Emil Mayer fotografeert het straatleven van Wenen (1905-1911)

Emil Mayer, Straßenszene mit Mistbauern, 1905-1911. Collectie: Wien Museum.

Wenen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog was de hoofdstad van een merkwaardige veelvolkerenstaat vol dynamiek, spanningen en verstarring. Het wordt nu wel met de EU vergeleken.

Sinds de Ausgleich van 1867 was officieel de Dubbelmonarchie tussen Oostenrijk en Hongarije geboren. Maar in de Hongaarse politiek werd dat niet als compromis, maar als sommering gevoeld. Dat leidde in Boedapest steeds weer tot spanningen vanwege de gevoelde achterstelling bij de Ballplatz, het Weense machtscentrum.

Een gevolg was dat investeringen in het Hongaarse leger werden geblokkeerd en uitbleven. Dat verklaart mede de zwakte van de legers van de Dubbelmonarchie in de Eerste Wereldoorlog. Op haar beurt regeerde Hongarije over Kroaten, Serviërs, Slowaken, Roemenen en andere minderheden.

De foto’s van Emil Mayer (1871-1938) uit de collectie van het Wien Museum leggen het dagelijks straatleven in Wenen vast. Een tijdscapsule. Inclusief de verdwenen cultuur van koffiehuizen, vertier in het Prater en een hiërarchische samenleving vol uniformen.

De joodse Mayer pleegde in 1938 samen met zijn vrouw zelfmoord kort nadat Duitse troepen Oostenrijk waren binnengevallen. Het oude Oostenrijk viel voor de tweede keer in 20 jaar uiteen. Wat overbleef was een schaduw van wat het geweest was. De foto’s houden de herinnering levend.

Thomas Laqueur omschreef dat in 2003 als volgt: (vertaald): ‘De foto’s van Mayer zijn om allerlei redenen verontrustend: het Wenen dat hij ziet en koestert, is tenslotte precies het gezellige, veilige dat de nazi’s en hun Oostenrijkse vrienden geloofden dat de joden en hun kosmopolitische bondgenoten hadden vernietigd. Maar vooral leren ze ons opnieuw hoeveel van wat we zien is wat we hopen te zien in de wereld om ons heen.’

Emil Mayer, Dienstmann zeigt einer Frau den Weg, 1905-1911. Collectie: Wien Museum.
Advertentie

‘Vlissingen 1911’ brengt Europese grootmachten in rep en roer

Groepsfoto militairen. 4e compagnie, 4e bataljon Vlissingen, circa 1911. Collectie: Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen.

Op p. 94 van de roman ‘Uiteengescheurd‘ (1940) van Miklós Bánffy kwam ik de volgende passage tegen: ‘Aan de andere kant van Europa trok een bericht uit Nederland de aandacht, waar men vestingwerken wilde bouwen rondom de haven van Vlissingen. Dit besluit van het meest vredige land veroorzaakte een storm. De pers in Parijs en Londen zag er Duitse plannen in, van keizer Wilhelm, die misschien wel een eigen vlootbasis wilde verwerven, op een paar uur van de Engelse kust en Het Kanaal. Waarschijnlijk werd er aan de bel getrokken door de twee grootmachten van de Entente Cordiale, want nauwelijks een maand later werd het plan door de Nederlandse regering ingetrokken.

Ik had nooit van dit plan gehoord. Klopt het wat Bánffy zegt? Aan zijn historische en politieke inzicht valt niet te twijfelen. Naast schrijver was hij ook politicus en in 1921 en 1922 minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije. Het klopt dat Vlissingen 1911 een belangrijke Europese kwestie was die had te maken met de oorlogsplannen van de grootmachten. Vanuit Vlissingen kon de Westerschelde en de haven van Antwerpen afgesloten worden.

Het is achteraf opvallend dat ik in de geschiedenisles op school alles heb meegekregen van de Duitse vlootbouw, de eerste Marokkocrisis in 1905, de Duitsgezindheid in Nederland tot 1940, maar nooit heb gehoord over de kwestie Vlissingen 1911. Terwijl dat vele aspecten verbindt, inclusief desinformatie en agitatie in de pers. Ook Nederlandse populaire historische publicaties laten het onderwerp links liggen.

