George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Museum Het Valkhof

Tussenbalans van het debat over Nijmegen en kunstveilingen

Consensus zie ik in de discussie over de Nijmeegse kunstveiling en het cultuurbeleid. Ondanks meningsverschillen die altijd bestaan. Allerlei soorten kunstenaars, niet-kunstenaars, personen werkzaam in de kunstsector en kunst-theoretici kunnen en mogen daarover meepraten. Geen enkele categorie heeft het laatste woord. Dat er voor degenen die er hun brood mee verdienen meer op het spel staat ligt voor de hand. Daarom past begrip dat kunstenaars zich hartstochtelijk en gedreven weren.

Minder is zeker onvoldoende in een politiek klimaat dat voor cultuur minachting toont. En wat uiteindelijk nog moeilijker verteerbaar is, de functie van kunst in onze samenleving niet erkent. Consensus ontstaat niet uit de kunstenaars tegen de rest. De consensus ontstaat door degenen die kunst als een onmisbare vormende en aanscherpende waarde in het leven zien. En de rest die dat weigert te zien of tot wie het besef van dit onderscheid niet eens doordringt. Trouwens een teken dat in het onderwijs nog heel wat te winnen valt.

Consensus bestaat dat een gemeente als Nijmegen de cultuur in de marge heeft gedrongen. Als Utrechter denk ik met weemoed terug aan sociaal-democratische cultuurwethouders als Pot en Van der Linden die nog maar 30 jaar geleden cultuur vanzelfsprekende dekking gaven vanuit het idee van verheffing van de eigen stadsbewoners. En dat gold voor vele steden met allerlei wethouders. Het idee is geenszins versleten, maar telt niet meer. Het type betrokken wethouders is ingewisseld voor managers die de politiek als loopbaan zien.

In Nijmegen komen de ontwikkelingen samen. Geen partij heeft nog een hart voor cultuur. Wethouders zijn inwisselbare procesmanagers die denken in procedures, planning en contracten. Hun ambtenaren opereren binnen kaders die de cultuur niet langer serieus nemen. Zij zien kunstenaars niet als burgers die mede de samenleving vormen. Gevolg van een en ander is dat de cultuur geen politieke steun meer heeft en wegspoelt als een zandkasteel op het strand bij springvloed. Waarbij camera’s geweigerd worden om het te openbaren.

Dat alles was de reden dat ik deze discussie opstartte over de kunstveilingen. Elementen zoals ik die hier schets zijn op dit blog herhaaldelijk in verschillende gedaanten gepasseerd. Aarzelend en zoekend, soms plots met enig inzicht. Mijn gesprek met Paul Klemann afgelopen zondag in de ruimte van zijn Tielse atelier annex galerie was een moment dat me de aanleiding gaf om bovengenoemde elementen te actualiseren.

Welnu, deze posting lijkt een actuele focus te bieden. Daar ben ik blij mee. In de vele reacties vormen die van de kunstminnenden de overgrote meerderheid. Feit dat vele beeldende kunstenaars de moeite nemen om hun gedachten te formuleren is positief en vind ik belangrijk. Maar naast hun betrokkenheid en liefde voor hun vak proef ik ook onzekerheid. Niet eens zozeer over hun eigen beroepspraktijk, maar meer over de talentontwikkeling. Over de afnemende maatschappelijke en politieke status van kunst. Over de collega’s die hun atelier al ontruimd hebben. Kortom, over het vervolg. Hoe gaat het verder met ons allen?

Deze veelheid aan aspecten is de breedte die nodig is. Het gaat over kunst en kunstenaars en over alles dat niet genoemd kan worden. Je kunt van kunstenaars zeggen wat je wilt, maar hartstochtelijk en gedreven zijn ze. Soms schieten woorden tekort waar beelden spreken. Of een zaal vol werk van Jan Schoonhoven dat idee nou tempert of juist aanwakkert. Ongrijpbaarheid is goed en hoeft niet altijd verklaard te worden.

