Gedachten bij de foto ‘Manège à chevaux, foire des Invalides, esplanade des Invalides, 7ème arrondissement, Paris, 1904’

Een draaimolen met paarden. De favoriete bestemming op de kermis van kinderen en vooral volwassenen. Het is 1904, Parijs. Een jongetje loopt langs de draaimolen met zijn moeder, oh, wat lijkt ze op mijn gestorven moeder. De volwassenen beklimmen de paarden. Veel meer valt er over dit kermisterrein niet te zeggen. Het kiekje is een kijkje in het dagelijks leven van toen. De fotograaf is onbekend, een amateur-fotograaf van de Photo Club de Paris heeft dit Parijse leven vastgelegd. Meer is het niet. Maar genoeg om bij weg te mijmeren.

Foto: FotoManège à chevaux, foire des Invalides, esplanade des Invalides, 7ème arrondissement, Paris, 1904’. Collectie: Musée Carnavalet, Parijs.

Gedachten bij de foto ‘Manège, grand huit, Luna Park, Porte Maillot, 16ème arrondissement, Paris’ (1935)

Een houten achtbaan ofwel le grand huit in het Lunapark Porte Maillot op de grens van het 16de en 17de arrondissement in Parijs. Ook wel een houten Russisch bos genoemd. Het is onduidelijk wanneer het gesloten werd. Het eind wordt gesitueerd in 1931, 1934 of tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alleen die laatste datum past bij de informatie over deze foto die dit tafereel dateert in 1935. Een jaar later werd het Volksfront van Léon Blum opgericht. Dat zou velen hoop geven. Door de recessie van de jaren 1930 was de belangstelling voor dit vertier afgenomen. Mensen hadden er geen geld meer voor. De twee stelletjes in de voorste wagentjes stralen en hebben plezier, maar van de man alleen in het achterste wagentje kan dat niet gezegd worden.

De achtbaan kan als beeldspraak voor het leven gebruikt worden. Dat is een ritje dat afgelopen is voor je het weet. We stappen in en uit. Dat is het. Ook kan de achtbaan de huidige coronacrisis oproepen. We weten dat de rit eindigt, maar weten niet wanneer. Moeten we gillen van spanning? Of wordt ons aangepraat om te gillen en gaat het allemaal te snel om te bevatten? Amuseren we ons dood? Of doden we de verveling door even uit het normale te treden? Hoe dan ook wordt het dagelijks leven betrapt. Fotograaf is Roger Schall (1904-1995).

Foto: Roger Schall, ‘Manège, grand huit, Luna Park, Porte Maillot, 16ème arrondissement, Paris (1935). Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Bij de foto ‘Exposition l’Art belge au Grand Palais’ van Martine Franck (1982)

Ik kom er niet echt uit. Is dit nou een goede of een slechte foto? Of allebei tegelijk? Is het beeldrijm, de spiegeling van de jongere vrouw op het schilderij met de oudere vrouw voor het schilderij een vondst of is het te bedacht? Waarbij de vrouw van het schilderij als het ware naar de lezeres van het bijschrijft kijkt. Het verschil wordt benadrukt doordat de ene vrouw naakt is en de andere dik ingepakt. Het betreft een schilderij uit 1942 van de Belgische schilder Paul Delvaux en het hangt op de tentoonstelling ‘Belgische kunst’ in het Grand Palais te Parijs. De datum waarop de foto van de Belgische fotografe Martine Franck verworven is door het Musée d’Art moderne de Paris is 1982. De symboliek ligt er dik op. En die wordt nog eens verdubbeld.

Foto: Martine Franck, ‘Exposition l’Art belge au Grand Palais’, 1982. Collectie: Musée d’Art moderne de Paris.

Gedachten bij foto ‘Fond du Passage Thévenot, maisons présumées de la Du Barry et de Hébert, 3ème arrondissement, Paris’ (1894?)