De context is de blokvormig van Europese grootmachten in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog en de Duitse plannen in stapjes van 1903, 1907 en 1912 voor de opbouw van een Duitse oorlogsvloot, een Hochseeflotte. Het geschil over Vlissingen 1911 valt midden in de toenemende spanningen tussen enerzijds Duitsland en anderzijds Engeland en Frankrijk. Wat in 1914 zou uitmonden in de Eerste Wereldoorlog.

In The German Menace (de Duitse dreiging) geeft in 1911 de Engelse marxist Theodore Rothstein commentaar op de actuele diplomatie en buitenlandse politiek, de vlootbouw en het marine beleid van de verschillende landen. Hij gaat uitgebreid in op de kwestie Vlissingen. Het is aardig om hem ‘in real time‘ te volgen. Tegelijk relativeert hij de Duitse dreiging door Menace tussen aanhalingstekens te zetten. Was er wel een Duitse dreiging?

In deel 5 zegt hij: ‘this is what lies at the bottom of the Anglo-Franco-Belgian agitation against the Flushing scheme. By closing the mouth of the Scheldt Holland will frustrate the easy execution of the Franco-British military plans‘.

Rothstein is niet altijd volledig. Zo zegt hij in deel 4: ‘For a long time before and after her constitution as a sovereign State, Holland possessed some fortifications on the North Sea coast, including Flushing, but had none on her eastern frontier where she was adjoining Prussia.’ Dat is suggestief. Nederland had aan de lastig verdedigbare oostgrens inderdaad geen fortificaties gebouwd, maar wel rond de vesting Holland in de Hollandse Waterlinie die tot 1945 in gebruik was.

Het blijft onduidelijk of de plannen voor de versterking van de vesting Vlissingen dienden om Nederland tegen een aanval vanaf zee te beschermen, het oogmerk ervan was om de toegang tot de Westerschelde voor alle partijen af te sluiten of de Duitse vloot een schuilplaats te bieden. Dat laatste lijkt onwaarschijnlijk en kwam waarschijnlijk uit de koker van de Engels-Frans-Belgische pers. Rothstein zegt in 4. The Fortification of Flushing van 18 februari 1911:

In 4. The Fortification of Flushing” Continued van 25 februari 1911 zegt Rothstein geen mening te hebben over de militaire verdiensten van het plan Vlissingen:

Rothstein meent in datzelfde 4. The Fortification of Flushing” Continued Nederland als neutraal land het recht heeft om de toegang van de Westerschelde voor de vloten van strijdende partijen en de Engelsen in het bijzonder af te sluiten:

Rothstein ziet de opwinding over de kwestie Vlissingen 1911 als deel van de agitatie tegen Duitsland door de Engelse en Franse pers. Of deze dynamiek werkelijk zo scherp was en hoe de wisselwerking tussen pers en politiek in betrokken landen was is achteraf lastig te beoordelen.

Bánffy verwijst ook naar de rol van de Franse en Engelse pers in het opstoken van deze kwestie die meenden dat de bouw van fortificaties in Vlissingen ‘een Duits plan was om er een eigen vlootbasis te verwerven’. Dat is verre van logisch en staat haaks op het toenmalige Nederlandse beleid om te streven naar neutraliteit en buiten een grootscheeps conflict te blijven. Dat dit Nederland in 1914 uiteindelijk lukte is des te verbazingwekkender voor wie zich verdiept in de kwestie Vlissingen 1911.

Voor meer over Bánffy zie mijn commentaarGedachten bij een foto met Miklós Bánffy (1934)‘.

Gedachte bij de foto ‘Gottesdienst auf der Presenaspitze’ (1918)

Gottesdienst auf der Presenaspitze‘, 1.1.1918. Collectie: ÖNB (Österreichische Nationalbibliothek).

Godsdienst. We raken er niet over uitgepraat. Wat is de functie ervan en wanneer gaat het die te buiten? Vooral daarover raken we niet uitgepraat. We hebben het antwoord niet.

Wie terugkijkt ziet een Oostenrijkse kerkdienst op de top van de Presena-gletscher. Begin 1918. Nu in de Alpen in Trentino ten noorden van het Garda-meer. Moest de dienst troost bieden? Italië won van Oostenrijk-Hongarije de harde strijd in de bergen. Wie weet hadden de Italianen harder gebeden.

