George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Museumkaart

Gevraagd: overheidsbijdrage van € 30 miljoen in museumkaart. Cultuurparticipatie!

with 3 comments

sTJEYmbAlNTrWPzj.png

Een volwassenticket voor het Stedelijk Museum kost € 15, voor het Rijksmuseum € 17,50, voor Boijmans € 17,50, voor het Van Gogh Museum € 17, voor het Nederlands Openluchtmuseum  € 16, voor het Anne Frank Huis € 9 en voor het Haags Gemeentemuseum € 13,50. Vooral incidentele bezoekers als toeristen of minder trouwe museumbezoekers betalen de volle prijs. Met een museumkaart (€ 54,95 exclusief eenmalige € 4,95 inschrijvingskosten per jaar), een Rembrandtpas (€ 65 per jaar) of lokale passen is gratis toegang mogelijk, hoewel musea voor bijzondere tentoonstellingen steeds vaker een kleine toeslag van € 2,50 of € 5 vragen.

De Zweedse regering Löfven (sociaal-democraten en Milieupartij) heeft volgens The Local een plan de toegang tot de rijksmusea gratis te maken. Zoals het Moderna Museet (toegang nu: € 12,85), het Nationalmuseum (nu: € 10,70), het Marinmuseum (nu: € 13,95) of het  Världskulturmuseet i Göteborg (nu: € 4,30 per jaar). The Local constateert dat de Zweedse musea ‘momenteel relatief prijzig’ zijn volgens Europese standaard. Uit de vergelijking blijkt dat Nederlandse musea tegen niet-gereduceerd tarief nog iets prijziger zijn dan de Zweedse musea. Cultuurminister Alice Bah Kuhnke (Milieupartij) zegt: ‘We moeten de boel opengooien en onze gezamenlijke schatten laten zien om andere groepen te bereiken dan degenen die meestal naar musea gaan.’

Ter compensatie van de weggevallen inkomsten heeft Bah Kuhnke aangeven dat ze € 8,6 miljoen beschikbaar stelt aan de rijksmusea. Dat bedrag kan opgehoogd worden als dit zoals wordt vermoed te weinig is. Kan het Nederlandse kabinet hier iets van leren? Dat ligt eraan of het serieus werk wil maken van cultuurparticipatie en mensen naar het museum wil trekken die er doorgaans niet komen. Ook een museumkaart is met € 54,95 (jongeren t/m 18 jaar: €27,50) voor bepaalde sociale groepen te duur. De brede Nederlandse museumsector is minder gecentraliseerd dan de Zweedse en meer afhankelijk van lokale overheden. De museumkaart heeft een omzet van zo’n € 50 miljoen. Met een relatief kleine jaarlijkse bijdrage van € 30 miljoen kan het kabinet ervoor zorgen dat de museumkaart met zo’n € 25 per jaar betaalbaar blijft voor allen. Wat pleit hier tegen?

Foto: J.W.M. Turner, The Fifth Plague of Egypt, bruikleen van het Indianapolis Museum of Art te zien t/m 3 januari 2016 op de tentoonstelling ‘Gevaar & Schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme’ in Rijksmuseum Twenthe.

Jan Cunen Museum moet sluiten. Ondanks breed protest

with 9 comments

2000_evolutieaquarium

Update 10 januari 2015: Is het toeval dat de ontvangst van het plan dat extern adviseur Marco van Vulpen van het Amersfoortse BMC voor de verzelfstandiging voor het Jan Cunen Museum geeft uitgewerkt met teleurstelling wordt ontvangen? Kritiek van oud-directeuren is dat de inbreng van de burgers en kunstenaars uit de stad Oss en omgeving hierin ‘totaal verwaarloosd’ wordt, aldus Het Brabants Nieuwsblad. Oud-wethouder voor de SP Jules Iding voorspelt dat het op deze manier een mottenballenmuseum wordt. Het voorliggende plan wijkt volgens Iding en de oud-directeuren af van het besluit dat de Osse gemeenteraad vorig jaar nam over de toekomst van het museum. Van Vulpen was ook betrokken bij de planontwikkeling van Museum Oud-Amelisweerd in Bunnik die volgens critici niet op een bestuurlijk correcte wijze is verlopen. 

