Gedachten bij foto van een gevangen genomen ‘Japanse soldaat’ in een ‘Nazi-uniform’ op een Normandisch strand (1944)

Het is nog niet zo makkelijk om te bepalen wat we hier zien. Het is duidelijk dat het militairen betreft. De militair rechtsonder schrijft op een kist en noteert klaarblijkelijk gegevens. Hij heeft een Amerikaans uniform aan. Hij is dus een Amerikaan. Een G.I. .

De twee mannen die voorin de rij staan om hun gegevens te laten noteren hebben Duitse uniformen aan. Het zullen dus wel Duitsers zijn. Maar is dat wel zo? Opvallend is dat de tweede man in de rij de eerste jonge man met een Aziatisch uiterlijk kritisch bekijkt.

Schermafbeelding van deel item 513174: ‘Dismay and loneliness is written on the face of this young Japanese man, wearing a Nazi uniform, in a roundup of German prisoners on the beaches of France. The Japanese man is giving his name and number to an American Army captain‘, 1944. Collectie: National Archives Catalog (VS).

Misschien geeft het bijschrift bij deze foto duidelijkheid. De National Archives Catalog zegt: ‘Dismay and loneliness is written on the face of this young Japanese man, wearing a Nazi uniform, in a roundup of German prisoners on the beaches of France. The Japanese man is giving his name and number to an American Army captain.’

De eerste man in de rij zou dus een jonge Japanse man zijn die een Nazi-uniform draagt. Een uniform van de Duitse Wehrmacht wordt een Nazi-uniform genoemd. Doorgaans denkt men tegenwoordig bij dat laatste eerder aan de zwarte uniformen van de SS.

Een ander item van dezelfde foto in dezelfde National Archives Catalog geeft een andere omschrijving: ‘Photograph of Captured Japanese Soldier Wearing Nazi Uniform‘. De eerste man in de rij zou dus een gevangen genomen Japanse soldaat zijn die een Nazi-uniform draagt.

Schermafbeelding van deel item 205578552: ‘Photograph of Captured Japanese Soldier Wearing Nazi Uniform‘, 1944. Collectie: National Archives Catalog (VS).

Hoe kan een Japanse soldaat een uniform dragen van een vreemde krijgsmacht? Hoe een Japanse soldaat een Japanse soldaat kan zijn in een uniform van de Duitse Wehrmacht is onduidelijk. Hoe kan iemand tegelijk in twee legers dienen? De eerste man in de rij in Duits uniform is toch geen Japanse soldaat?

Het wordt er weer anders op als we het oorspronkelijke bijschrijft achterop de foto lezen. Dat heeft als titel ‘Jap in Nazi uniform captured‘. Er wordt niet gezegd dat het om een Japanse soldaat gaat, zoals de titel bij de foto zegt. De oorspronkelijke beschrijving en de publiciteit over deze foto lopen uiteen.

Schermafbeelding van deel item 205578552: ‘Photograph of Captured Japanese Soldier Wearing Nazi Uniform‘, 1944. Collectie: National Archives Catalog (VS).

Dat er ontzetting en eenzaamheid (‘Dismay and loneliness‘) op het gezicht van de jonge Japenner zouden zijn af te lezen is een te vrij interpretatie van dit beeld. Hij lijkt eerder tamelijk gelaten en vlak de procedure te ondergaan. Ook nog eens in het besef dat hij op de korrel genomen wordt door een oorlogsfotograaf van de Coast Guard.

De term ‘Jap‘ wordt door Japanners opgevat als scheldwoord. Als teken van minachting. De Japanse man wordt in het oorspronkelijke onderschrift (‘caption‘) correct omschreven als Duits (krijgs)gevangene. Onjuiste toevoegingen zijn interpretaties die afbreuk doen aan de foto en de situatie die de fotograaf vastlegde. Op het Normandische invasiestrand in 1944.

Te vrije, verwarrende en onjuiste interpretaties in bijschriften zouden uit archieven verwijderd moeten worden. Ze zijn alleen van belang om de verdraaiing van de feiten van toen te archiveren. Maar ze zitten de oorspronkelijke bronnen in de weg.

Normalisatie van een anti-democraat: 1Twente Enschede geeft FvD’er Pepijn van Houwelingen ruimte voor het verspreiden van zijn ultrarechtse denkbeelden. Is dat journalistiek?

Pepijn van Houwelingen is kamerlid van FvD. Hij schreef in 2010 onder het pseudoniem Vossius het boek ‘Oneigentijds‘. Hierover schreef ik in een commentaar uit 2016 onder verwijzing naar een boekbespreking in NRC: ‘De persoon ‘Vossius’ die deels samenvalt met Van Houwelingen wil volgens Hecks en Stokmans de democratie afbreken: ‘In het boek staat ook dat Europa verziekt en verzwakt is door „het mekkeren” over mensenrechten als vrijheid en gelijkheid. En er staat ook dat het Derde Rijk te verkiezen is boven onze samenleving, omdat het, hoe grotesk ook, tenminste nog een hoger doel diende, en daarmee vitaliteit en kracht losmaakte.’

In een reactie bij deze video van 1Twente Enschede plaatste ik de volgende reactie: ‘Veelzeggend dat 1Twente Enschede de ultrarechtse Pepijn van Houwelingen een podium biedt en kritiekloos laat interviewen. Heeft 1Twente Enschede een pro-democratisch of anti-democratisch beleid?