De 19de eeuw is voorbij en de kunstenaar is geen priester meer. Soms kun je dagdromen dat die gedateerde scheidslijnen verkieselijker zijn dan de hedendaagse vaagheid waarachter openbaar bestuur en ambtenarij zich verschuilen. Ze zijn niet tegen te spreken omdat ze hun machtspositie hebben opgebouwd door wegduiken en ontlopen van verantwoordelijkheden. De tijd lijkt aangebroken dat het preciseren en vergroten van tegenstellingen te verkiezen valt boven de nieuwe gelijkheid. Tegen dat laatste is iedereen machteloos.

Foto: Nijmeegse kunstveiling van start, 2011

Nijmegen veilt kunst zonder de kunstenaars erin te kennen

Afgelopen weekend sprak ik een gerenommeerde Nederlandse tekenaar die een goede tien jaar geleden kunstwerken aan de gemeente Nijmegen had verkocht voor 3000 gulden per stuk. Via via hoorde hij dat hetzelfde werk onlangs door Nijmegen voor 100 euro op een kunstveiling is verkocht. Hij wist van niks. Dat bedrag is een koopje en staat in geen verhouding tot de tegenwoordige opbrengst van zijn werk. Van zijn getuige hoorde hij dat de veiling verre van professioneel opgezet was. Dat verklaart de lage opbrengst.

Volgens een brief van het Nijmegse college van 15 februari 2011 gaat het om kunst uit drie deelcollecties dat ontzameld wordt: 1) Aankopen die vanaf 1955 door de gemeente zijn gedaan en die na de verzelfstandiging van de Commanderie van St. Jan niet aan de collectie van Museum het Valkhof zijn toegevoegd; 2) Werken die van 1956 tot 1987 tijdens de Beeldende Kunstenaars Regeling periode (BKR) zijn verworven; 3) Werken die in de periode 1987 tot 2002 op basis van een jaarlijks gemeentelijk budget én met behulp van middelen van de provincie zijn verworven. De werken van de kunstenaar die ik sprak maakten deel uit van de laatste deelcollectie van zo’n 800 werken.

Op 14 september 2011 stelde Maurice Nooijen van Groen Links vragen aan het Nijmeegs college over de internetveilingen. Van de 3200 werken komen er zo’n 2200 onder de hamer. Opzet is om te komen tot een hoogwaardige kerncollectie van zo’n 1000 werken. De gemeente was niet van plan de kunstenaars te benaderen hun werk terug te nemen, maar bood het direct aan. Nooijen: ‘Een rechtstreekse veiling is onzorgvuldig en niet respectvol naar de kunstenaar toe. Wij vinden het belangrijk dat de gemeente altijd de kunstenaars de gelegenheid geeft de werken terug te nemen, zoals ook eerder is afgesproken’.

Henk Beerten is sinds april 2011 de Nijmeegse cultuurwethouder. Hij noemt de veiling van werken uit de gemeentelijke collectie succesvol. Zijn conclusie dat een breed publiek interesse heeft in moderne kunst kan kloppen, maar blijkt toch niet uit de kunstveilingen. Voordelig voor de gemeente is het niet als duur aangekocht werk voor een schijntje weggaat. Daarbij komt dat de marktwaarde van kunstenaars die door de gemeente tegen afspraken in niet worden geïnformeerd door deze uitverkoop onder druk komt te staan.

De getuige kan niet op de veiling door de RotaryClub Rijk van Nijmegen van 18 november duiden. Want de kunstenaar die ik sprak is geen Nijmegenaar. Door de gemeente werden 60 werken voor een goed doel beschikbaar gesteld. Door de Rotary uitgezocht. De opbrengst was € 40.000 en wordt door de organisatoren succesvol gevonden. Het wordt de hoogste tijd dat kunstenaars eens notaris, advocaat of ondernemer gaan spelen, zoals de Rotarians kunstveiling denken te kunnen spelen. Minder succesvol kan het moeilijk worden.

Foto: Kunstveiling op 18 november 2011 te Nijmegen. Credits: SelBach Vormgeving & Fotografie

Hervorming museumsector gevraagd

with 12 comments

Hoe komen entreeprijzen van musea tot stand? Met wat moet je het vergelijken? Is een museum een volledig culturele bestemming of een samengaan van evenement en cultuur? Valt het te vergelijken met een bioscoopkaartje, de toegang van een voetbalwedstrijd, een bibliotheekpas, de entree voor de Efteling of een gratis Studium Generale lezing bij de Universiteit? Is een rendez-vous van twee uur met Van Doesburg hetzelfde als twee uur oogcontact met Kirsten Dunst?

