George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Publieke ruimte

Beeldspraak die de verwijdering van graffiti uitdaagt, bevat een onderliggende laag die het ontslag van publieke personen uitlokt

leave a comment »

Rob Ford was de controversiële burgemeester van het Canadese Toronto en voerde campagne tegen graffiti. In 2014 trad hij wegens ziekte terug. Het onderschrift bij deze afbeelding luidt: ‘April 2011: Toronto Street Artist response to Toronto Mayor Rod Ford’s ‘War on Graffiti”. First Published in NOW Magazine April 21, 2011. Also BlogTo and Toronto Life’. Vorm en inhoud vallen samen. De muurkladderij of schuttingkunst suggereert dat Ford om zijn verwijdering, eliminatie of ontslag vraagt. Van zowel de afbeelding als van hem uit zijn functie.

Dit opent via een omkering van deze geschiedenis met Ford mogelijkheden voor graffiti in de publieke ruimte. Op muren van straten en pleinen. Een karakteristieke kop van een publieke persoon met daaronder een korte tekst die oproept tot verwijdering van de afbeelding, maar feitelijk om de verwijdering van genoemde persoon uit zijn of haar functie vraagt. ‘Verwijder me’, ‘veeg me weg’ of ‘haal me weg’. Bij publieke personen die gaan voor een restrictief migratiebeleid kan dat gethematiseerd worden door het onderschrift: ‘reinig me’ of ‘maak me schoon’. De varianten zijn oneindig. Wat te denken van religieuze leiders met het onderschrift ‘fatsoeneer me’? Voor publieke figuren uit het lichte genre kan het onderschrift luiden: ‘doek me op’. Wat te denken bij mafiabazen: ‘ruim me uit de weg’ of ‘elimineer me’? Met de T-Ford begon ooit de lopende band-productie van automobielen, met Rob Ford kondigt zich de dubbele roep tot verwijdering via graffiti uit functies aan.

Foto 1: Martin Reis, ‘Remove Me (by Eryn Hill)’.

Foto 2: ‘TORONTO MAYOR INSPIRED GRAFFITI’.

Advertenties

Written by George Knight

26 april 2019 at 17:21

Schriftelijke vragen van de Haagse Partij van de Eenheid over ‘onderzoek naar haalbaarheid Halalstrand’ staan niet geregistreerd

with 3 comments

In deze tweet van 18 april 2019 suggereert Arnoud van Doorn van de Partij van de Eenheid in de Haagse gemeenteraad dat hij vragen stelt over de haalbaarheid van een ‘Halalstrand’. Zijn tekst die als datum 18 april heeft begint zo: ‘In overeenstemming met het Reglement van orde heeft de Partij van de Eenheid de volgende vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad’ waarna de zin abrupt eindigt en er vijf vragen volgen. Wat levert de invuloefening na ‘gemeenteraad‘ op? Heeft deze partij de vragen gesteld, niet gesteld, ingeslikt, ingediend of gedroomd? Uit het overzicht van de gemeente Den Haag (stand 23 april, 18.30 uur) blijkt de Partij van de Eenheid in de maand april geen enkele schriftelijke vraag gesteld te hebben. Dus evenmin over de haalbaarheid van het ‘Halalstrand’ waar de media uitgebreid aandacht aan hebben besteed. In welke vorm heeft Van Doorn zijn ‘Schriftelijke vragen’ ingediend bij de griffie als het niet als ‘Schriftelijke vragen’ is? Mijn inhoudelijke reactie op het ‘verzoek onderzoek naar haalbaarheid Halalstrand‘ van de Partij van de Eenheid:

Hoe zinvol is het om je af te zetten tegen ongepaste kleding van anderen in de publieke ruimte? Iedereen ergert zich wel ergens aan of voelt zich ergens wel eens onprettig bij: naakt, bedekt, frivool, zedig, boers, stedelijk, formeel, hip, hedendaags, ouderwets. Het gaat ver om daar gevolgen aan te verbinden en aan te sturen op maatregelen en verboden. Zo beredeneerd voelt iedereen zich wel onprettig bij een specifiek soort kleding en moet voor elke subgroep een uitzondering gemaakt worden.