Ik vraag me af wat de redactie van 1Twente Enschede bezielt om Van Houwelingen gratis publiciteit te bieden en of er binnen die redactie geen weerstand bestaat tegen dit beleid om anti-democraten zonder overtuigend weerwoord de democratie te laten beschadigen. Wat voor journalistiek denkt 1Twente Enschede eigenlijk te bedrijven? Is het naïef of kwaadaardig?

Het interview kabbelt door en weet door de controverses te omzeilen waardoor Van Houwelingen de afgelopen jaren in het nieuws is gekomen hem en zijn partij te normaliseren. Het is bloedeloze Blut und Boden retoriek die de regionale kaart trekt. Van Houwelingen kan onweersproken zeggen dat FvD niet radicaal is, maar het politieke midden wel

Dit leidt niet alleen tot een onbenullig interview dat niet doorbijt en geen follow-up vragen kent en de kijker onvolledig informeert, maar vooral tot het bieden van een platform aan een anti-democraat die volop in de gelegenheid wordt gesteld om te scoren. De interviewer geeft Van Houwelingen voorzet na voorzet. Uit de reacties bij de video blijkt hoe dat uitpakt. Het overgrote merendeel is positief over Van Houwelingen, FvD en de denkbeelden die hij vertegenwoordigt. Dankzij de redactie van 1Twente Enschede die hier willens en wetens voor heeft gekozen.

Het is de hoogste tijd dat de democratie zich weerbaar opstelt en zich ten volle bewust wordt van de intenties van types als Pepijn van Houwelingen, Thierry Baudet of Geert Wilders. Onder het verhullen van hun ware intenties duiken ze weg, suggereren speelsheid, onschuldigheid en belangeloosheid en menen in een vacuüm te kunnen opereren waarin ze onaantastbaar zijn en alles kunnen beweren zonder persoonlijk verantwoordelijk te worden gesteld voor hun opereren. De strijd om het hart van de Nederlandse democratie is wellicht ontbrand, maar niet bij 1Twente Enschede.

De beste strategie om radicale populisten als Thierry Baudet en Pepijn van Houwelingen in de media aan te pakken is om ze van repliek te dienen als daarvoor goede argumenten gepresenteerd kunnen worden of ze in andere gevallen niet te noemen en geen aandacht te geven. De Nederlandse media hebben te lang Baudet en zijn radicale partijgenoten kritiekloos publiciteit gegeven zodat ze zichzelf op het schild konden hijsen dankzij de aandacht in de media. In de Nederlandse media lijkt sinds Baudets toespraak over de boreale wereld en de Uil van Minerva in maart 2019 het besef te zijn ontstaan dat FVD en zijn medestanders deconstructieve krachten zijn die bewust de democratie willen ontmantelen.

De onbenullige naïviteit van 1Twente Enschede valt uit de toon. Het legt er een eer zijn om een anti-democraat, racist en fascist een podium te bieden. Het lijkt hoognodig dat de redactie van 1Twente Enschede in de spiegel kijkt, beseft welke krachten het ondersteunt en in welke samenleving het opereert.

Vuistregel voor media en Tweede Kamer voor omgang met Baudet: Weerspreken als hij daardoor buiten eigen kring verzwakt wordt en anders negeren

Waar de commentator van WNL de uitspraak op baseert dat ‘steeds meer politici worstelen met de uitspraken van Thierry Baudet’ is onduidelijk. Er is geen onderzoek bekend waarin dat onderzocht wordt en deze uitspraak bevestigd wordt. Dit is nattevingerwerk-journalistiek. Hoe dit item past in de stellingname van WNL is eveneens onduidelijk. Opnieuw besteedt WNL aandacht aan Baudet.

De beste strategie om een radicale populist als Baudet, die zich steeds staatsondermijnender en extremistischer uitlaat, aan te pakken is om hem van repliek te dienen als daarvoor goede argumenten bondig en overtuigend gepresenteerd kunnen worden en hem in andere gevallen niet te noemen en geen aandacht te geven. Overigens is de steun voor Baudet al weggezakt en ondervindt hij buiten de eigen kring van hardliners nog nauwelijks waardering. Op radicaal-rechts heeft Geert Wilders het initiatief naar zich toegetrokken ten koste van Baudet.

Kortom, Baudet weerspreken als de inschatting is dat hij daardoor buiten eigen kring verzwakt wordt en negeren als hij niet verzwakt wordt.

Nederlandse media hebben te lang Baudet kritiekloos publiciteit gegeven. Daarbij moet wel gezegd worden dat Baudet de afgelopen jaren snel geradicaliseerd is en pas nu zijn ware aard voor iedereen duidelijk is. Hoewel ook dat de vraag is omdat Baudet zelf zijn eigen aard niet meer lijkt te kennen. Hij is een volksmenner die racistische meningen verkondigt en de rechtsstaat en democratie niet ondubbelzinnig steunt. 

Rassenwaan is het begrip waar Baudet klapwiekend en speels in terecht is gekomen zoals een eend aan het eind van de eendenkooi onvermijdelijk door de kooiker wordt opgevangen.

Sander Schimmelpenninck noemde Baudet in 2019 een fopintellectueel. Baudet zou nooit gecorrigeerd zijn, een groepje jaknikkers om zich heen verzameld hebben en daarom zo geworden zijn zoals hij is: narcistisch en verwaand. Baudet is van eind 2015 in de aanloop naar het Oekraïne-referendum tot 2019 nauwelijks tegengesproken in de media.

Recente reacties zoals die van Humberto Tan van oktober 2021 benadrukken dat die fase definitief voorbij is en Baudet nog weinig krediet heeft in media en samenleving. Baudet heeft zich door eigen toedoen in een doodlopende weg gemanoeuvreerd. 