Duidelijk is dat de museumsector niet tot eenduidigheid komt in de prijsstelling. Waar een toeslag van € 2,50 voor de Nachten van Van Gogh redelijk lijkt, komt € 6,00 toeslag voor Van Doesburg in de Leidse Lakenhal buitensporig over. Minder kwaliteit, minder naam, minder museum, maar toch een tweemaal zo hoge toeslag? Alsof een kaartje voor een voetbalwedstrijd in het stadion van VVV of RKC tweemaal zo duur is als Ajax in de Arena.

Hoewel op plaatselijk niveau voor pashouders of doelgroepen regelingen bestaan voor gratis toegang ontbreekt er in Nederland een overkoepelende regeling. Zo weten Fransen op woensdag gratis hun musea te vinden en heeft de Franse president Sarkozy de toegang tot de staatsmusea voor jeugdigen onder de 25 jaar gratis gemaakt. Ook andere groepen als werklozen en mensen die op de bijstand aangewezen zijn hebben gratis toegang. Sociaal beleid stroomt de musea binnen.

Terwijl inkomsten uit de verkoop van toegangsbiljetten doorgaans ondergeschikt zijn, lijken allerlei initiatieven om de drempel voor minvermogenden te slechten in Nederland niet te slagen. Wellicht omdat niemand de rekening wenst te betalen. Deze uitblijvende initiatieven geeft de museumsector geen sociaal en slim gezicht van een organisatie die politieke resultaten boekt.

Een projectgroep van de Museumvereniging concludeert in 2007 dat de Museumkaart een mooi product is voor de musea. De conclusie is dat zelfs zonder sponsor de financiële basis van de Stichting Museumkaart gezond is.

Bij de prijsstelling speelt dat het belang van de Museumkaart voor het Van Gogh Museum op de bedrijfsvoering relatief kleiner is dan bij een provinciaal museum als De Lakenhal, Centraal Museum of Groninger Museum. Door het hoge percentage buitenlandse bezoekers zonder Museumkaart kan het van Gogh Museum de toeslag op de Museumkaart laag houden. Neem de proef op de som en bezoek het Van Gogh Museum op een drukke zomerse dag. De rij voor de binnenlandse kassa voor Museum- en ook ICOM-kaarthouders bedraagt dan een fractie van de buitenlandse rij.

De ongelijkheid in toeslagen werkt verwarrend voor bezoekers. Waarbij het ontbreken van niet-strikt museale instellingen als de Rotterdamse Kunsthal bij het gebruik van de Museumkaart een nieuwe verwarring oplevert voor degenen die niet precies begrijpen wat een museum is. Maar da’s een ander onderwerp.

Oorzaak lijkt dat sommige steden hun gemeentelijke musea in achtereenvolgende bezuinigingsrondes flink hebben afgeknepen. Het ergste moet nog komen. Wat de linkse politiek de PVV terecht verwijt, namelijk rancuneus en kinderachtig gedrag jegens de cultuur kan de PVV terecht terugspiegelen. Middelgrote gemeenten als Amersfoort en Gouda slachtofferen hun musea. Da’s hun eigen prioriteit.

Soms zijn voormalige gemeentemusea op afstand gezet en geprivatiseerd onder de afspraak van een meerjarig contract en subsidie. Waarbij collectie en gebouw in handen van de gemeente blijven als drukmiddel. Of ze zijn nog in naam een gemeentemuseum waarvan de directeur direct rapporteert aan de wethouder van Cultuur.

Maar in beide gevallen zijn museumbudgetten afgelopen jaren verminderd of op zijn best bevroren. Dit terwijl allerlei kosten in de culturele sector bovengemiddeld zijn gestegen.