Sluiting van het Jan Cunen Museum in Oss gaat door als er geen externe financiering gevonden wordt. De bezuinigingen van een half miljoen euro op het museum en het Stadsarchief zet de gemeente Oss volgens plan door. Zo bleek gisteren uit de behandeling van de Voorjaarsnota. De SP, D66, Beter Oss en GroenLinks stemden tegen. Uit die korting trok directeur Nicolette Bartelink eerder de conclusie dat voortzetting niet zinvol is. Ondanks een hoop verontwaardiging van kunstliefhebbers, een pleidooi van kunstenaars als Paul Klemann en Mai van Oers, Jan Marijnissen, een protestsite, een petitie, de initiatiefgroep Red Museum & Archief en het ultieme konijn uit de hoed van het Nederlandse poldermodel: ‘een werkgroep van wijzen‘.

Is het erg dat het Jan Cunen Museum in Oss moet sluiten? Ach, Nederland, Brabant en Oss overleven het wel. Ondanks het feit dat een meerderheid van de bevolking tegen sluiting is, inclusief de Osse ondernemers en de Rotary die vrezen voor een verslechterd vestigingsklimaat. Het deert de collegepartijen VVD, CDA, PvdA en Voor De Gemeenschap niet. De macht van het getal is hun argument. Vooraf zei de Osse VVD dat ‘exploitatie van een museum geen primaire gemeentelijke taak is‘. Met als eindplaatje ‘Een zelfstandige cultuursector‘. Met dezelfde redenering kan alles verzelfstandigd worden: onderwijs, zorg, gevangenissen of krijgsmacht.

Directeur Peter Jongsma van het Golfbad verwoordt in een tweet als antwoord op SP’er Jules Iding opnieuw het gezonde volksoordeel: ‘Kunst IS elitair! Vandaar zoveel subsidie voor handje vol bezoek.’ De culturele sector zou zich dit standpunt aan moeten trekken. Een schande is het trouwens niet dat kunst elitair is. Zoals in een land vol minderheden sport, film, popmuziek, religie of De Efteling ook elitair zijn. Met een Museumkaart werden in 2012 19,5 miljoen bezoeken aan een Nederlands museum gebracht. Het geeft mensen veel plezier. Een massale elite, zoals ook de top-50 dagattracties over 2012 leert met 10 musea. Deze mix van musea, attractieparken, dierentuinen, zwembaden en recreatiegebieden biedt elk wat wils. Oud, jong, laagopgeleid, hoogopgeleid, sportief, natuurliefhebber, cultuurliefhebber, energiek, intellectueel, reflectief, noem maar op.

Het Jan Cunen Museum is onderdeel van die infrastructuur. Wie aan de onderkant onderdelen weghaalt moet niet verbaasd zijn als na verloop van tijd het hele bouwwerk instort. Da’s de consequentie van de sluiting van een plaatselijk museum met landelijke uitstraling. Da’s precies de verantwoordelijkheid van het Osse college.

Foto: Paul Klemann, Aquarium of evolution. Tekening, 2000. Credits: Paul Klemann.