Net als Trump in de VS heeft Baudet door free publicity van de algemene pers aandacht gekregen en is publicitair kunnen groeien. Om aantrekkelijk te blijven voor redacties moet hij radicaliseren en telkens zijn oude ‘ik’ overtoepen om interessant te blijven. Want een samenhangend programma heeft zijn partij niet. Dat overtoepen is een valkuil waar de radicaal uiteindelijk zelf invalt. Wie met extreme meningen steeds meer afstand neemt van steeds meer mensen verliest uiteindeljk de aansluiting met maatschappij en electoraat. Zoals we zullen zien is het nog een graadje erger omdat hij daarnaast ook afstand neemt van de partijpolitiek.

Baudet is het laatste jaar niet zozeer geradicaliseerd, maar geabsurdeerd om het te omschrijven met een Germanisme dat hem steeds beter past.

Ik ben het eens met Schimmelpenninck dat Baudet een nepintellectueel is die evenmin een goed politicus is. In 2015 heeft Baudet zelf gezegd dat hij geen aanleg en ambitie heeft om politicus te zijn. In de jaren daarna heeft hij dat keer op keer bewezen, maar toch gaat hij in tegenspraak daarmee door als leider van een politieke partij. Waarschijnlijk door gebrek aan alternatief. De politiek is nog zijn enige verdienmodel. Door zijn gedrag en extreme overtuiging zijn de journalistiek en wetenschap voor hem onbereikbaar geworden.

Baudet weet niet te kiezen tussen het inzetten op partijpolitiek of op metapolitiek. Of die verwarring schept hij bewust of gedachteloos over zichzelf. Dat laatste betekent in navolging van het Franse en Duitse Nieuw Rechts van de jaren 1960 en 1970 het willen beïnvloeden van de cultuur en de publieke opinie zonder partijpolitieke activiteiten. De tragiek van partijleider Thierry Baudet is dat hij zowel de intellectuele bagage én het prestige mist om succesvol metapolitiek te bedrijven als het talent voor het politieke handwerk mist.

Baudet zit tussen twee stoelen en voelt zich nergens comfortabel. Dat lijden is zijn existentieel ongemak waarmee hij zijn partij treft. Baudet heeft zijn partij hiermee besmet. Met zijn partij blijft hij sinds zijn Uil van Minerva-toespraak in 2019 waar hij inzette op metapolitiek waarmee hij afstand neemt van de partijpolitiek zwalken tussen de twee posities. Zonder dat zijn partij hem nog begrijpt en kan volgen. Waarbij het zoals gezegd de vraag is of Baudet zichzelf nog begrijpt.

Gedachte bij foto’s ‘Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957’

Wesselmann, Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957. Gepubliceerd in de Los Angeles Examiner. Collectie: University of Southern California.

De beschrijving van deze twee foto’s in de collectie van de University of Southern California is te interessant om niet volledig weer te geven: ‘Dutch refugees arrive in Los Angeles, 6 February 1957. General view of part of 80 refugees arrival in Los Angeles; Jacoba Dekrieger; Janna Dekrieger; Albertus Dekrieger.; Caption slip reads: “Photographer: Wesselmann. Date: 1957-02-06. Reporter: Decker. Assignment: Dutch refugees arrive in LA. 1: One of the Dutch families that arrived in L.A. this a.m. via Sante Fe’s El Capitan: L to R: The DeKrieger family, Sebus (mother), Janna, Albertus and Jacoba and Hendrick, husband and father. 2: General view of part of the 80 persons who arrived on the same train“. 

Wesselmann, Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957. Gepubliceerd in de Los Angeles Examiner. Collectie: University of Southern California.

Of de familie De Krieger degene is die in een genealogische pagina wordt beschreven is onduidelijk. Het betreft Jan Hendrik Willem de Krieger die in 1912 in Vlaardingen en zijn echtgenote Jacoba Sebus die in 1918 in Dordrecht werd geboren. Volgens het stadsarchief Rotterdam werd hij in 1927 op het opleidingsschip Nederlanden geplaatst, zodat het kan dat hij in de Nederlandse marine werd ingelijfd. Ze trouwden in 1937 in Dordrecht. Maar ze hebben niet 1, maar 3 kinderen. Dat Jacoba Sebus overleed in het Californische Pasadena in 2006 past in het plaatje. De beschrijving is wat verbasterd.

Wat kunnen in 1957 Nederlandse vluchtelingen zijn die via de trein uit Santa Fe, New Mexico in California terechtkomen? De Nederlandse regering had in die jaren een politiek om repatrianten uit voormalig Nederlands-Indië naar derde landen te laten emigreren. In een tweede golf vertrokken tijdens de jaren 1950-1957 ambtenaren, ordehandhavers en defensiepersoneel naar Nederland.

De man die Jan Hendrik Willem de Krieger kan zijn heeft een label van de CWS op zijn jas. Dat is de kerkelijk humanitaire Church World Service die vluchtelingen hielp. De Nederlandse overheid had in die jaren een samenwerking met de CWS met betrekking tot de uitvoering van de Pastore-Walter Act die in 1958 werd aangenomen. In de jaren daaraan voorafgaand pleitte de Democratische vertegenwoordiger Francis E. Walter voor verruiming van de emigratienormen uit Azië. In 1952 werd de McCarran-Walter Act aangenomen die dat tegen de zin in van president Truman mogelijk maakte.

