dit nooit zo gebeurd. Religie leidt niet in alle gevallen tot gekte, maar dit soort gekte komt alleen binnen religie voor. Religie geeft mensen met een zwakke persoonlijke gesteldheid het kader en de focus om te ontsporen.

SGP’er Both drukt conservatieve christenen tegen de borst en verkiest aanval op ‘goddelozen’ boven verdediging van rechtsstaat

Het Reformatorisch Dagblad plaatst vandaag een opinie-artikel van Dick Both, fractievoorzitter van de SGP in de gemeenteraad van Veenendaal. Het gaat over de aantrekkingskracht van populistisch rechts zoals dat in Nederland vertegenwoordigd wordt door PVV en Forum voor Democratie (FvD) op reformatorische christenen. Nu volgens Both de PVV ‘over haar hoogtepunt heen is’ richt die aandacht zich op FvD: ‘diverse signalen wijzen erop dat opiniemakers, jongeren en ouderen uit de gereformeerde gezindte met meer dan gewone belangstelling Baudet en zijn tweede man Hiddema volgen’. Both ziet het als dwaalweg voor reformatorische christenen om rechts-populisten te volgen omdat ze geen ‘Bijbels genormeerde politiek bedrijven’.

Both maakt een interessante observatie als hij opsomt waar de aantrekkingskracht van deze populisten voor zijn achterban uit bestaat: ‘Het is belangrijk om te begrijpen waar de aantrekkingskracht zit. Hierin wordt een duidelijke lijn zichtbaar als we de opiniemakers in hun uitingen volgen. Ze typeren zichzelf graag als conservatief. Met name het –vaak populistisch– ageren tegen immigratie, globalisering, verdergaande invloed van Europa en de islam is in hun bijdragen herkenbaar. Als alternatief worden de cultuurhistorische wortels en tradities van onze Nederlandse samenleving geschilderd. (..) Veel Nederlanders zijn bezorgd. Zeker ook christenen. Wie herkent de thema’s niet? De groeiende islamisering boezemt velen angst in.

Vervolgens doet Both jammergenoeg zijn betoog geweld aan. Hij geeft een betwistbare opvatting van zowel de secularisatie als de zogenaamde ‘joods-christelijke traditie’ die hij ten onrechte koppelt aan ‘het overboord zetten van allerlei historische waarden’. Vervolgens meent hij te begrijpen dat Baudet hier een terecht beroep op doet. Maar de secularisatie zet geen historische waarden overboord en de veelgeroemde ‘joods-christelijke traditie’ is een verzinsel dat door populistisch rechts groot is gemaakt in reactie op de opkomst van de islam. Die traditie heeft in homogene vorm nooit bestaan. Gezien de animositeit in reformatorische kringen jegens het jodendom zou Both met zijn achtergrond dat als geen ander moeten weten. Dit misverstand waarin Both meegaat geeft aan hoe diep de populistische talking points ook in reformatorische kring zijn doorgedrongen.

Het is een gemiste kans dat Both niet ingaat op de VS dat vergeleken met Nederland enkele jaren vooroploopt in politiek-filosofische ontwikkelingen. Daar is de wisselwerking tussen het conservatisme en rechts-populisme of de alt-right beweging al in een volgende fase beland. Terwijl in Nederland dat proces zich met de optimisme uitstralende Baudet nog naar een hoogtepunt lijkt te bewegen is daar in de VS de afgelopen maanden al een neergaande reactie op ontstaan. Verkiezingen in Virginia en Alabama hebben duidelijk gemaakt dat de conservatieven en conservatieve christenen afstand nemen van het rechts-populisme omdat het juist ingaat tegen de historische waarden van hun land. Het zijn vooral de jonge en goedopgeleide conservatieven die het populisme van Trump en Steve Bannon beginnen af te wijzen en eveneens afstand nemen van de Republikeinse partij waarin de historische waarden tot voor kort vertegenwoordigd waren.

Omdat Baudet zich oriënteert op Bannon en Trump en bij gelegenheid hun agenda kopieert kan de analogie nog verder getrokken worden. Iemand als Bannon heeft zich tot doel gesteld om de democratische instituties af te breken om vervolgens op de puinhopen ervan iets nieuws op te bouwen. Feitelijk een uit het marxisme geleend idee. Trump volgt hem daar halfslachtig in door te ageren tegen de inlichtingendiensten, de rechtsstaat, de democratie en het parlement, en zijn land gitzwart af te schilderen als moreel verzwakt dat een eindtijd verdient. Maar Trump bedient tegelijk het bedrijfsleven en de financiële instellingen die hem van sponsorgeld voorzien en die voor zichzelf betere voorwaarden opeisen op het gebied van regelgeving en belastingmaatregelen. Rechtlijnig is Trump niet in zijn ondergangsfantasie als hij het bedrijfsleven versterkt.