Dat leidt tot een ingewikkelde, onwerkbare en onhaalbare herverkaveling van de publieke ruimte. Want hoe ziet Van Doorn dit in de praktijk voor ogen? Er zijn honderden religies met vaak strikte kledingvoorschriften. Hoe kan er een regeling getroffen worden die zowel deze gelovigen als de secularisten die gaan voor gelijkheid van religies en levensovertuigingen tevreden stelt? Dat is onmogelijk omdat de publieke ruimte niet tegelijk neutraal en niet-neutraal kan zijn.

Gelovigen hebben in theorie evenveel rechten binnen de Nederlandse rechtsstaat als iedereen. Niet meer en niet minder. Sinds de jaren ’70 (vdve) hebben maatschappelijke ontwikkelingen ervoor gezorgd dat de voorrechten van de christelijke gelovigen geleidelijk zijn afgenomen. Voor de duidelijkheid: hun voorrechten, niet hun rechten want die zijn gegarandeerd Dat is een gewenste beweging naar de optimalisering van de rechten van iedereen. Het voorstel van Van Doorn is in strijd met deze ontwikkeling en een stap terug in de tijd.

Wat Van Doorn zegt heeft te maken met de spanning tussen gemeenschap en individu. Er klinken stemmen die beweren dat de individualisering sinds de jaren ’90 (vdve) te ver is doorgeslagen ten koste van een gemeenschapsgevoel. Ieder voor zich. Het individu als los zand. Er klinken ook stemmen die zeggen dat gelovigen (vooral vrouwen) in bepaalde religieuze gemeenschappen gevangen worden gehouden en de gemeenschap verhindert dat ze hun individualiteit kunnen belijden. Het is allebei waar. Van Doorn denkt in groepen en gemeenschappen en zijn critici denken in individuen.

Gewenst is dat vooral vrouwen in Nederland niet langer in religies of levensbeschouwelijke systemen worden opgesloten en bevrijd worden. Tegelijk is het gewenst dat individuen die zich totaal van de gemeenschap afgekeerd hebben daarnaar terugkeren en zich weer gaan bekommeren om de samenleving die meer is dan geld, carrière en de eigen directe omgeving. Zodat ze hun maatschappelijke plichten niet langer verzaken.

Het is geven en nemen. Als mensen zich op eigen initiatief en uit eigen vrije wil willen afzonderen, dan moet daar niet moeilijk over worden gedaan. Dat moet soepel kunnen. Laat ze maar bij elkaar op het strand of in het park gaan zitten. Maar zoiets kan wettelijk niet met regelgeving opgelegd en afgedwongen worden zoals Van Doorn voorstelt. Dat gaat ook voorbij aan de emancipatie die belangrijker is dan de apartheid die hij nastreeft en die de emancipatie niet bevordert, maar juist blokkeert.

Foto: Tweet van Arnoud van Doorn (Partij van de Eenheid), 18 april 2019.

Petitie ‘Behoud van Street Art gevel’ pleit voor schildering van vis op gevel in Antwerpen. Omgevingsvergunning ervoor is geweigerd

with 3 comments

De petitie ‘Behoud van Street Art gevel’ vraagt om steun voor een muurschildering in de Sint-Elisabethstraat te Antwerpen-Noord. De eigenaar had geen omgevingsvergunning aangevraagd. De aanvraag om die alsnog te verlenen werd door de gemeente Antwerpen geweigerd. Nu moet de schildering van Joachim Lambrechts dus verwijderd worden van de gevel. Hij heeft er op 11 januari de volgende vis aan toegevoegd:

De reacties bij de petitie spreken boekdelen. Zoals Dieter Ohler: ‘Kunst is van essentieel belang. Gooi ons niet terug naar de middeleeuwen maar bescherm mensen die zich inzetten hiervoor, en gebouwen die drager zijn. Wat is het volgende? Historische gebouwen afbreken? Heb kloten aan uw lijf en bewijs dat cultuur voor dit bestuur belangrijk is.’ Maar gaat het hier wel om kunst? En doet het er iets toe of het om kunst gaat? Dennis Leys maakt een ander onderscheid en merkt op: ‘Ik teken omdat er een verschil is tussen graffiti en streetart. Dit werk heeft een duidelijke meerwaarde voor de straat en buurt.’ Pieter Linders: ‘Ik begrijp dat niet iedereen zomaar wat met zijn gevel kan doen, zeker in straten met een harmonieuze bouwstijl. Maar in deze buurt met allerlei gevelafwerkingen, verloedering, … en ook vele voedingszaken en viswinkels is deze gevelschildering geen storend element, maar een lichtpunt. Of een startpunt, wanneer komen er nog gevels aan de beurt?