Op de foto wonen Oostenrijkers, Hongaren, Kroaten, Bosniërs, Tsjechen, Slowaken, Slovenen en anderen een kerkdienst in het veld bij. Wat er gezegd werd en wat of wie werd aangeroepen weten we niet. We kunnen het vermoeden. Want het past in een patroon. Voor de overwinning in de strijd, de bescherming van en het vertrouwen in God en zelfbehoud. Zoiets zal het wel geweest zijn.

Religieuze doping dus. Alle strijdende partijen dienden het hun troepen toe. Zie hier het commentaar ‘Religieuze doping, commercie en oorlogspropaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘A Church Service On The Battle Field’ (1916)‘ over de reconstructie van een Britse kerkdienst voor het thuisfront.

De groep Oostenrijkse militairen in donkere jassen in de witte sneeuw toont verlaten. In de steek gelaten. Geïsoleerd. Onzalig in zaligheid. Het contrast tussen zwart en wit verhardt hun noodlot. Zo legt de fotograaf het vast. We raken er niet over uitgepraat. In onze horizontale spitsvondigheid.

Gedachte bij twee foto’s van twee meisjes van Atelier Adèle (1868-1900)

Atelier Adèle, ‘Bildnis eines kleinen Mädchens, ganze Figur, in weißem Kleid mit Perlenkette, ein Reh neben sich‘, 1868. [Albuminpapier, auf Untersatzkarton / Visitformat].

Twee foto’s van kleine meisjes van Atelier Adèle van hoffotografe Adele Perlmutter-Heilperin. Er zit ongeveer 32 jaar tussen beide foto’s. Dat is te zien. De eerste is een statische atelierfoto met een opgezet hertje uit de rekwisietenafdeling van het atelier. Alle beweging is eruit verdwenen. Het meisje kijkt tamelijk angstig en geïmponeerd naar de camera. De tweede is dynamischer. Gedwongenheid is ingewisseld voor beweging. Die suggestie ontstaat, hoewel de echtheid van dit huiselijk tafereel even gekunsteld is als de werkelijkheid van een fotostudio.

Het is een brutale bewering om te zeggen dat in 32 jaar de overstap naar de moderniteit wordt overbrugd. Dat houdt meer in dan de ene smaak die de andere vervangt. Het meisje van de tweede foto wordt gefotografeerd in haar eigen omgeving. Ze krijgt individualiteit mee. Zelfs een eigen willetje, zo lijkt het. Interessant om te weten zou zijn of die tweede foto door de fotograaf ook zo bedoeld is.

Het meisje van de eerste foto is inwisselbaar bordkarton. Sneu, maar volgens de regel in haar standaardpose. Daar in het harde licht van een Weense studio in 1868 met haar vriendje naast zich waar ze weinig steun aan heeft. Het meisje van de tweede foto krijgt losheid om wat rond te scharrelen tegen een achtergrond die uit focus is. Noem het de schijn van realisme die de constructie van de compositie zoveel mogelijk probeert te verbergen.

Een perfect bedoelde foto kan na verloop van tijd imperfecter tonen dan een bewust imperfecte foto. Dat is het geheim van verandering.

Atelier Adèle, ‘Interieur mit Porträt eines Mädchens an offener Tür’, circa 1900. Collectie: Albertina, Wenen. [Pigmentdruck, Foto auf zwei Untersätzen (Papier und Karton)].

Gedachte bij de foto ‘Kriegsgefangene in der Sammelkaserne Munkacs’ (1915)

Kriegsgefangene in der Sammelkaserne Munkacs‘, 1915. Collectie: Österreichische Nationalbibliothek.

Wat een idyllisch beeld van een groep Russische krijgsgevangenen in 1915. Is dit propaganda van de fotodienst van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse leger of ging het er toen werkelijk zo aan toe? Is de code van de oorlogvoering veranderd en sinds die tijd verhard?

Locatie van dit tafereel is het toenmalige Hongaarse Munkács, dat nu in West-Oekraïne ligt. Tussen 1995 en nu maakte het deel uit van Tsjecho-Slowakije, Hongarije, de Sovjet-Unie en sinds 1991 Oekraïne. Nu heet het Moekatsjevo in de provincie Transkarpatië.