Apeldoornse CODA zou bezoekersaantallen te hoog opschroeven

with 9 comments

Klokkenluiders hebben het moeilijk. De militair Bradley Manning zou naar Wikileaks gelekt hebben. Ad Bos die in 2001 de bouwfraude naar buiten bracht moest in een caravan wonen. Fred Spijkers werd tegengewerkt door het ministerie van Defensie en vecht al jarenlang tegen de staat. Paul Schaap meldde veiligheidsproblemen bij de kerncentrale Petten en verloor zijn baan. Ook toenmalig EU-ambtenaar Paul van Buitenen was een bekende klokkenluider. Enkelen hebben zich georganiseerd in de Expertgroep Klokkenluiders. In een Zwartboek nemen ze afstand van het door Binnenlandse Zaken ingestelde College Klokkenluiden (Advies- en verwijspunt Klokkenluiders) omdat het eerder zou gaan om het controleren dan het beschermen van klokkenluiders.

Kamerlid SP’er Ronald van Raak ijvert voor het instellen van een Huis voor Klokkenluiders. Hoe vergaat het klokkenluiders? Bij ‘de zoveelste klokkenluiderszaak wordt niet het probleem opgelost, maar de klokkenluider op non-actief gezet’. Overheden en bedrijven weten niet met klokkenluiders om te gaan. Een terugvalregeling ontbreekt waar klokkenluiders die maatschappelijk uitgestoten worden een beroep op kunnen doen.

Klokkenluiders komen overal voor. Nu brengt volgens StrangeArt een anonieme klokkenluider bij het Apeldoornse ‘Cultuurwarenhuis’ CODA naar buiten dat bezoekersaantallen kunstmatig opgeschroefd zouden worden. Het doet denken aan de fraude met museumjaarkaarten van medio 1995 tot eind 1999 in het Zwolse museum De Stadshof. Dat museum kocht vervolging af met een boete van 100.000 gulden aan de Nederlandse Museumvereniging. StrangeArt verwijst naar een e-mail van de vermeende klokkenluider waarin beweerd wordt dat het aantal museumbezoekers bij CODA te hoog wordt voorgesteld. Omdat in CODA museum, bibliotheek en archief samengaan zou dat ten koste gaan van de vergoeding voor de bibliotheek.

Vraag is of in Apeldoorn een klokkenluider of een gefrustreerd werknemer aan het werk is. Dat wordt pas duidelijk door de beschuldigingen serieus te onderzoeken. Een externe commissie kan door een analyse van de bezoekcijfers van zowel museum als bibliotheek en gesprekken met personeel tot een conclusie komen. Dat de vermeende klokkenluider anoniem wil blijven is echter geen zwaktebod zoals de praktijk leert. Integendeel, het geeft juist gevoel voor realisme aan. Want het openbaar bestuur in Nederland praktiseert transparantie voornamelijk met de mond en maar spaarzaam in de praktijk. CODA krijgt een staartje.

Foto: Anouk Kruithof – ‘enclosed content chatting away in the colour invisibility’ (Holland Papier Biënnale 2010)

Hervorming museumsector gevraagd

with 12 comments

Hoe komen entreeprijzen van musea tot stand? Met wat moet je het vergelijken? Is een museum een volledig culturele bestemming of een samengaan van evenement en cultuur? Valt het te vergelijken met een bioscoopkaartje, de toegang van een voetbalwedstrijd, een bibliotheekpas, de entree voor de Efteling of een gratis Studium Generale lezing bij de Universiteit? Is een rendez-vous van twee uur met Van Doesburg hetzelfde als twee uur oogcontact met Kirsten Dunst?

Duidelijk is dat de museumsector niet tot eenduidigheid komt in de prijsstelling. Waar een toeslag van € 2,50 voor de Nachten van Van Gogh redelijk lijkt, komt € 6,00 toeslag voor Van Doesburg in de Leidse Lakenhal buitensporig over. Minder kwaliteit, minder naam, minder museum, maar toch een tweemaal zo hoge toeslag? Alsof een kaartje voor een voetbalwedstrijd in het stadion van VVV of RKC tweemaal zo duur is als Ajax in de Arena.