Gerdi Cracco zet de museumschildering af tegen museumkunst: ‘Street art een belangrijk expressiemiddel vind dat de niet museumgaande burger confronteert met kunst en emotie.’ Riet van der Plas verwoordt een breder gedeeld gevoel: ‘Ik vind het niet aan een gemeente om te oordelen over de kleur/ het ontwerp van je gevel.’ Viviane Cammers trekt de uiterste consequentie uit de geweigerde omgevingsvergunning: ‘Ik vind dat iedereen het recht heeft om op zijn/haar huis te tekenen wat hij/zij wilt , ik vind het echt prachtig’.

In deze kwestie lijkt van alles samen te komen nadat het eerst in de blender is gemixt. Waaronder een hoop misverstanden en irrelevanties. De klare lijn tussen vrijheid, democratie en anarchie wordt troebel. ‘Ik teken omdat kunst subjectief is en dat nooit zou mogen zijn dat een iemand hierover beslist’, zegt Karen Bertels. Wilbert Huigens reduceert democratie tot de wil van het volk: ‘Democratie is luisteren naar het volk’. Een werkelijk onnavolgbare reactie is van de Nederlander Juup de Boer: ‘Nederland steeds saaier wordt’.

Er lijkt met de muurschildering niks mis. Maar het moet wel in de omgeving passen. De plek maakt het verschil. In een winkelstraat lijkt de vis van Joachim goed te passen. Uiteraard kan het niet zo zijn dat alles vrij wordt gelaten zoals sommigen wensen. Want waar ligt dan de grens? Denk aan twee voorbeelden. Te weten het oranje gebouw van Studio Thonik (Thomas Widdershoven) dat vanwege de kleur voor overlast van de omwonenden zorgde en overgeschilderd moest worden. Of denk aan afbeeldingen met een politiek of seksueel geladen karakter waaraan mensen met een bepaalde achtergrond zich kunnen storen. Als de straat een arena wordt waar op gevels tegengestelde meningen de strijdpunten zijn, dan is het gedaan met een neutrale openbare ruimte. Of een openbare ruimte die door velen nog als neutraal kan worden ervaren.

Het oprukken van de commercie met licht- en gevelreclames zet de neutraliteit van de openbare ruimte in steden toch al danig onder druk. Schoonheids- of welzijnscommissies zouden daar veel actiever in kunnen opereren, in die zin dat ze het straatbeeld beter beschermen en schoonhouden van platte commercie. Maar dat gebeurt niet. In het voorbeeld uit Antwerpen zou een schoonheidscommissie die over de omgevingsvergunning gaat positief kunnen adviseren over de schildering van de vis, maar negatief over de wanstaltige reclame daaronder die in sfeer, kleur en stijl totaal niet aansluit bij de muurschildering van de vis.

Foto 1: Schermafbeelding van petitieBehoud van Street Art gevel’ van Katleen Linders op Petities24.com, 12 januari 2019.

Foto 2: Joachim (Lambrechts), Sketching. ‘The Fisherman’

Theaterstuk Dries Verhoeven op Utrechts plein roept vraag op van wie de openbare ruimte is. Van private partijen of de samenleving?

leave a comment »