Is dit de bodem van het 19de eeuwse Parijs? Niet de bodem van de oceaan, maar van een stenenzee. Deze passage is een aquarium waarin de vissen zijn vervangen door mensen. Ze kijken naar fotograaf Pierre Emonts (1831 – 1912) die tot 1888 opereerde onder het pseudoniem ‘P. Emonds’. Later werkte hij in opdracht van ‘La Commission du Vieux Paris’ dat in 1897 door de gemeente Parijs werd opgericht met als doel om het Parijse erfgoed te bewaren. Onder meer door het vastleggen van authentieke beelden, ofwel ‘fixer des images authentiques’. We verplaatsen ons naar de Passage Thévenot die in 1895 werd opgeslokt door de Rue Réamur  in het derde arrondissement aan de rechteroever. Het is aannemelijk dat deze doorgang door Pierre Emonts werd vastgelegd omdat die ging verdwijnen. Uit de informatie blijkt dat de foto op 1 januari 1895 verworven is. Een datum die in elkaar geval valt voor de werkzaamheden in verband met de stadvernieuwing. Wat denken de mensen die op de korrel genomen worden? Zien ze de fotograaf als aangekondigde dood van hun buurt?

NB: De verwijzing in de titel naar de vermoedelijke huizen (‘maisons présumées‘) van Du Barry en Hébert betreft waarschijnlijk Madame Du Barry die in de 18de eeuw een beroemde maîtresse van Koning Louis XV was en de 18de eeuwse revolutionair Jacques-René Hébert die samen met zijn vriend en buurman de Nederlandse advocaat Johannes Conradus de Kock in 1794 werd onthoofd in opdracht van Robespierre.

Foto: Pierre Emonts of P. Emonds, ‘Fond du Passage Thévenot, maisons présumées de la Du Barry et de Hébert, 3ème arrondissement, Paris’. Datering: 1862- 1905. Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Gedachten bij de foto ‘Bevrijding van Parijs – 26 augustus 1944 – Portret van kolonel Jean-Stanislas Rémy’

Lijkt deze foto vooroordelen te bevestigen? Het is een beeld van de bevrijding van Parijs. Datum is 26 augustus 1944. De titel luidt: ‘Portret van kolonel Jean-Stanislas Rémy (1899-1955), commandant van het 1ste Marokkaanse marsregiment Spahis (1ste RMSM) van de Leclerc-divisie, Place de l’Hotel-de-Ville, 4e arrondissement, Parijs.’ Het 1ste squadron van de RMSM bezat tanks en halftrack (rupsvoertuig) infanterie met anti tank kanonnen. Dit verkenningsregiment was een belangrijk en sterk opgetuigd onderdeel.

Kolonel Jean Rémy overleed in 1955 aan zijn verwondingen die hij in de Tweede Wereldoorlog had opgelopen. Op deze foto ziet zijn gezicht er zwaar geschonden uit. Hij werd verschillende maten onderscheiden. Zijn loopbaan volgde de Franse militaire expansie in de 20ste eeuw, van Tunesië, Syrië, El Alamein, Normandië en Berchtesgaden, Duitsland tot Algerië. Dit regiment met Marokkaanse militairen is daar een teken van. Twaalf jaar later werd Marokko onafhankelijk van Frankrijk. Kolonel Rémy was een ijzervreter die respect afdwong.

Wat doet de spahi met zijn hand? Wil hij zijn kolonel voor de foto op een symbolische manier hier voor het Parijse stadhuis feliciteren met de inname van Parijs? Het lijkt alsof de hand botweg geweigerd wordt, maar waarschijnlijk ziet Rémy de hand niet en staart hij onbestemd voor zich uit. Vol gemengde gevoelens want twee weken daarvoor had hij bij gevechten in het Forêt d’Écouves in Normandië zijn 18-jarige zoon Roger verloren die ook deel uitmaakte van dit onderdeel. De bevrijding van Parijs is een tussenstap op weg naar een volgende tussenstap. Fotograaf Jean Séeberger uit een dynastie van fotografen maakt het beeld compleet. Zijn familie was afkomstig uit Beieren, er is een kolonel met een Poolse moeder die in Polen was opgegroeid en trouwde met een vrouw met de Russische naam Anastasia Merkoulov en er zijn de Marokkaanse militairen.