Saillant is wat Wikipedia zegt over dat Amerikaanse toelatingsbeleid: ‘Men hoopte echter dat slechts 10% van deze Nederlandse vluchtelingen daadwerkelijk raciaal gemengde Indo’s zou zijn en de Amerikaanse ambassade in Den Haag was gefrustreerd over het feit dat Canada, dat strenger was in etnisch profileren, de volbloed Nederlanders kreeg en de VS de Nederlanders die “allemaal nogal zwaar donker” waren. Aan dit tafereel op het station in Los Angeles in 1957 valt dat niet af te lezen.

Humberto Tan dient Thierry Baudet van repliek

Tweet van Humberto Tan, 17 oktober 2021.

Thierry Baudet kreeg gisteren 17 oktober 2021 antwoord van Humberto Tan in diens wekelijkse programma Humberto op RTL4. Het ging over Aids waarover Baudet had gezegd dat het niet bestaat voor witte heretomannen omdat de kans dat een witte heteroman aids krijgt ‘0,000 procent‘ is.

RTL Nieuws geeft in een verslag de bijzonderheden en maakt er een sportcompetitie van als het zegt ‘Humberto pakt Baudet na aids-speech aan met krachtig statement‘.

Tans tekst luidt als volgt: ‘Goed, dus volgens Baudet zou het risico om aids te krijgen verwaarloosbaar zijn voor, zoals hij zegt, blanke heteromannen. Ik kan er cijfers bij halen van het aids-fonds en laten zien dat het kolder is wat hij zegt, maar daar gaat het niet om. Na de nazi-appjes, waardoor er scheuring kwam in zijn partij, het liegen over vriendinnen die in de trein zouden zijn aangevallen en onlangs nog over de holocaust, die hij tussen aanhalingstekens plaatste, alsof het niet echt zou bestaan, komt hij nu wéér met een verhaal dat de superioriteit van de blanke, heteromannen zou moeten onderstrepen. Daar gaat het Baudet om. De broers van Mark Rutte. De broer van Eberhard van der Laan. Míjn broer. Alle drie overleden aan de gevolgen van aids, net zoals zoveel mannen en vrouwen die zijn overleden aan aids. Maar Baudet vindt het nodig om al dat leed te bagatelliseren en te overgieten met een racistisch, homofoob sausje. Baudet, bedankt.

Het is opmerkelijk dat Tan Baudet zo hard van repliek dient. Doorgaans is de afweging van programmamakers om Baudet te negeren of hem zelfs alle ruimte te geven voor zijn racistische en homofobe praatjes zonder hem tegen te spreken of zelfs maar een vervolgvraag te stellen. In de afgelopen tijd deden Jort Kelder, Rick Nieman en Eva Jinek dat. Daar kregen ze kritiek op. De Nederlandse televisiejournalistiek zou ermee door de bodem zakken. Omgekeerd krijgt Tan nu lof voor zijn stevige reactie op Baudet.

De beste strategie om radicale populisten als Baudet aan te pakken is om ze genadeloos van repliek te dienen als daarvoor goede argumenten samenvattend gepresenteerd kunnen worden of ze in andere gevallen niet te noemen en geen aandacht te geven. De Nederlandse media hebben te lang Baudet kritiekloos publiciteit gegeven. Daarbij moet wel gezegd worden dat Baudet de afgelopen jaren snel geradicaliseerd is en pas nu zijn ware aard voor iedereen duidelijk is. Hij is een volksmenner die racistische meningen verkondigt en de rechtsstaat en de democratie niet ondubbelzinnig steunt. Rassenwaan is het begrip dat Baudet steeds beter past.

Sander Schimmelpenninck noemde Baudet in 2019 een fopintellectueel. Baudet zou nooit gecorrigeerd zijn, een groepje jaknikkers om zich heen verzameld hebben en daarom zo geworden zijn zoals hij is: narcistisch en verwaand. Baudet is van eind 2015 in de aanloop naar het Oekraïne-referendum tot 2019 nauwelijks tegengesproken in de media. De reactie van Humberto Tan benadrukt dat die fase definitief voorbij is en Baudet geen krediet meer heeft in media en samenleving. Baudet heeft zich door eigen toedoen in een doodlopende weg gemanoeuvreerd.

Ik ben het eens met Schimmelpenninck dat Baudet een nepintellectueel is die evenmin een goed politicus is. In 2015 heeft Baudet zelf gezegd dat hij geen aanleg en ambitie heeft om politicus te zijn. In de jaren daarna heeft hij dat keer op keer bewezen, maar toch gaat hij in tegenspraak daarmee door als leider van een politieke partij. Waarschijnlijk door gebrek aan een alternatief.

In een recent commentaar omschreef ik Baudet zo: ‘FvD weet met partijleider Baudet niet te kiezen tussen het inzetten op partijpolitiek of op metapolitiek. Dat laatste betekent in navolging van het Franse en Duitse Nieuw Rechts van de jaren 1960 en 1970 het willen beïnvloeden van de cultuur en de publieke opinie zonder partijpolitieke activiteiten. De tragiek van partijleider Thierry Baudet lijkt dat hij zowel de intellectuele bagage mist om succesvol metapolitiek te bedrijven als het talent voor het politieke handwerk ontbeert. Daarom blijft hij sinds zijn Uil van Minerva-toespraak in 2019 waar hij duidelijk inzette op metapolitiek zwalken tussen de twee posities zonder dat zijn partij hem nog begrijpt en kan volgen.’

Omdat Baudet zich in de afgelopen zes jaar niet heeft bewezen als gezaghebbend intellectueel of geslaagd politicus blijft voor hem weinig anders over dan als een kermiskoopman zijn kleine achterban van kermisklanten op te hitsen door ze steeds dwazere onwaarheden aan te prijzen.