Dick Both citeert de christelijk-conservatieve publicist Bart Jan Spruyt die politici als Baudet typeert als ‘cultuurchristenen’. Overigens een mooie spiegeling van het begrip ‘cultuurmoslims’ dat doelt op niet belijdende moslims die vanwege nestgeur en sociale dwang niet openlijk afstand van hun oude geloof nemen. Spruyt: ‘Cultuurchristenen zijn mensen die christelijk denken zonder zelf christelijk te zijn. Ze kennen en waarderen de christelijke tradities en verdedigen die tegen de snode plannen van een ontwortelde elite.’ Opnieuw sluipt in een reformatorisch betoog een rechts-populistisch talking point, deze keer over de elite of het establishment dat zogezegd tegenover ‘het volk’ zou staan. Het geeft opnieuw aan hoe het populisme bezit heeft genomen van delen van de conservatief-christelijke gemeenschap terwijl die dat amper beseft.

Boths analyse verkeert in een electorale praatje voor de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 als hij euthanasiewetgeving erbij haalt en suggereert dat PVV en FvD ‘tegen het leven’ zijn. Both: ‘En dienen op zichzelf misschien aansprekende standpunten niet ondergeschikt gemaakt te worden aan ethische onderwerpen die lijnrecht ingaan tegen Gods Woord?’ Hij gaat zelfs zover om van Baudet en Wilders te zeggen dat ze ‘levensbeschouwelijk als volkomen seculier en goddeloos in het leven staan’. Dat is onzinnig omdat iemand die seculier is niet per definitie niet-christelijk is en tegen euthanasie zou zijn. Dat zuigt Both uit zijn duim. En waaruit blijkt dat iemand die ‘goddeloos’ in het leven staat niet tegen euthanasie zou kunnen zijn?

De conclusie over Boths betoog moet zijn dat het onevenwichtig is, de essentie en actualiteit van de wisselwerking tussen conservatisme en populisme mist en niet goed omkadert, en gemakzuchtig wegvlucht in partijpolitiek. Daar was het hem dus om te doen, namelijk om de schapen bij de kudde te houden en ze niet af te laten dwalen richting PVV of FvD. Dick Both neemt de kans niet te baat om breder te kijken of mist het perspectief om dat te doen. Zijn betoog was krachtiger geweest als hij de democratische instituties die in hoge mate door de gouvernementele bestuurderspartij SGP worden gerespecteerd centraal had gezet in zijn pleidooi voor het conservatisme. Dan was zijn opinie niet geëindigd met de voor dit onderwerp onbelangrijke tweedeling seculier/christelijk, maar met de tweedeling rechtsstatelijk/niet-rechtsstatelijk. Terwijl de actuele strijd binnen de westerse politieke systemen gaat om de instandhouding van de democratische instituties en steeds meer conservatieve christenen dat inzien en hun ethische zorgen over abortus, homohuwelijk of euthanasie terzijde schuiven, is Dick Both in Veenendaal nog druk bezig de vorige oorlog te voeren.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelSteun Bijbels genormeerde politiek in plaats van Forum voor Democratie’ van Dick Both in het Reformatorisch Dagblad, 14 december 2017.

God is niet-waar en niet-onwaar. Meer kunnen we er niet van maken

resolve

Kan de vraag of een broodje zonder kaas hetzelfde is als een broodje zonder ham gelijkgesteld worden aan de vraag of de God van de christenen hetzelfde is als de God van de moslims? Het betreft de relatie tussen taal en werkelijkheid, kortom een taalfilosofische vraag. Dat speelt op het niveau of de vraag naar de betekenis fout is. Ofwel, kan men via een bewering iets uitdrukken dat niet bestaat of waarvan de waarde onbekend is?

De uitspraak ‘Een broodje zonder kaas is hetzelfde als een broodje zonder ham‘ is een bewering waarvan niet valt vast te stellen of het waar is. Zo is het ook met de uitspraak ‘De God van de christenen is dezelfde als de God van de moslims‘. Een kwestie van driewaardige logica,. Naast waar en onwaar is er de waarde ‘onbekend‘. De waarde van de uitspraken over de ‘broodjes zonder‘ en de ‘God van christenen of moslims‘ zijn onbekend.

Het perspectief van de verwijzing naar een broodje zonder kaas verschilt van de verwijzing naar een broodje zonder ham, terwijl het om hetzelfde fysieke object kan gaan. Maar het kan ook om een ander broodje gaan. De overeenkomst met de verwijzingen naar de God van de christenen en de God van de moslims is dat het perspectief verschilt, maar het verschil is dat niet zonder vooringenomenheid vastgesteld kan worden of er een fysiek (of: stoffelijk, materieel) object is waarnaar verwezen wordt en hoe dat voorgesteld dient te worden.