Foto: Gebroeders Séeberger, waarschijnlijk Jean, ‘Libération de Paris – 26 août 1944 – Portrait du colonel Jean-Stanislas Rémy (1899-1955), commandant du 1er régiment de marche de spahis marocains (1er RMSM) de la Division Leclerc, place de l’Hôtel-de-Ville, 4ème arrondissement, Paris.’ Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris

Gedachten bij de foto ‘Petit marché place Saint-Médard, 5ème arrondissement, Paris’ (1898)

Het tafereel op de bovenste foto is overduidelijk Frans en niet het Amsterdam van George Breitner. Fotograaf Eugène Atget geeft een indruk van het Parijse stadsleven op het eind van de 19de eeuw. Het is 1898. Op de kleine marktplaats Saint-Médard in het 5de arrondissement, ofwel het Quartier Latin passeert een vrouw als de fotograaf afdrukt. Links loopt de Rue Mouffetard. Atget was op dit moment nog maar enkele jaren bezig om Parijs documentaire-achtig op foto vast te leggen. Hij zou er beroemd door worden. De marktplaats is vol. Met mensen, met muurreclame, met indrukken. In 1907 ondernam Breitner een reis naar België. In Brussel drukte hij af in de buurt van de Magdalenasteenweg. In de beschrijving wordt de muurreclame ‘reclameposter’ genoemd. Op beide foto’s kijken vrouwelijke passanten in de camera. Nieuwsgierig. Hun beloning is dat ze vereeuwigd worden, maar niet scherp in beeld komen. Wie te dicht bij de fotograaf komt heeft het nakijken.

Foto 1: Eugène Atget, ‘Petit marché place Saint-Médard, 5ème arrondissement, Paris’, 1898. Collectie Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Foto 2: George Breitner, ‘Gezicht op een straat in Brussel, België’, 1907. Collectie RKD.

Gedachten bij de foto ‘Portret van Betsy van Vloten (vrouw van schilder en fotograaf Willem Witsen) en hun zoon Erik, circa 1900’

Op de site van enkele Parijse musea (‘Paris Musées’) kan men sinds kort digitaal bladeren in de collecties. Het gaat om het Musée d’Art Moderne en het Musée Carnavalet en Petit Palais. Ik werd hier attent op gemaakt door een bericht op de Belgische erfgoedsite Faro. Sam Dovil van het kennis- en expertisecentrum Packed/ Vlaams Instituut voor Archivering geeft de afweging weer voor musea om hun collectie te digitaliseren: ‘Musea wilden de kosten van de digitalisering recupereren. Intussen groeit het besef dat zoiets personeel vergt en niet meteen rendabel is. Musea als het Rijks hebben een belangrijke stap gezet. Ze verkopen niet langer hun reproductie, die dan op een Heineken-etiket belandt. Ze bieden hun imago en cultureel kapitaal aan.’ Ofwel, musea voelen de adem van de politiek in hun nek om niet blindelings hun ‘beelden’ te gelde te maken.

Ik zocht op de site van Paris Musées op fotografie. Het is een rijke bron met foto’s van de Commune van 1871, bombardementen met een Zeppelin in de Eerste Wereldoorlog, de bevrijding van Parijs in 1944, ‘vrije’ foto’s van Brassaï uit de na-oorlogse jaren of de stadsbeelden van het 19de eeuwse Parijs met boulevards én armoedige stegen. Komende tijd zal ik er hier enkele voorbeelden van plaatsen die me bijzonder aanspreken.

Om te beginnen een Nederlandse invalshoek in een Parijse collectie. Het is de enige foto van Willem Witsen in de collectie. De titel is: ‘Portrait de Betsy van Vloten (épouse du peintre et photographe Willem Witsen) et de leur fils Eric, vers 1900.’ Dus: ‘Portret van Betsy van Vloten (vrouw van schilder en fotograaf Willem Witsen) en hun zoon Erik, circa 1900.’ Betsy van Vloten was van 1893 tot 1902 getrouwd met Witsen. Hun zoon Erik werd op 10 juli 1896 geboren, aldus de Wikipedia-pagina over haar. Ze is hier eind dertig. Hoe de foto is verworven en in de collectie van het Musée Carnavalet, Histoire de Paris terecht is gekomen is onbekend. Evenmin is de locatie van de foto bekend. Is dit Parijs of Nederland? De scherpe neus van Betsy komt mooi uit in de spiegel.