Zouden van Russische krijgsgevangenen die gevangen zijn genomen in de Russisch-Oekraïense oorlog (2014 – …) meer dan 100 jaar later door de fotodienst van het Oekraïense leger net zulke idyllische plaatsjes worden gemaakt? Het lijkt onwaarschijnlijk. Toch waren de verschrikkingen er toen niet minder om.

Laten we het maar op promotie van de eigen menselijkheid van het Oostenrijks-Hongaarse leger houden. Is dat het verschil, dat in de huidige oorlog niet eens de schijn van menselijkheid wordt opgehouden door de strijdende partijen? Dat zou kunnen. De geschiedenis zal het leren.

Gedachten bij een foto met Miklós Bánffy (1934)

Erdélyi írók sátra a Könyvnapon a Szervita-téren. Ülnek: Szántó György, Bornemissza Elemérné, Makay Sándor református püspök. Állnak: Szántó Györgynégróf Bethlen Balázsné, Tamási Áronné, Kovács Lászlóné, báró Kemény János, KeményGizella, Bánffy Miklós, Be 1934‘. Collectie: Hungarian National Museum.

De Hongaarse schrijver Miklós Bánffy (1873-1950) is beroemd om zijn Transsylvaanse of Zevenburgen trilogie die hij in de tweede helft van de jaren 1930 publiceerde en in Nederlandse vertaling van Rebekka Herman Mostert verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact. Twee van de drie delen zijn verschenen en het laatste deel staat aangekondigd voor mei 2022. Het speelt in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog in de kringen van de Hongaarse adel.

Hoofdpersoon graaf Bálint Abády is de alter ego van Miklós Bánffy. Hij is een verlichte, rationele en wat buiten de hoofdstroom staande parlementariër en landheer die het het beste voorheeft met de Roemeense boerenstand en bosbouwers in Transsylvanië. Hij is hopeloos verliefd op een vrouw die ongelukkig getrouwd is. Bánffy die in 1921 ook Hongaars minister van Buitenlandse Zaken was geeft vele details over de partijpolitieke strijd tussen de onafhankelijken, de coalitie, de 48’ers en de 67’ers. Voor een niet-Hongaars publiek niet altijd even makkelijk te volgen.

Tot 1918 was Transsylvanië Hongaars grondgebied, sinds die tijd is het Roemeens. De Saksen (Walen, Vlamingen. Lotharingers en Duitsers in het algemeen) en Hongaren hadden na 1918 hun macht verloren. Na de Tweede Wereldoorlog bezette de Sovjet-Unie onder meer Hongarije en Roemenië, werd de adel afgeschaft en werd hun bezit onteigend. De Hongaarse adel stond met lege handen.

Graaf Bánffy vertegenwoordigt de tragiek van Hongarije. Een land dat zich tijdens de associatie met Oostenrijk in de dubbelmonarchie (1867-1918) verliest in muizenissen, politieke stagnatie, grootheidswaanzin en irreële aanspraken op eigenheid en zo de eigen positie en militaire slagkracht ondermijnt. De Hongaarse politieke elite stelt zich hooghartig op tegenover Kroaten, Slowaken en Roemenen waarover het heerst, terwijl het diezelfde hooghartigheid van de Oostenrijkers jegens de Hongaren laakt en daar misbaar over maakt.

De titel van de foto uit 1934 van de medewerkers van het tijdschrift de ‘Transylvanische Helikon‘ (1928-1944) dat nationale en taalkundige verschillen probeerde te overstijgen luidt in vertaling: ‘Kiosk van Transsylvanische schrijvers op Boekendag op het Servita Plein [in Boedapest]. Zittend: György Szántó, Elemérné Bornemissza, gereformeerde bisschop Sándor Makay. Staand: Györgynégrof Szántó Balázs Bethlen, Áronné Tamási, Lászlón Kovács, Baron János Kemény, Gizella Kemény, Miklós Bánffy, Be.’

Bánffy staat half verscholen in de kiosk naast de vrouw met het witte hoedje. De moeilijkste jaren voor hem, Hongarije en de Hongaarse adel liggen nog voor hem. Een beklemmend vooruitzicht.