Hoewel op plaatselijk niveau voor pashouders of doelgroepen regelingen bestaan voor gratis toegang ontbreekt er in Nederland een overkoepelende regeling. Zo weten Fransen op woensdag gratis hun musea te vinden en heeft de Franse president Sarkozy de toegang tot de staatsmusea voor jeugdigen onder de 25 jaar gratis gemaakt. Ook andere groepen als werklozen en mensen die op de bijstand aangewezen zijn hebben gratis toegang. Sociaal beleid stroomt de musea binnen.

Terwijl inkomsten uit de verkoop van toegangsbiljetten doorgaans ondergeschikt zijn, lijken allerlei initiatieven om de drempel voor minvermogenden te slechten in Nederland niet te slagen. Wellicht omdat niemand de rekening wenst te betalen. Deze uitblijvende initiatieven geeft de museumsector geen sociaal en slim gezicht van een organisatie die politieke resultaten boekt.

Een projectgroep van de Museumvereniging concludeert in 2007 dat de Museumkaart een mooi product is voor de musea. De conclusie is dat zelfs zonder sponsor de financiële basis van de Stichting Museumkaart gezond is.

Bij de prijsstelling speelt dat het belang van de Museumkaart voor het Van Gogh Museum op de bedrijfsvoering relatief kleiner is dan bij een provinciaal museum als De Lakenhal, Centraal Museum of Groninger Museum. Door het hoge percentage buitenlandse bezoekers zonder Museumkaart kan het van Gogh Museum de toeslag op de Museumkaart laag houden. Neem de proef op de som en bezoek het Van Gogh Museum op een drukke zomerse dag. De rij voor de binnenlandse kassa voor Museum- en ook ICOM-kaarthouders bedraagt dan een fractie van de buitenlandse rij.

De ongelijkheid in toeslagen werkt verwarrend voor bezoekers. Waarbij het ontbreken van niet-strikt museale instellingen als de Rotterdamse Kunsthal bij het gebruik van de Museumkaart een nieuwe verwarring oplevert voor degenen die niet precies begrijpen wat een museum is. Maar da’s een ander onderwerp.

Oorzaak lijkt dat sommige steden hun gemeentelijke musea in achtereenvolgende bezuinigingsrondes flink hebben afgeknepen. Het ergste moet nog komen. Wat de linkse politiek de PVV terecht verwijt, namelijk rancuneus en kinderachtig gedrag jegens de cultuur kan de PVV terecht terugspiegelen. Middelgrote gemeenten als Amersfoort en Gouda slachtofferen hun musea. Da’s hun eigen prioriteit.

Soms zijn voormalige gemeentemusea op afstand gezet en geprivatiseerd onder de afspraak van een meerjarig contract en subsidie. Waarbij collectie en gebouw in handen van de gemeente blijven als drukmiddel. Of ze zijn nog in naam een gemeentemuseum waarvan de directeur direct rapporteert aan de wethouder van Cultuur.

Maar in beide gevallen zijn museumbudgetten afgelopen jaren verminderd of op zijn best bevroren. Dit terwijl allerlei kosten in de culturele sector bovengemiddeld zijn gestegen.

Daarbij komt dat gemeenten met hun vastgoedbezit avonturen aangegaan zijn en dat willen vermarkten. Waar vroeger kostbare en in het centrum gelegen museumgebouwen pro forma op een balans stonden worden ze nu op een semi-zakelijke markt van het gemeentelijk vastgoedbedrijf ingeboekt. Paradox is dat gemeenten graag een volwaardig en prestigieus museumgebouw willen financieren, maar zich steeds minder vast willen leggen voor de exploitatie met een open eind. Vaak een loze exercitie die ermee eindigt dat verhoogde huurpenningen worden kwijtgescholden. Maar het budget schiet wel de lucht in.

Wat rest is een idee van kapitalisering en een mentale druk op het museum om inschikkelijk te zijn om erger te voorkomen. Met een zwaard van Damocles boven de balans. Het museum is in de val gelopen door te veel te groeien in stenen en mensen en is verregaand inflexibel geworden. Het kan niet meer reageren.