Uitkomst bieden andere foto’s Op de ene is Betsy in dezelfde kleding en in dezelfde kamer te zien met haar jongste zoon Odo. Die was geboren op 27 juli 1898. De volwassen man links is Betsy’s broer Odo van Vloten. Datering is 1900-1901. Dan is Odo Witsen tussen de 1,5 en 2,5 jaar. Op een andere foto in dezelfde setting zijn Odo van Vloten en Odo Witsen te zien. Op weer een andere foto in opnieuw dezelfde setting is een andere broer van Betsy, te weten Gerlof van Vloten samen te zien met Erik Witsen (zonder pet). Het is waarschijnlijk dat Witsen rond 1900 een familiebijeenkomst heeft gefotografeerd waar twee broers van Betsy aanwezig waren: Odo en Gerlof. Het is logisch om te veronderstellen dat de locatie het adres is waar Betsy en Willem tot hun scheiding in 1902 gevestigd waren. Namelijk Villa Zonneberg (ook: De Zonneberg) in Ede. Het is gissen of de broers Van Vloten nog een missie hadden bij hun bezoek. Zoals het bemiddelen bij of het redden van het huwelijk van zus Betsy. Maar dat is pure speculatie die niet past in een feitenrelaas aan de hand van foto’s.

Foto 1: Willem Witsen, ‘Portrait de Betsy van Vloten (épouse du peintre et photographe Willem Witsen) et de leur fils Eric, vers 1900’. Collectie Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Foto 2: Willem Witsen, ‘Odo van Vloten = broer Betsy + Betsy en Odo Witsen’, 1900-1901. Collectie ‘Willem Witsen: Tachtiger in brief en beeld’. Copyright: Prentenkabinet (UB Leiden).

Gemeentebestuur Almere wil museum voor ‘Tomorrow Art’ van internationale allure dat groter is dan het Stedelijk Museum A’dam

Ambitie is goed, maar zelfkennis en realisme zijn beter. De provincie Flevoland en de gemeente Almere willen in laatstgenoemde stad een museum voor ‘Tomorrow Art’ dat groter is dan het Stedelijk Museum Amsterdam. Kunst voor morgen dus, dat kan niet anders dan digitale ‘actuele multimediale kunst’ zijn. Internationale allure in de polder. Almere vergelijkt zich in vergezichten met het Parijse Palais de Tokyo en het Londense Tate Modern. De spreekwoordelijke regionale D66-bestuurder mag het project uitventen waarbij zoals altijd opvalt dat hij niet begrijpt waarover hij praat en het jargon van de sector waar hij verantwoordlijk voor is niet in de vingers heeft. Dus heeft hij het over moderne kunst waar hij hedendaagse kunst bedoelt. Van dat niveau. Het is aardig dat gedeputeerde Michiel Rijsberman volmondig toegeeft dat hij er weinig van snapt. Nog in 2018 opteerde hij voor een museum dat gespecialiseerd was in grote kunstwerken. Als het maar groot is dus.

Op 1 en 2 juli 2019 brachten de Almeerse wethouder Hilde van Garderen met Rijsberman en de directeur van de Floriade een gezamenlijk bezoek ‘aan twee vooraanstaande Londense musea: Serpentine Galleries en Tate Modern’, zoals in een verslag op de website van de gemeente Almere te lezen valt. Met als doel ‘kennis uitwisselen en de mogelijkheden van samenwerking verkennen met betrekking tot de realisatie van een Almeerse museale voorziening’. Het is verrassend dat deze twee Londense presentatie instellingen van hedendaagse kunst blijkbaar geïnteresseerd waren in het uitwisselen van kennis met Flevoland. Het is typisch dat de tijdelijke paviljoens van de Serpentine Gallery waarin de bestuurders geïnteresseerd zeggen te zijn ze op ideeën brengt. Ze doen denken aan de tijdelijke paviljoens van Museum De Paviljoens dat in 2013 door het toenmalige Almeerse gemeentestuur definitief om zeep werd geholpen. Want waarom iets van het eigen verleden leren als het ook in een Londens park te halen valt? Almere begint blijkbaar liever vanuit het niets.

We kunnen lacherig doen over de pretenties van Almere en Flevoland in de wetenschap dat het de vergelijking met Londen, Parijs en Amsterdam niet aankan. Maar dat is te makkelijk. Toch is de vrees dat de vijand van goed beter is. Waarom heeft Almere een museum van hedendaagse kunst gesloten en daarmee de kennis uit de gemeente laten verdwijnen om nu drie stappen tegelijk te willen zetten met plannen die zo op het eerste oog te hooggegrepen zijn. Waarom heeft Almere niet gekozen voor een organische en geleidelijke groei? Is dat omdat het gemeentebestuur niet structureel maar projectmatig denkt, een museum direct knoopt aan de ontwikkeling van vastgoed en niet normaal, maar bijzonder wil zijn omdat dat bij het DNA van Almere zou passen? Het gewone is blijkbaar niet goed genoeg voor Almere. Daarom vlucht het weg in het buitengewone.