Aandacht voor topsport is buitensporig. Het verbindt niet, maar verdeelt

Bukayo Saka, 19, was targeted with racist abuse after Sunday’s Euro 2020 loss. (Reuters/Carl Recine)

De claim dat topsport verbindt is een misverstand. Degenen die dat zeggen en verbinding naar voren brengen als kenmerk van topsport weten dat het onzin is, maar om commerciële en politieke redenen houden ze uit eigenbelang de claim in de lucht.

De Londense Metropolitan Police meldt vandaag volgens een bericht op Politico dat het ‘onderzoek deed naar de golven van online raciaal misbruik waarmee de zwarte spelers van het Engelse voetbalteam werden geconfronteerd nadat de ploeg door Italië was verslagen in de Euro 2020-finale’. Bukayo Saka, Marcus Rashford en Jadon Sancho, die allemaal zwart zijn, namen deel aan de strafschoppenserie die nodig was nadat de stand na 120 minuten wedstrijd gelijk was. Sindsdien zijn ze het slachtoffer van racistische scheldpartijen op hun sociale media-pagina’s.

Tweet van Londense politie, 12 juni 2021.

De claim over die verbinding maakt topsport belangrijker dan het feitelijk is en trekt geld aan. Omroepen die hun zendtijd rijkelijk vullen met uitzendingen van topsport werken er bewust aan mee om het misverstand in de lucht te houden. Ze geven zich over aan de gemakzucht. Zodat het misverstand in de beeldvorming nog sterker benadrukt wordt. Want omroepen hebben zich grotendeels afhankelijk gemaakt van de aanbieders van topsport. Ze larderen dat met ellenlange praatprogramma’s over sport die relatief makkelijk te maken zijn en niet veel kosten.

Zo tekent zich een bizarre samenklontering af van sportbobo’s, sportbemiddelaars, sportbonden, investeerders in topsport, politici die de nationale kaart trekken als er een sportprestatie geleverd wordt door de ‘eigen’ sporters, mediabedrijven die sport aanbieden, omroepen die topsport uitzenden en het publiek dat topsport in grote porties voorgeschoteld krijgt en geconditioneerd is om niet verder te vragen.

De politiek vindt de buitensporige aandacht voor topsport best omdat het de perfecte afleiding is van echte problemen die niet of slechts mondjesmaat aangepakt worden. Zoals de klimaatproblematiek, de pandemie, goed bestuur of evenwichtige eigendomsverhoudingen.

Van de aandacht voor topsport wordt gezegd dat het iets is ‘waarmee je het volk tevreden houdt’. Maar de waarheid is dat de Romeinse schrijver Juvenalis die de term brood en spelen (‘panem et circenses‘) bedacht het niet serieus, maar spottend bedoelde. Onze Taal zegt in een trefwoord hierover: ‘De keizers zorgden voor deze gratis spelen en dit gratis brood om het volk rustig te houden. Juvenalis gebruikte de term brood en spelen sarcastisch. Hij wilde ermee aangeven dat het Romeinse volk oogkleppen ophad voor het verval van het Romeinse Rijk. Zolang er maar brood werd uitgedeeld en spelen werden georganiseerd, was het volk tevreden, en keek het niet verder dan zijn neus lang was.

Het is merkwaardig dat de term brood en spelen ontdaan is van de spottende betekenis en tegenwoordig ver is afgedwaald van wat het ooit betekende. Het wordt als verdienste voorgesteld, maar dient om te verhullen. Dat is het gevolg van misleiding (‘sport verbindt’) en afleiding (‘het volk kijkt niet verder dan de neus lang is’).

Moeten we ons druk maken over de in ogen van sommigen onevenredige aandacht voor topsport in de media? Je kunt toch zeggen dat het volk uiteindelijk krijgt wat het verdient? Maar dat is te simpel bekeken omdat er geen echte keuze meer is. De rest is wegbezuinigd. Liefhebbers van sport die buiten de topsport valt, kunst, film of natuur worden in de media stiefmoederlijk bedeeld. Ze worden in de steek gelaten. Daar gaat het mis.

Het begin van een oplossing om te komen tot een evenredige aandacht voor topsport die niet zo buitensporig is als nu is het besef dat topsport niet verbindt, maar verdeelt. Wellicht kan men nog beweren dat aandacht voor topsport mensen in de eigen kring beter insluit, maar de keerzijde daarvan is dat het de verdeeldheid tussen groepen mensen vergroot. Topsport raakt aan de open zenuwen van een samenleving zoals de racistische uitingen van het Engelse voorbeeld illustreren.

Welke sport- of mediabobo wil daarmee geassocieerd worden in deze tijden waar de termen diversiteit en inclusie bekende begrippen zijn? Laten we ze ter verantwoording roepen door de claim dat sport verbindt door te prikken. Het sprookje heeft lang genoeg geduurd.

Joop vermengt feiten en meningen. Het ontwaart een ‘racistisch’ verbod van een badmuts

Schermafbeelding van deel artikelZwembond overweegt ‘racistisch’ verbod op afro-badmuts terug te draaien‘ op Joop, 5 juli 2021.

Toen ik de kop van dit artikel van Joop (VARA/BNN) las dacht ik dat het satire was. De Speld of The Onion

Waar bestaat een ‘racistisch’ verbod op een badmuts uit? De zogenaamde ‘Soul Cap’ die Britse zwemmers gebruiken. Dat Joop het ook niet zeker weet blijkt uit het verschil tussen de tekst en de verwijzing ernaar op FB. In de kop van de tekst wordt het begrip racistisch gerelativeerd door het tussen aanhalingstekens te zetten. Op FB doet Joop dat niet. Wat is het, Joop? 