Foto’s van vrouwen in de Italiaanse oorlogsindustrie (1915-1918)

Vrouwen zijn aan het werk. Ze lassen in de afdeling waar bommen worden gemaakt. Ze zijn ingezet in de oorlogsindustrie in een fabriek in het Noord-Italiaanse Savigliano. Voluit de Società Nazionale Officine di Savigliano (SNOS). Bij Turijn, in het hart van de toenmalige Italiaanse metaalindustrie. Hier staat Rosie the Riveter met haar vriendinnen, maar dan 25 jaar eerder. Het is 1916. Ze tonen niet hun spierballen, maar zijn stoer aan het werk.

Mannen vechten tegen het Oostenrijkse leger en hun echtgenotes of zussen maken munitie. Toch een soort standaardwerk. Gespecialiseerde arbeiders werken ook in de fabriek. Ze maken er bruggen, treinen of vliegtuigen.

In Turijn werken een 30-tal vrouwen op de ‘Damesafdeling’ van een fabriek van de naamloze vennootschap FIAT. Ze maken ook munitie voor de oorlogsindustrie. Een man in het midden houdt toezicht, in de achtergrond kijken nog enkele andere mannen toe. Vrouwen kijken ook sluiks of zelfs openlijk in de richting van de fotograaf die klaarblijkelijk de routine in de fabriek verbreekt. Later nam FIAT de SNOS over.

Società an. FIAT, Torino. Reparto femminile, 1915-1918.

Deze foto’s tonen aan dat vrouwen ook in Italië een belangrijke rol in de oorlogsvoering speelden. Italië dat sinds 1915 in het geheim aan de kant van de Entente stond, en pas in augustus 1916 de oorlog aan Duitsland verklaarde, was uit op gebiedswinst. In het grensgebied met Oostenrijk en door verwerving van Afrikaanse kolonies. Van die droom kwam in de vredesverdragen na de Eerste Wereldoorlog niets terecht. Net als in Duitsland voedde dat het revanchisme van nationalisten als Gabriele d’Annunzio en fascisten als Benito Mussolini. Of liever gezegd, ze gebruikten dat als voorwendsel om het volk op te stoken. Wat dat vanaf 1939 in gang zette is genoegzaam bekend.

Hebben deze vrouwen dan vergeefs in de fabrieken gewerkt voor een doel dat niet gehaald werd? Of is hun emancipatie en de verbetering van hun sociale positie het neveneffect van hun arbeid in de oorlogsindustrie geweest? Laten we hopen dat ten minste dat laatste waar is. Het beeld is niet eenduidig. Anders blijft er niets over van de strekking van deze foto’s die zouden aantonen dat de vrouwen een goed doel dienden, dat uiteindelijk uitsluitend plat patriottisme bleek te zijn dat tot niets anders leidde dan een volgende oorlog.

Gedachten bij de foto ‘Group of children at Brody in Eastern Galicia, showing destruction of buildings by military operations’ (1919)

Group of children at Brody in Eastern Galicia, showing destruction of buildings by military operations‘, 1919. Collectie: Library of Congress.

In de roman Radetzkymars (‘Radetzkymarsch‘) van Joseph Roth laat de hoofdpersoon, de kleinzoon van de held van Solferino, zich overplaatsen. Van de cavalerie naar de infanterie en van het centrum van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie naar een uithoek aan de grens met het keizerrijk Rusland. Een fictief oord dat zou zijn gebaseerd op de Duitstalige stad Vyškov in het Tsjechische Moravië.

De Joodse Joseph Roth (1894-1939) was een hartstochtelijke Oostenrijker. In de dubbelmonarchie dat vele volkeren en naties omvatte genoten minderheden een zekere bescherming. Tegenwoordig wordt vaak de vergelijking gemaakt met de EU dat ook vele volkeren en naties in een los verband omvat. Oostenrijk-Hongarije kreeg toen ook de kritiek dat het niet doelmatig optrad. Maar achteraf krijgt het waardering omdat het lange tijd de vrede had bewaard. Datzelfde geldt voor de EU. Die is niet ideaal en opereert langzaam en stroperig, maar dempt toch de schokken van de tijd.