Theaterstuk Sic transit gloria mundi van Dries Verhoeven was tot gisteren te zien op het Neude, een plein in het centrum van Utrecht. In het kader van SPRING Performing Arts Festival. Bovenstaand artikel op DUIC (De Utrechtse Internet Courant) citeert critici. Voorzitter Rien van den Hoek van ondernemersvereniging Stadhuiskwartier zegt onder meer het volgende: ‘Wat kunst is, is vooreen iedereen natuurlijk anders, maar om de Neude volledig af te sluiten en om te bouwen met een spaanplaat hekwerk gaat ons wat ver.’ Dat is de traditionele reflex op kunst. Schijnbaar inschikkelijk, maar feitelijk afwijzend. Kunst mag, maar moet het niet te gek maken. Kunstuitingen dienen zich te plooien naar de bovenliggende partij en niet de strijd aangaan met gevestigde belangen. Aldus de horecaondernemers aan het plein. Verhoevens reactie is duidelijk: ‘Ik heb verder geen mening over het reilen en zeilen van een horecaondernemer. Ik kan me goed voorstellen dat er mensen zijn die vaker kunst op de Neude zouden willen zien dan alleen terrassen’. Mijn reactie bij dit artikel:

Als het aan de ondernemers ligt wordt de hele openbare ruimte in het centrum van Utrecht geprivatiseerd en omgebouwd tot terras voor de horeca. Geflankeerd door trottoirs vol schots en scheef staande fietsen waar het gemeentebestuur van Utrecht nauwelijks meer handhaaft. Deze glijdende schaal van relatieve verslonzing zegt dat als de gemeente eenmaal de controle verliest, de sterkst georganiseerde partijen daar misbruik van maken. En de openbare ruimte straffeloos innemen. Ten koste van de inwoners van Utrecht.

Hoe anders is het in volwassen steden waar pleinen ook gewoon pleinen mogen zijn en deel uitmaken van de openbare ruimte. Pleinen die dus niet geprivatiseerd zijn en ingenomen door de horeca. Door zijn ligging en vorm is het Neude een bestemming die uitermate geschikt is voor openbare manifestaties en aan kan sluiten als locatie voor de festivals in Utrecht.

Kortom, de horeca-ondernemers redeneren dat hun glas halfleeg is, maar ze zouden beter de zegenen van een halfvol glas kunnen tellen. Als de Utrechtse raad verstandig is en de bestemming van de openbare ruimte in het centrum eens serieus neemt, dan pakt het door en bestemt het het Neude en de andere pleinen in het centrum als openbare ruimte die per definitie niet geprivatiseerd kan worden. Dat moet in een links college toch mogelijk zijn?

Overigens: De stad Utrecht mag blij zijn dat zo’n goede en ambitieuze theatermaker als Dries Verhoeven hier zijn thuisbasis heeft. Het is trouwens wachten op zijn volgende project die hem door de protesterende ondernemers in de schoot is geworpen: het Neude als een gigantisch terras waar volop gegeten, gedronken, gepraat, gekoesterd en voor diensten en goederen betaald wordt. Titel: De Afrekening.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelOndernemers ontstemd over bouwplaats op de Neude dat kunstwerk blijkt te zijn’ op DUIC, 14 mei 2018.

Foto 2: Beeld van theaterstuk Sic transit gloria mundi van Dries Verhoeven, 17 tot en met 26 mei 2018 op het Neude, Utrecht. Te zien vanuit een container met overzicht over het bouw- en/of theaterterrein. Credits: Lydia van Oosten, 18 mei 2018.

Brechtiaans leerstuk over kunstproject ’11 Friese Fonteinen’

leave a comment »

Een project over kunst in de openbare ruimte is een ding, maar een film erover is iets anders. Het gaat om de film ‘11 Friese Fonteinen’ die ook als 3-delige documentaireserie ‘11 Friese Fonteinen’ door de NTR vanaf zondag 20 mei wordt uitgezonden op NPO2. Regisseur is Roel van Dalen en producent is Pieter van Huystee.

Bij het zien van het eerste deel kreeg bij mij het gevoel de overhand dat ik dit niet wilde zien, maar het toch wilde zien om te weten te komen waarom ik het ook al weer niet wilde zien. Deze film is de spreekwoordelijke worst van de slager van wie ook niemand wil weten hoe die gemaakt wordt omdat het te smerig is om te zien. Dat lag niet alleen aan de epische vorm met de cabaretier Jan Jaap van der Wal die in deze film verdwaald leek te zijn en als een zelfverklaarde stijlbreuk fietsend en onstage commentaar gaf zoals een dominee de wereld en het opperwezen uitlegt, maar ook aan de werking van de kunstsector. En daar wordt het toch interessant.