Na lezing van het artikel weet ik dat de vorm van de badmust niet zozeer slechts zijdelings met racisme te maken heeft, maar wel met onevenwichtige verslaggeving en stemmingmakerij. Joop zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op. 

Joop maakt er een journalistieke warboel van door feiten en meningen te vermengen. Dat is opinie noch een feitelijk verslag. Het is een hybride en hysterische vorm van gestook.

De kern van het debat over de ‘Soul Cap‘ gaat om iets dat Joop niet uit de internationale media overneemt. Want daar baseert het zich duidelijk op en ontleent argumenten aan. Namelijk het gebruik van materiaal in de topsport dat aan strenge voorwaarden dient te voldoen omdat het door innovatie of veranderingen atleten voordeel kan opleveren.

De sportwereld is per definitie conservatief om veranderingen door te voeren. Denk aan de klapschaats of het gewicht of de stroomlijn van fietsen of Formule-1 racewagens. Consensus is dat veranderingen tijdig aangekondigd moeten worden zodat alle atleten zich erop voor kunnen bereiden om er desgewenst gebruik van te maken. Het is kort dag om de ‘Soul Cap‘ nog voor de Olympische Spelen in Tokio door te voeren die al op 23 juli 2021 beginnen. Bij de internationale zwembond FINA zijn 209 landen aangesloten.

Wat doet Joop? Het kiest selectief uit de argumenten en overwegingen die de internationale media opsommen en slaat automatisch aan op de termen inclusie en diversiteit. Dat is een aangeleerde Pavlovreactie als er ook maar een suggestie van achterstelling aan de horizon wordt verondersteld.

Internationale media als USA Today en The Guardian hebben verslag gedaan van de overwegingen van de FINA over genoemde badmuts. Maar geen van deze media noemt een verbod racistisch of ‘racistisch’. Ze sommen de nadelen op voor zwarte atleten die het moeten doen met de traditionele badmuts die hun Afro-kapsel niet kan bergen. Maar geen ervan zegt met zoveel woorden dat dat nadeel een gevolg van een racistisch verbod is. Dat is een bespreekpunt dat vooral in het hoofd van Joop en de Joop-gezinden bestaat.

Amerikaans neofascisme: Er dreigt gevaar van een burgeroorlog die door QAnon en conservatieve kerken wordt voorbereid

Schermafbeelding van deel artikelWe knew QAnon is anti-Semitic. Now we know it’s racist, too’ van Mia Bloom op The Bulletin, 5 juli 2021.

De titel van het artikel van Mia Bloom suggereert dat antisemitisme geen racisme is. Het gaat over QAnon waarvan Bloom al het vermoeden had dat het antisemitisch was. Deze beweging stelt dat de wereld wordt gerund door een kliek van pedofielen die kinderen doden en hun bloed drinken. Volgens QAnon is Donald Trump de persoon die deze kliek gaat ontmaskeren.

QAnon heeft als grootste politieke tegenstrevers Black Lives Matter, dat opkomt voor de rechten van zwarten en zich keert tegen het politiegeweld tegen etnische minderheden, en de zogenaamde antifa (anti-fascistische) groeperingen. QAnon kan op het eerste gezicht niet anders dan neofascistisch genoemd worden met als neofascistische leider Donald Trump.

Wat zich aftekent is een samenklontering van nationalistische witte racistische groeperingen, ofwel de vertegenwoordigers van white supremacy, die verenigd door de krankzinnige QAnon-samenzweringstheorie, een Amerikaanse neofascistische beweging vormen. De sekte van het geloof in Donald Trump snijdt rationalisering af en maakt gelovigen onbereikbaar voor dialoog.

De neofascisten bereiden zich voor op een burgeroorlog. Ze zijn zelfs met steun van de achterban van de Republikeinse partij niet in de meerderheid en hebben dus niet de stemmen, maar wel de wapens, de organisatie en de wil om een opstand te beginnen en de Amerikaanse democratie omver te werpen. Dat gevaar dat aan de oppervlakte kwam op 6 januari 2021 met de bestorming van het Capitool is nog niet geweken. Velen verwachten dat zoiets zich zal herhalen en dan mogelijk succesvol is.

Binnen de Amerikaanse bevolking bestaat volgens een onderzoek een minderheid van 26% die zich kwalificeert als ‘zeer rechts autoritair’. Binnen de Republikeinse partij steunt 39% volgens een ander onderzoek ‘Amerikanen die gewelddadige acties ondernemen als gekozen leiders niet in actie komen’. De retoriek van een falende politiek wordt dagelijks via rechtse omroepen, opruiende sociale media en conservatieve kerken verspreid. Omdat meer dan 74 miljoen Amerikanen op Trump stemden gaat het om 29 miljoen Amerikanen die een opstand tegen de democratie in principe steunen.

De rol van religie als toeleverancier voor volgelingen is in de QAnon-beweging groot. Religie is in potentie een gevaarlijke negatieve kracht omdat de VS een religieus land is waar de rol van religie onvergelijkbaar is met West-Europese landen als Nederland. De verschillende godsdiensten bieden als het ware hun volgelingen op een gouden schaaltje aan aan de complotdenkers van QAnon. Denk aan orthodoxe joden en witte evangelicals die zich makkelijk laten rekruteren.

Doordat deze witte evangelicals zich laten kennen als de grootste aanhangers van de QAnon beweging ontstaat er een wereldwijd sneeuwbaleffect. Want zoals hun naam zegt hebben ze niet als doel om hun geloof door contemplatie te verdiepen, maar door evangelisatie de blijde boodschap van het christendom te verspreiden.