Steeds meer ontbreekt sociaal-democratische wethouders met een hart die een idee van permanente educatie in hun politieke agenda hebben staan. Het ideaal van verheffing van het volk kreeg vroeger gestalte in een royale bijdrage aan het gemeentemuseum. Dat idee ontbreekt nu waar sociaal-democratische wethouders nog meer dan liberale bestuurders gestuurd worden door hun visie van het marktdenken.

Structureel heeft Nederland teveel musea en tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en op het nippertje, het Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een ADHD-achtige programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping van de inhoud, de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator of de museumdirecteur moet helpen vestigen. Maar geen enkel museum kan op straffe van weggezakte aandacht afhaken.

Nederlandse musea draaien internationaal niet meer mee zoals vroeger en hebben in het bruikleenverkeer weinig in te brengen. Modes bepalen de agenda. Enkele jaren terug was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door eigen schaarse middelen? Beter lijken terughoudendheid, reflectie en een betere onderlinge afstemming tussen musea zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en bezoekers weer op adem kunnen komen.

Projectsubsidies moeten het budget incidenteel en structureel ophogen. Da’s een onmogelijke opgave. Want het beroep op de Mondriaan Stichting, een vermogensfonds als het VSB Fonds -met een gehavend budget door de crisis-, het Prins Bernhard Cultuurfonds, een lokaal fonds als het K.F. Hein Fonds of een bedrijfssponsor -waarbij de banken deels weggevallen zijn door de crisis- is te groot geworden. Over het maecenaat is hetzelfde te zeggen. Ook dat brengt niet de volledige oplossing.

De BankGiroloterij ondersteunt Nederlandse musea structureel, dat wil zeggen langer dan drie jaar. Zo krijgen middelgrote musea als het Utrechtse Centraal Museum, het Nijmeegse Valkhof of het Haarlemse Frans Hals Museum een jaarlijkse bijdrage van € 200.000. Musea die geen sluitende begroting hebben vissen achter het net. Wat de kloof tussen de haves en de have-nots in museumland vergroot.

Een voorzichtige conclusie is dat de museale sector via de sectorale Museumvereniging niet de indruk weet te wekken de deelbelangen van de afzonderlijke deelnemers te kunnen overbruggen. Lastig in een veld waar concurrenten moeten samenwerken. Dat verschil uit zich eerder in de sexy programmering dan in overleg over aankopen, registratie of behoud. Afzonderlijke musea gaat het financieel slecht en ze hangen aan een lijntje. De relatie met de subsidieverstrekkende gemeente is er doorgaans een van afhankelijkheid.

Musea moeten zich herpositioneren en een stapje terugdoen om toekomstig onheil af te wenden. Het zou helpen -al is het intern binnen de museale sector of in een miniconvent- als er een onderscheid kwam tussen musea met een internationale, nationale of regionale uitstraling. Waarbij mogelijkheden gekwantificeerd worden aan de hand van kwantitatieve criteria zodat musea uit zelfbescherming niet overambitieus kunnen worden. Een kwart van de musea kan opgedoekt worden, waarbij in de keuze niet de regionalisering die het CDA voorstaat, maar de kwaliteit de doorslag moet geven.

Dan kunnen zelfs afnemende budgetten beter hun weg vinden en wordt de bezoeker beter dan nu gediend met een evenwichtige en kwalitatieve landelijke agenda. En wie weet lagere toeslagen. Passende titel voor een nota hierover zou kunnen luiden De Nederlandse museumsector: Van Wildgroei naar Win-Win. Dat laatste begrip is echter te verschrikkelijk voor woorden. De oplossing is namelijk niet meer management en consultants met hun turbo-taal, maar juist minder van dat alles. Terug naar de werkvloer van de echte professionals. Da’s de oplossing. Wie maakt dat duidelijk aan de museumsector?

Foto: Missiemuseum Steyl, Limburg