Centrale figuur is beroepscurator Anna Tilroe die niet anders dan een gemengd gevoel van medelijden, consideratie en boosheid kan oproepen. Waar eindigt haar verwaandheid en begint de dwarse miskenning van de Friezen die zich zo schromelijk tekort gedaan voelen? Tilroe’s rol is ook een onmogelijke en ondankbare. Iemand moet het doen. In de bijrollen treden onder meer autoriteiten op onder wie een burgemeester van Harlingen die zich bemoeit met de plaatsing van de fontein in zijn gemeente, kunstenaars die een plek voor hun fontein moeten zoeken en met bewoners in debat gaan en lokale kunstcommissies vol kritische en mondige burgers die niet altijd het idee geven dat hun oordeel bezonnen en onderbouwd tot stand komt.

In NRC noemt media-commentator Arjen Fortuin de film in een recensie een tragikomedie. Hij zegt: ‘een film die tegelijk een tragedie, een komedie, een bestuurskundig traktaat en absurdistisch meesterstuk is.’ Dat is wellicht iets te modieus vertaald en kan specifieker geformuleerd worden zonder aan de essentie van de film voorbij te gaan. De film kan opgevat worden als een Brechtiaans leerstuk dat bedoeld is als voorbeeld voor een toekomstig kunstbeleid. Niet serieus, maar luchthartig bedoeld. Van der Wals interventies wijzen daarop en hebben als functie om de illusie van realiteit te doorbreken. Zowel de realiteit van een klassieke registratie van gebeurtenissen als die van een weerbarstig, stijfkoppig kunstproject. Roel van Dalen thematiseert zo de inhoud door de vorm. Vervreemding van een in Friesland door buitenstaanders geparachuteerd kunstproject.

Zie hier voor informatie over het project ’11 fountains/ 11 fonteinen

Petitie ‘Het creëeren van stilteruimte op Haagse Hogeschool’ is een slecht idee. Hoofddoek vs. vergiet, hipsterbaard vs. vlasbaardje?

leave a comment »

Met de wetmatigheid waarmee in de herfst bladeren van bomen vallen, in de lente de krokussen bloeien en in de zomer de kraaien van het dak vallen, doen moslimstudenten aan Nederlandse hogescholen verzoeken voor een gebedsruimte op hun school. Zoals een recente petitie van moslimstudenten aan de Haagse Hogeschool.

Over een zelfde soort petitie bij dezelfde hogeschool in 2016 schreef ik in een commentaar het volgende: ‘Het verzoek om een gebedsruimte (verhullend stilteruimte genoemd) voor ‘religieuze studenten’ in te richten op een openbare, niet-bijzondere onderwijsinstelling is een slecht idee. Het komt niet uit de lucht vallen, zie hier en hier. Dat het hier een verzoek van islamitische studenten betreft is zeer waarschijnlijk. Het is niet aan de Haagse Hogeschool om ‘religieuze studenten’ een gebedsruimte te bieden. Dan is het einde zoek, want waarom onderscheid maken tussen ‘religieuze studenten’ en andersdenkenden? En wie beslist welke groep op welke tijdstip de gebedsruimte mag gebruiken? Want er zijn honderden religies of religieuze stromingen. Het wordt knap ingewikkeld om dat eerlijk te verdelen. En waarom vraagt deze petitie alleen om een gebedsruimte voor ‘religieuze studenten’ en niet om een ruimte voor humanistische, atheïstische of nihilistische studenten? Want ‘religieuze studenten’ zullen toch niet van zichzelf denken dat ze extra rechten hebben?

Tekenend is het perspectief van de moslimstudenten in een Update bij deze eerdere petitie van april 2016: ‘Zijn er studenten die geen geloof belijden en hebben ze vragen? Dan kunnen ze gerust langskomen!’ Dat is een verhulde oproep tot evangelisatie. Want van ‘studenten die geen geloof belijden’ wordt verondersteld dat ze vragen kunnen hebben die ze in de gebedsruimte kunnen stellen. Maar vragen waarover dan, toch niet over de leer van de islam? Dan wordt een gebedsruimte echt tot een evangelisatieruimte. Hoe dan ook zet dit de ‘studenten die geen geloof belijden’ apart en verdeelt het verzoek tot een gebedsruimte de gemeenschap van studenten aan deze hogeschool. De Update geeft duidelijk aan dat de moslimstudenten de gebedsruimte uitsluitend bedoelen voor religieuze studenten en niet voor studenten met andere levensovertuigingen. Zo wordt de gebedsruimte niet eerlijk en proportioneel verdeeld onder de studenten. Het risico is aannemelijk dat de best georganiseerde en meest gedreven groep de gebedsruimte claimt en in de praktijk gaat besturen.