In dat proces van christelijke zending verspreiden ze door fysieke aanwezigheid ter plekke of via internet ook de complottheorieën van QAnon over een joodse kliek van wereldleiders, progressieven en Democraten die het bloed van kinderen drinken. De Amerikaanse zending heeft macht, geld en prestige om anderen in ontwikkelingslanden deze overtuiging op te leggen. Met als gevolg dat de neofascistische revolutie én misleiding via religieuze organisaties over de wereld verspreid wordt.

Dat gebeurt ook binnenlands als slecht opgeleide en geïnformeerde Amerikanen in een economische achterstandspositie en met een grote religieuze ontvankelijkheid aangesproken worden door de cocktail van christelijke blijde boodschap die vermengd is met QAnon samenzweringstheorieën. Het schrijnende is dat vooral Afro-Amerikanen zich laten aanspreken door een theorie die tegen hun belang, menswaardigheid en bestaan ingaat. Zij zullen de slachtoffers zijn van de burgeroorlog die QAnon propageert en zich keert tegen alle Democraten, progressieven en niet witte Amerikanen. Joden incluis.

Debat over slavernijverleden is pas zinvol als het door hele bevolking gevoerd wordt en niet in de eerste plaats door politieke activisten

Schermafbeelding van deel artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘ in het AD, 2 juli 2021.

Er is in vele landen vanuit gematigd linkse kringen kritiek op radicaal-links dat met identiteitspolitiek, cancel culture, wokeness en politiek correct denken van oorsprong linkse kiezers naar rechts jaagt. In de VS wijst de Democratische strateeg James Carville op het gevaar de traditionele achterban van Blue collar kiezers (= arbeiders) te verliezen. Dat denken zou het failliet bevestigen van links en radicaal-rechts in de kaart spelen. Zijn idee is dat er een kantelpunt bestaat dat als de wokeness binnen linkse partijen toeneemt de aantrekkingskracht van een breed publiek voor links afneemt.

Een nieuw netelig onderwerp in dit politieke debat is het slavernijverleden waarvoor stad en land excuses zouden moeten aanbieden. Voor welk probleem dat een oplossing biedt is de vraag. Opinieleiders uit radicaal-linkse kringen proberen elkaar de loef af te steken in politieke correctheid. Het is hun optimale kans om zich tegenover elkaar te profileren. De samenleving heeft daar echter weinig aan want, zoals gezegd, dat gaat niet ongestraft. Voor traditioneel links kan het zelfs de doodsteek betekenen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat het terecht is om te erkennen dat slavernij een zwarte bladzijde in de vaderlandse geschiedenis is geweest. Het was beter geweest als het nooit had bestaan. Het heeft velen onnoemelijk leed gebracht. Die erkenning moet breed uitgedragen worden.

Maar het aanbieden van excuses gaat een stap verder. Zeker als nog niet omschreven is hoe zich dat verhoudt tot schadevergoeding voor de verre nazaten van de slachtoffers van de slavernij, het herschrijven en dekoloniseren van de geschiedenis, het verwijderen van standbeelden van vaderlandse admiraals en bestuurders en het hernoemen van straten en instellingen omdat ze zouden verwijzen naar een besmette naam.

Het is een kluwen van aspecten die samenhangen en waarvan onduidelijk is wat nou wat is. Ze vormen samen de lagen van de taart. Het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden van Nederland is de kers op de taart. Een taart waarvan onduidelijk is wat er precies inziten hoe die gemaakt is. Voordat excuses aangeboden worden dient duidelijk omschreven te worden wat de aspecten zijn.

Ook moet opgepast worden dat hedendaags racisme niet vermengd wordt met het slavernijverleden van bijna 150 jaar geleden en ouder. In 1873 kwam officieel een eind aan de slavernij in Nederland toen het verboden werd. Het gevaar is dat het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden in de plaats komt van de bestrijding van hedendaags racisme op arbeidsmarkt, sociale huisvesting en in de samenleving in algemene zin. Dat is een oneigenlijk gebruik van excuses.

Nodig is een brede maatschappelijke discussie waar vertegenwoordigers van de hele bevolking aan deelnemen. Voor de acceptatie en sociale cohesie is het niet zinvol dat een groep activisten anderen een mening opdringt. Hoewel ze wel het debat kunnen helpen voorbereiden door de feiten boven water te halen en in het debat in te brengen. Maar ze zouden er door politieke en publicitaire druk in hun eentjes niet over moeten kunnen beslissen. Daar lijkt het nu op uit te draaien.

Het zou als uiterste sanctie geen taboe moeten zijn om de namen van de meest kwaadaardige personen uit het slavernijverleden die het meeste kwaad hebben aangericht uit de openbaarheid te verwijderen. Zonder dat ze uit de geschiedenis verdwijnen of wat nog erger is de geschiedenis herschreven wordt door hun uitwissing. Uitsluitend ter zake kundige historici zouden na gedegen onderzoek hier een voorstel voor moeten doen.

Maar laat het evenmin een automatisme zijn dat alle historische personen die in verband worden gebracht met slavernij en handel in slaven gecanceld moeten worden. Of dat standbeelden en straatnamen die hun naam hebben gekregen om politieke redenen hernoemd zouden moeten worden. Een ‘bijschrift’ kan de kwalijke kanten belichten van genoemde personen. Het is ongewenst én onmogelijk om met de bril van nu naar 1650, 1750 of 1850 te kijken.

Schermafbeelding van tussenstand van poll in het AD bij het artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘, 2 juli 2021.