Bij een foto ‘Hindoestaanse jonge vrouw als schildersmodel in Parijs, hier aan een drankje in een café. Frankrijk, 1929’

Het bijschrift bij de foto uit de luidt: ‘Schilderkunst : Schildersmodellen : Hindoestaanse jonge vrouw als schildersmodel in Parijs, hier aan een drankje in een café. Frankrijk, 1929.’ Het is geen halszaak, maar wat is er hindoestaans aan de ‘jonge vrouw’? Dit roept de vraag op hoe nauwkeurig de beschrijving is en waar de toeschrijving ‘hindoestaans’ vandaan komt. Uit de hoge hoed van de geschiedenis?

Foto: ‘Schilderkunst : Schildersmodellen : Hindoestaanse jonge vrouw als schildersmodel in Parijs, hier aan een drankje in een café. Frankrijk, 1929’. Uit: Fotocollectie Het Leven (1906-1941).

Beschouwingen over onze beschaving naar aanleiding van de brand in de Notre-Dame laten ons naar onszelf kijken. Voor even

De brand in de Parijse Notre-Dame heeft heel wat krachten gemobiliseerd. De spin kwam van alle kanten om het eigenbelang te dienen. Van de Franse president Emmanuel Macron, de katholieke kerk of radicaal-rechtse krachten zoals onderstaande activistische journalist van De Telegraaf die in een tweet de brand een symbool noemde ‘voor onze vermoeide beschaving’. Ik zie daarin het schoppen door alt-right en ultrarechts tegen de westerse beschaving (Baudet: ‘journalisten, cultuurmakers en academici ondermijnen onze cultuur’) die averechts werkt. Het verzwakt die beschaving. De brand in de Notre-Dame drukt ons met de neus op het feit wat de oorsprong, kracht en kern van de westerse beschaving is. Ook voor niet-christenen van belang. Het laat zien wie de vijanden ervan zijn: de nationaal-populisten en rechts-radicalen die zeggen de beschaving te willen redden, maar die in werkelijkheid afbreken. Dus laten we het spiegelen en Duk en de andere rechtse inwoners van Dukstad vragen waarom ze zo graag grossieren in ondergangsfantasieën en zand in de motor van de westerse beschaving willen strooien om op de puinhopen ervan in een vage toekomst hun raszuiver paradijs op te bouwen. Of is Duk tot inkeer gekomen en beseft hij eindelijk wat hij bezig is kapot te maken?

Het is opmerkelijk dat de brand van een iconische kathedraal de afgelopen dagen tot zulke beschouwingen over ‘de‘ of ‘onze‘ beschaving leidde. Dat komt nog zelden voor. Niet toevallig werd er uitgebreid verslag over gedaan in de Amerikaanse en Britse pers waar het sterke besef bestaat dat de lokale politiek de weg kwijt is.

Dat alleen al was een blijk van hunkering naar het vinden van gemeenschappelijke waarden met West-Europa. Hier moest blijkbaar een punt gemaakt worden, namelijk dat ‘we’ in de westerse democratieën (VS, Canada, EU-lidstaten en overige West-Europese landen, Australië, Nieuw-Zeeland) onvoldoende beseffen wat we in handen hebben en we ons af laten leiden door krachten die de beschaving bedreigen. Van buitenaf en van binnenuit. Hoewel ieder daar weer een eigen, specifiek vijandbeeld voor uit de kast haalt. Maar voor even werd de bedreiging als universeel gezien en was de overpeinzing erover mythisch. Totdat het onderscheidend werd wat of wie dat dan wel was en het debat weer afdaalde tot platte politisering of belangenbehartiging. Waaraan we graag ontsnappen omdat dat zo vervelend, voorspelbaar, vermoeiend, geestdodend en contraproductief is.

De boodschap die uit de berichtgeving kan worden gelezen is er een van ontevredenheid en gemiste kansen. Maar het bevat ook het verlangen om terug te keren naar iets wat was. Zo zit er er voor iedereen wel wat bij.

Foto 1: Paul Klemann, ‘De oceaan ontspring onder de ‘Notre Dame’’, Tekening met kleurpotlood en gouache verf, 2002. (Eigen collectie).

Foto 2: Tweet van Wierd Duk van 15 april 2019 (via posting op FB-account van Mihai Martoiu Ticu).