De verbolgen en hoge toon van de moslimstudenten over hun ‘gebedskleden’ die in opdracht van het bestuur door de beveiliging zijn weggehaald spreekt boekdelen. Het einde aan de neutraliteit is zoek als studenten van allerlei verschillende levensovertuigingen en religies op school hun eigen plek gaan opeisen. Ook nog eens in dezelfde gebedsruimte. Tot en met de studenten die met hun vergiet op daar willen bidden volgens de regels van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Dan ligt er een confrontatie tussen vergieten en hoofddoeken, hipsterbaarden en vlasbaardjes op de loer. Het is begrijpelijk dat een schoolbestuur dat niet wil.

Overigens betreft het hier geen religieuze of islamitische hogeschool, maar een openbare hogeschool. De petitie mist de essentie, namelijk dat een openbare school niet bedoeld is om herverkaveld te worden tussen religies, maar neutraal moet zijn. Inrichting van een gebedsruimte staat haaks op dat neutraliteitsbeginsel.

Niets let islamstudenten of andere religieuze studenten om buiten collegetijd en buiten school te bidden. En in hun beleving tot hun God, Spaghettimonster of Hogere Macht te komen. Zodat vermeden wordt dat ze medestudenten sociaal onder druk zetten om volgens hun regels gebruik te maken van de gebedsruimte of die juist de toegang ontzeggen als het onwelkome stromingen binnen de islam betreft (Alavieten, Ahmadiyya).

Vrijheid van godsdienst is een kostbaar goed en moet verdedigd worden. Iedereen is vrij om een religie of levensovertuiging naar eigen keuze te kiezen en daar weer afstand van te nemen. Studenten die zich afficheren als islamstudenten en daar medestudenten mee confronteren geven een signaal van apartheid af. Ze zetten zich bewust apart. Islamisering van een semi-openbare ruimte als een hogeschool past niet bij een openbare hogeschool en bij het pluriforme Nederland met honderden religies en levensovertuigingen.

Foto: Schermafbeelding van anonieme petitieHet creëeren van stilteruimte op Haagse Hogeschool’ op Petities24.com, 18 maart 2018.

Het zijn NIDA’s principes die hebben geleid tot een breuk in het Rotterdamse Links Verbond. SP, PvdA en GL nemen terecht afstand

with 2 comments

In een opinie-artikel voor NRC geeft de Rotterdamse hoogleraar Sociologie Willem Schinkel commentaar op het opbreken van het zogenaamde Links Verbond in Rotterdam. Dat was een samenwerking tussen de drie linkse partijen GroenLinks, PvdA en SP en de islamitsch geïnspireerde partij NIDA die een maand geleden werd gesloten en deze week uit elkaar viel. Aanleiding voor die breuk was was een tweet van vier jaar geleden van NIDA waar het geen afstand van wilde nemen: ‘Wij zeggen #Zionisme = #ISIS #vrijheidmeningsuiting’. Schinkel hangt aan deze tweet zijn hele betoog op. Door deze bijziendheid die zich ook vertaalt in een dualisme dat de politiek in een links-rechts frame vangt, mist hij de essentie voor de breuk. Dat zijn de principes van NIDA.

Schinkels artikel roept de vraag op of hij wel doorziet wat NIDA’s principes zijn en de partij beoogt. Schinkel lijkt zich te laten sturen door de actualiteit en partijpolitiek gehakketak. Hij kijkt niet naar de echte oorzaak voor de breuk. NIDA zegt in het beginselprogramma 25 CONCRETE IDEEËN: ‘Onze geloofsbeleving is van meerwaarde in de samenleving en verdient terecht de ruimte in de publieke sfeer, in publieke voorzieningen en het openbaar bestuur.’ Volgens NIDA is geloofsbeleving geen particuliere zaak, maar moet die in de publieke ruimte, openbaar bestuur en de publieke voorzieningen doorgevoerd worden.