De Duitstalige schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren in Brody. Dat lag toen in Oost-Galicië dat deel was van Oostenrijk-Hongarije en is nu deel van Oekraïne. Daartussen was het vanaf 1919 Pools. De bewoners werden dus als zetstukken van het ene naar het andere landen verschoven zonder van hun plek te hoeven komen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerden de Oostenrijkers en de Russen hevige strijd in Galicië. Dat is de tragiek van een grensstreek die steeds de klappen van de geschiedenis moet opvangen.

Op de foto staan kinderen. De jongens met petten op. Ze kijken naar de fotograaf die deel was van een humanitaire actie van het Amerikaanse Rode Kruis. De gebouwen zijn beschadigd door de gevechten van enkele jaren eerder. Het leed wordt getoond.

Gedachten bij twee foto’s uit Krasnojarsk (1911-1914)

Ksenia Konovalova, dochter van de beroemde Krasnojarsk-arts P.N. Konovalov aan het Shira-meer’, 1911. Collectie: Library of Congress.

Deze twee foto’s zijn afkomstig uit een collectie van 423 over ‘het dagelijks leven van de provincie Jenisej, eind negentiende-begin twintigste eeuw’. Dat is een gebied in Midden-Siberië met als belangrijkste plaats Krasnojarsk. De Jenisei is de langste rivier van Siberië, zodat er veel foto’s met schepen en riviergezichten in de collectie zijn.

Het is aardig om je voor te stellen wat in zo’n collectie de meest en minst tijdloze foto’s zijn. Ksenia Konovalova op haar fiets voor de familiedatsja aan het Shira-meer zou zo in een kostuumfilm van kort voor de Eerste Wereldoorlog kunnen stappen. In de verfilming van een verhaal van Anton Tsjechov.

Het gebed in Krasnojarsk viert de overwinning van het Russische leger op de Oostenrijk-Hongaarse troepen die in september 1914 Lemberg verloren. Kerk, vaderland en vorst vormen een eenheid. De Oostenrijkse overmoed om Servië in te willen lijven werd gevolgd door Russische overmoed dat een uitweg naar de Middellandse Zee zocht en weliswaar in Galicië won, maar uiteindelijk door de Duitsers verslagen werd. Niet alleen de enscenering van het gebed, maar het hele idee van kerk, vaderland en vorst doet gedateerd aan. Het zou een scène kunnen zijn uit een verhaal van Isaak Babel. Sepia ruiterij.

Gebed in Krasnojarsk over de overwinning van het Russische leger in de Slag om Galicië in augustus – september 1914’ Collectie: Library of Congress.

Duistere gedachten bij de foto: ‘Off for Trieste and Prague. Hospital ship Madras swinging out into harbor’ (1919)

Is dit de sfeer van duisternis die op dit moment velen van ons met zich meedragen? In een oplopende schaal gaat dat van onzekerheid, dreiging, paniek naar dood. Op de foto is het 7 mei 1919. De Spaanse griep heerst. Wikipedia zegt daarover: ‘De Spaanse griep was een beruchte grieppandemie uit de jaren 1918-1919. Deze wereldwijde epidemie eiste naar schatting 20 tot 100 miljoen levens, een aantal dat het totale dodental van de Eerste Wereldoorlog ruimschoots overtreft’. In tegenstelling tot de uitbraak van het coronavirus eind 2019 in China lag bijna honderd jaar eerder de oorsprong van deze ziekte in de VS. Het Indiase hospitaalschip Madras vaart de haven van Triëst binnen. Het lijkt zonder rood kruis op witte ondergrond eerder een doden- dan een hospitaalschip. Het schip komt zo te zien militairen ophalen, want een andere foto van dezelfde 7 mei 1919 zegt: ‘Wachten in boeg van ijsbreker om aan boord te gaan van hospitaalschip Madras’. Zijn het Tsjechen die komend vanuit Praag ergens heen vervoerd moeten worden? Interesseert het ons iets meer dan 100 jaar later?

Foto 1: ‘Off for Trieste and Prague. Hospital ship Madras swinging out into harbor’, 7 mei 1919. Collectie: Library of Congress.

Foto 2: ‘Waiting in bow of ice-breaker to board hospital ship Madras’, 7 mei 1919. Collectie: Library of Congress.