Aanleiding voor mijn zorgen over een ver doorgeschoten identiteitspolitiek die uiteindelijk traditioneel links electoraal beschadigt is een enquête in het AD. Een krant die door vele ‘doorsnee’ Nederlanders geraadpleegd wordt. De respondenten vinden in grote meerderheid dat de gemeente Utrecht geen excuses aan moet bieden voor het slavernijverleden. Het valt niet te verwachten dat ze representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, maar desalniettemin geeft de stemming aan dat er tegenstand is tegen het aanbieden van excuses. Dat kan niet lichtvaardig. Als het gebeurt, dan moet het goed voorbereid, uitgelegd en afgebakend worden.

Kunstenaars roepen op subsidie te stoppen van Centrum voor Chinese hedendaagse kunst (CFCCA) in Manchester dat racistisch ‘wit’ zou zijn

Artist Residency Studio during an open studio session. Photo by Arthur Siuksta. Credits: CFCCA, Manchester.

Identiteitspolitiek in de kunst biedt voor allen opties om stelling te nemen. Voor of tegen. Identiteitspolitiek gaat onlosmakelijk samen met beschuldigingen. Tegen de aantijging ‘racisme’ is geen verdediging mogelijk als de beschuldiging niet omschreven, laat staan onderbouwd wordt. In de praktijk wordt de beschuldiging nonchalant tegen de muur gegooid en overgenomen door sociale media. Dat is doorgaans voldoende om in de publiciteit de zaak te winnen en een beschuldigd individu of instelling te beschadigen of zelfs uit de kunstsector te verbannen.

Nuance wordt niet gezocht, verbinding wordt uitgesloten, verschillen mogen niet bestaan en intolerantie is immens. De identiteit van de kunstenaar verdringt de identiteit van de kunst.

Neem het geval in het Engelse Manchester van het Centre for Chinese Contemporary Art (CFCCA). In september 2020 heeft de CFCCA zeven kunstenaars benoemd tot lid van een werkgroep om kwesties rond gelijkheid en inclusie aan te pakken. De instelling heeft vele beleidsstukken geproduceerd over deze aspecten. De zeven kunstenaars met Chinese wortels beschuldigen nu in een open brief deze instelling van racisme. Of erger nog ‘institutioneel racisme’. Wat ze eronder verstaan is onduidelijk. Ze preciseren niet wat hun opvatting van racisme is.

Ook roepen de kunstenaars de subsidiegever op om de subsidie in te trekken. Dat is feitelijk een oproep om het bestaan ervan te beëindigen. Zie hier een artikel in The Guardian voor de details.

Identiteitspolitiek bijt steeds vaker in de eigen staart. Een feminist hoeft geen vrouw te zijn, iemand die opkomt voor een etnische of seksuele minderheid hoeft geen lid van die minderheid te zijn en iemand die opkomt voor de Chinese zaak hoeft niet van Chinese afkomst te zijn. Ofschoon de meest radicale actievoerders daar anders over denken. Ze menen in hun denken dat opvallend overeenkomt met de uitgangspunten van de historische apartheid dat grenzen tussen groepen niet vloeiend zijn en groepen zich niet moeten en kunnen vermengen.

Het lijkt er sterk op dat deze zeven kunstenaars het feit dat witte mensen het management van het CFCCA vormen al een blijk van racisme vinden. Terwijl het vermoedelijk eerder een gevolg van een traditionele kunstpolitiek is in een land waar een witte meerderheid het eeuwenlang voor het zeggen heeft gehad. Dat sijpelt door in de kunsten. Dát moet hervormd worden om de kunst bij de tijd te brengen, zonder dat grove middelen als de beschuldiging van racisme ingezet hoeven te worden. Die overigens de emancipatie van minderheden eerder vertragen dan versnellen. Hoewel enige politieke druk de verandering kan dienen. Maar onredelijke druk roept weerstand op en leidt af van de zaak.

Juist daarom is de vraag wat de intentie van activisten is. Wat willen ze bereiken? Als de emancipatie van de groep waarvoor ze zeggen te spreken de hoofdzaak is, dan valt te betwijfelen of ze de meest doelmatige methode gebruiken om die emancipatie dichterbij te brengen.

De gevoeligheden zijn groot. De tenen zijn erg lang. Ineens gaat het niet meer over kunst, maar over de identiteit van de kunst. En ineens gaat het zelfs niet meer over de identiteit van de kunst, maar over de identiteit van de kunstenaars.

Net zoals beleidsmakers kunst voor hun karretje willen spannen als ze plannen laten maken over stedelijke ontwikkeling, stadspromotie, emancipatie, sociale cohesie, propaganda, vercommercialisering en alle verschijningsvormen die kunst niet als autonoom erkent zo spannen de doorgaans links-radicale kunstenaars, pseudo-kunstenaars, studenten of beroepsactivisten kunst voor hun karretje. Ze eigenen zich de kunst toe alsof ze er eenzijdig het laatste woord over hebben.

Beleidsmakers die de status quo vertegenwoordigen en activisten die de status quo willen wijzigen zijn twee kanten van dezelfde medaille. De politisering van de kunst door links-radicale activisten is even ongewenst als de aanwending van kunst als politiek instrument door beleidsmakers.

Hoewel de negatieve effecten van de identiteitspolitiek in de kunst doorsijpelen in de publieke opinie doen de media daar terughoudend verslag van. Dat verlengt de grip van de activisten op de kunst en is ongewenst. Mede omdat het indirect een vrijbrief geeft aan de beleidsmakers om de autonome positie van de kunst verder uit te kleden. Het beschadigt de positie van de kunst van twee kanten.