Bij de broodjes zonder is duidelijk naar welke soort het verwijst, maar is het onduidelijk of er naar hetzelfde specifieke broodje verwezen wordt. Bij de Goden is het onduidelijk naar welke soort het verwijst omdat hier door ontbrekende, concrete gegevens en verschil in betekenisgeving geen overeenstemming over ontstaat.

De vraag naar de vergelijking tussen de God van de christenen en de God van de moslims is geen vraag die leidt tot een sluitend antwoord, maar tot het uit de weg gaan van een antwoord vanwege de waarde van de bewering die onbekend is omdat er geen overeenstemming te bereiken valt over de soort waarnaar het verwijst. De vraag thematiseert niet zozeer het bestaan van Goden -al dan niet in geestelijke zin-, maar vooral hun meervoudige waarde. De vraagstelling is een vlucht vooruit die door een geloofsartikel als uitgangspunt voor debat te presenteren een niet te onderzoeken object uit de werkelijkheid als werkelijk tracht voor te stellen. Wat daar uit volgt is het invullen van een waarde die taalfilosofisch niet ingevuld kan worden.

NB: Aanleiding voor het bovenstaande was het artikelDienen moslims en christenen dezelfde God?’ van W. B. Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad, 1 februari 2016.

Foto: ‘Eetsalon Broodje van Kootje aan het Leidseplein, Amsterdam (1953)’. Credits: Lood van Bennekom; Nederlands Fotomuseum.

Gezinsbeurs Wegwijs etaleert de reformatorische subcultuur

Een inkijkje in een typisch Nederlandse subcultuur als deel van de protestante cultuur: de reformatorische bevolkingsgroep. De Gezinsbeurs Wegwijs 2014 vindt plaats van 21 tot 25 oktober in het Rotterdamse Ahoy en wordt georganiseerd door Erdee Media Groep dat onder meer het Reformatorisch Dagblad (RD) uitgeeft.

In de video wordt de stand van de Stichting Reformatorische Omroep (RO) getoond. De Stichting RO heeft dus geen leden, zoals de Vereniging EO wel heeft. Ander verschil is dat de EO sinds zo’n 10 jaar evangeliseert en zich op ongelovigen richt, terwijl de RO uitsluitend de reformatorische doelgroep bedient. Inzichtelijk is wat de RO zegt over de identiteit die ook toepasbaar is op de deelnemers aan Wegwijs en de Erdee Media Groep: ‘De grondslag van de stichting is Gods onfeilbaar Woord, waarvan belijdenis wordt gedaan in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (artikel 2-7). Zij onderschrijft onvoorwaardelijk de Drie Formulieren van Enigheid, zoals zijn vastgesteld in de Nationale Synode (Dordrecht, 1618-1619). Zij belijdt het absolute gezag van Gods Woord over alle terreinen van het leven en daarom mede over massacommunicatie en mediagebruik.

De reformatorische subcultuur kent in het opzoeken van de openbaarheid en de inzet van media een spanning die volgt uit het volgen van de beginselen en de verkondiging ervan voor een breed publiek. Wat is haalbaar en verantwoord, waar eindigt het een en begint het ander? Het is een helse taak om daarin de goede afweging te vinden in een samenleving die ook nog eens steeds verandert. Want teveel accent op de beginselen hindert de optimalisering van het bereik, terwijl teveel accent op verkondiging in strijd kan komen met de beginselen.

De reformatorische subcultuur is niet altijd vrijheid blijheid. Op RefoWeb.nl -ook maker van het videoverslag- stelt een ouder iemand dominee Elsman een vraag over de zonde: ‘Ik zit al weer jaren in de kerk, maar soms denk ik: ze moesten eens weten, niemand weet er van. Maar God heeft het gezien en gehoord en dat drukt me te neer. Nu staat er in Ps. 103:6: “Zo ver het west verwijderd is van het oosten zo ver heeft hij om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonde weggedaan.” Maar ook staat in de bijbel dat we verantwoording moeten afleggen van onze zonden. Hoe krijg ik (ondanks veel bidden daarom) een gevoel van vergeving? De schuld is zwaar!’ De dominee antwoordt onder meer: ‘Het wezen van de zonde is dat zij doorwerkt ten verderve tenzij en totdat zij is beleden en van haar kracht beroofd onder het dierbaar Bloed van de Heere Jezus Christus. Onbeleden zonden werken smet en schuld. Zij maken onrein en bezwaren ons geweten. De HEERE verlost van de macht en heerschappij van de zonde en Hij verlost ook van de schuld van de zonde.’ Leven als inleiding.

refo

Foto: Schermafbeelding van tweet RefoWeb, 23 oktober 2014.