NIDA rekt de scheiding van kerk en staat op. Is dat gewenst? Valt dat te verenigen met de opvatting van de nationale rechtsstaat? Daar gaat het echte verschil in opvatting tussen de drie linkse partijen en NIDA om. Schinkel creëert valse tegenstellingen. Het is niet voldoende om in een soort gemakzuchtig pamflettisme en verwijzing naar racisme en ‘witte politici’ die het bij de linkse partijen voor het zeggen hebben triomfantelijk te concluderen dat de vijand van mijn vijand een vriend is. Het gaat erom wat de principes van NIDA zijn en of die passen bij vrijzinnige partijen als SP, PvdA en GroenLinks die hun waarden als uitgangspunt hebben.

Ja, Wierd Duk is een rechtse onruststoker. Ja, Joost Eerdmans is een rechtse scherpslijper. Ja, Thierry Baudet is een rechts-extremistische opportunist met racistische neigingen in zijn partij. Ja, Geert Wilders is een islamhater. Ja, het debat in Rotterdam wordt fel gevoerd en de links-rechts tegenstelling wordt er aangedikt. Maar wat zegt dat dan nog over NIDA? Het terecht afkeuren van rechts is niet voldoende om het links-conservatieve of conservatief-religieuze NIDA blindelings te omarmen of het voor deze partij op te nemen.

Ik begrijp hoe iemand die zegt seculier, vrijdenkend of atheïstisch te zijn zich niet kan verenigen met de principes van NIDA. Deze partij wil terug naar de verzuiling van eind 19de eeuw. Ik ben het met dit principe van religie die zich uitgesproken manifesteert in publieke ruimte en openbaar bestuur fundamenteel oneens. Het valt niet in te zien hoe een partij die zich als vrijzinnig beschouwt en ondubbelzinnig de rechtsstaat onderschrijft -inclusief scheiding van kerk en staat- een partij als NIDA met zulke standpunten kan steunen.

En wat moeten kunstliefhebbers denken van een ‘Religieus-wetenschappelijk-kunstzinnige raad’ die het openbaar bestuur adviseert? Het is een krankjorum idee, een moskee die samen met een museum als Boijmans het openbaar bestuur adviseert en daar via een aparte raad onderwerpen voor agendeert. Dit is opnieuw een tactiek van NIDA om via de zijdeur de scheiding van kerk en staat op te rekken. NIDA depolitiseert de politiek door het te vermengen met het middenveld. Dat is de weg naar het corporatisme waarbij allerlei onverkozen groepen in een vaag verband een beslissende rol in de besluitvorming krijgen.

Ik vraag me werkelijk af of de landelijke en Rotterdamse leiders van SP, GroenLinks en PvdA de principes van NIDA wel goed tot zich hadden laten doordringen toen hun Rotterdamse afdelingen met NIDA een Links Verbond sloten. Hoewel Lilian Marijnissen (SP) vanaf het begin sceptisch was en zei het zelf niet gedaan te hebben. Maar wat de landelijke leiders van PvdA en GroenLinks bezielde toen ze dachten dat hun eigen gedachtengoed verenigbaar was met dat van NIDA blijft een raadsel. Ook na het verbreken van het verbond.

De linkse reflex van diversiteit en insluiting is even kwalijk als de rechtse reflex van homogeniteit en uitsluiting als die niet samengaat met het toetsen van uitspraken op hun betekenis. NIDA verdient het om op de principes die het voorstaat beoordeeld te worden. Niet op goede bedoelingen of slachtofferschap. Of een al te eenvoudige links-rechts tegenstelling die de positie van NIDA moet verklaren, maar die eerder vertroebelt.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelRacisme breekt linkse samenwerking in Rotterdam op’ van Willem Schinkel in NRC, 14 maart 2018.

Foto 2 en 3: Schermafbeelding van paragrafen uit beginselprogramma25 CONCRETE IDEEËN’ van NIDA Rotterdam.