Rutte begrijpt er echt niets van: Willem-Alexander in Sochi

Premier Mark Rutte begrijpt ‘echt helemaal niets‘ van alle kritiek op het gedrag van koning Willem-Alexander bij de Olympische Winterspelen in het Russische Sochi. Zo zei hij vandaag op z’n wekelijkse persconferentie. De meningen over het gedrag van de koning lopen uiteen. Jammergenoeg maakt premier Rutte van de critici een karikatuur: ‘Dan zit er ergens een zeurpiet die zegt dat de koning met een heel somber hoofd, in driedelig grijs pak met een horlogeketting op de tribune moet zitten. Ik begrijp er echt helemaal niets van.

Volgens een commentaar in het RD vergat de koning de waardigheid van zijn ambt. Hier was ik het mee eens. Gezien de kritiek die van alle kanten komt is het juist de vraag of Willem-Alexander met zijn gedrag te Sochi de eenheid van het land vertegenwoordigt zoals Rutte veronderstelt. Het bracht me tot de volgende reactie:

Niemand ontkent de koning zijn pleziertje. Willem-Alexander houdt nu eenmaal van sport. Maar hij is meer dan een individu. Of zelfs een kroonprins. Willem-Alexander is staatshoofd van Nederland. De koning maakt deel uit van de regering. Daarbij horen politiek besef, een zekere mate van waardigheid (decorum) en daarnaast wat het koningschap zelf betreft, het instandhouden -of niet doorbreken- van een mythe. Met als doel om het beeld uit te dragen dat er een traditie wordt doorgegeven en dat het volk verenigd wordt.

Met politiek besef, decorum, de mythe van het koningschap en de verbindende rol lijkt Willem-Alexander in Sochi lichtvaardig te zijn omgegaan. Hij kan weliswaar een potje breken omdat hij een aimabele en benaderbare persoon is, maar da’s ook precies zijn valkuil. Hij moet oppassen om in de modernisering van het koningschap niet te veel te individualiseren. Waar zijn moeder voor de huidige tijd wellicht te statig en ouderwets was, moet de koning -in reactie- niet de andere kant opschieten.

In het commentaar van het reformatorische RD speelt ook nog de relatie tot topsport. En de sportverdwazing die nu langzamerhand Nederland overspoelt nu de schaatsmedailles overvloedig binnen blijven stromen. Dat gaat om de verhouding tussen lichaam en geest, over genotzucht en onthechting, over aanstellerij en volwassen gedrag, over oppervlakkigheid en verdieping, over de mediahype en de overgave aan innerlijke doelen. Over schijn en wezen.

Op overkoepelend niveau was de reden voor bovenstaand stukje de constatering -bij mezelf- dat ik tot dezelfde conclusie kom als de commentator van het RD, hoewel ik vanuit een volstrekt tegengesteld vrijzinnig gedachtengoed redeneer. Het stukje valt daarom ook op te vatten als het doorgronden van het waarom van die gemeenschappelijkheid. Zelfonderzoek.

RD: Willem-Alexander vergat in naïviteit waardigheid in Sochi

wa

Zelden ben ik het eens met het Reformatorisch Dagblad. Een goed betrouwbaar nieuwsmedium. Maar toch te verzuild, te religieus en naar binnen gericht. Maar in bovenstaand hoofdredactioneel commentaar kan ik me helemaal vinden. Het is in mijn ogen subliem, juist omdat het uit onverdachte hoek komt. Neem nou de zinsnede ‘Alsof hij een kleine jongen was, schreeuwde hij het uit. Wanneer Nederlanders een succes boekten, ging hij bijna uit zijn dak.’ Exact! Koning Willem-Alexander stelde zich in Sochi aan als een kleine jongen die niet besefte dat-ie staatshoofd van Nederland was. Het RD zegt het zo: ‘Soms leek het meer weg te hebben van hysterie. De koning vergat kennelijk dat hij daar niet was als sportliefhebber maar als staatshoofd.’

Willem-Alexander vergat zichzelf. Maar het ergste komt nog. Hij liet zich in zijn kinderlijk enthousiasme voor het karretje van de Russische president Putin spannen. Conclusie van het RD: ‘Het gedrag van onze koning in Sotsji was niet wijs en niet waardig.’ Wat een zware delegatie allemaal teweeg brengt. Of was de delegatie juist flinterdun door Willem-Alexander? ‘Je kinderlijk aanstellen is niet wijs en niet waardig.’ Weer subliem. Koning zijn is een vak dat geleerd moet worden. Dat maakt dit commentaar duidelijk. Oprechte klasse. Van het RD.

Foto: Schermafbeelding van ‘Commentaar: Koning vergat de waardigheid van zijn ambt in Sotsji‘ in het RD van 13 februari 2014. Credits: RD.