Daarbij komt dat gemeenten met hun vastgoedbezit avonturen aangegaan zijn en dat willen vermarkten. Waar vroeger kostbare en in het centrum gelegen museumgebouwen pro forma op een balans stonden worden ze nu op een semi-zakelijke markt van het gemeentelijk vastgoedbedrijf ingeboekt. Paradox is dat gemeenten graag een volwaardig en prestigieus museumgebouw willen financieren, maar zich steeds minder vast willen leggen voor de exploitatie met een open eind. Vaak een loze exercitie die ermee eindigt dat verhoogde huurpenningen worden kwijtgescholden. Maar het budget schiet wel de lucht in.

Wat rest is een idee van kapitalisering en een mentale druk op het museum om inschikkelijk te zijn om erger te voorkomen. Met een zwaard van Damocles boven de balans. Het museum is in de val gelopen door te veel te groeien in stenen en mensen en is verregaand inflexibel geworden. Het kan niet meer reageren.

Steeds meer ontbreekt sociaal-democratische wethouders met een hart die een idee van permanente educatie in hun politieke agenda hebben staan. Het ideaal van verheffing van het volk kreeg vroeger gestalte in een royale bijdrage aan het gemeentemuseum. Dat idee ontbreekt nu waar sociaal-democratische wethouders nog meer dan liberale bestuurders gestuurd worden door hun visie van het marktdenken.

Structureel heeft Nederland teveel musea en tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en op het nippertje, het Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een ADHD-achtige programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping van de inhoud, de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator of de museumdirecteur moet helpen vestigen. Maar geen enkel museum kan op straffe van weggezakte aandacht afhaken.

Nederlandse musea draaien internationaal niet meer mee zoals vroeger en hebben in het bruikleenverkeer weinig in te brengen. Modes bepalen de agenda. Enkele jaren terug was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door eigen schaarse middelen? Beter lijken terughoudendheid, reflectie en een betere onderlinge afstemming tussen musea zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en bezoekers weer op adem kunnen komen.

Projectsubsidies moeten het budget incidenteel en structureel ophogen. Da’s een onmogelijke opgave. Want het beroep op de Mondriaan Stichting, een vermogensfonds als het VSB Fonds -met een gehavend budget door de crisis-, het Prins Bernhard Cultuurfonds, een lokaal fonds als het K.F. Hein Fonds of een bedrijfssponsor -waarbij de banken deels weggevallen zijn door de crisis- is te groot geworden. Over het maecenaat is hetzelfde te zeggen. Ook dat brengt niet de volledige oplossing.

De BankGiroloterij ondersteunt Nederlandse musea structureel, dat wil zeggen langer dan drie jaar. Zo krijgen middelgrote musea als het Utrechtse Centraal Museum, het Nijmeegse Valkhof of het Haarlemse Frans Hals Museum een jaarlijkse bijdrage van € 200.000. Musea die geen sluitende begroting hebben vissen achter het net. Wat de kloof tussen de haves en de have-nots in museumland vergroot.

Een voorzichtige conclusie is dat de museale sector via de sectorale Museumvereniging niet de indruk weet te wekken de deelbelangen van de afzonderlijke deelnemers te kunnen overbruggen. Lastig in een veld waar concurrenten moeten samenwerken. Dat verschil uit zich eerder in de sexy programmering dan in overleg over aankopen, registratie of behoud. Afzonderlijke musea gaat het financieel slecht en ze hangen aan een lijntje. De relatie met de subsidieverstrekkende gemeente is er doorgaans een van afhankelijkheid.

Musea moeten zich herpositioneren en een stapje terugdoen om toekomstig onheil af te wenden. Het zou helpen -al is het intern binnen de museale sector of in een miniconvent- als er een onderscheid kwam tussen musea met een internationale, nationale of regionale uitstraling. Waarbij mogelijkheden gekwantificeerd worden aan de hand van kwantitatieve criteria zodat musea uit zelfbescherming niet overambitieus kunnen worden. Een kwart van de musea kan opgedoekt worden, waarbij in de keuze niet de regionalisering die het CDA voorstaat, maar de kwaliteit de doorslag moet geven.

Dan kunnen zelfs afnemende budgetten beter hun weg vinden en wordt de bezoeker beter dan nu gediend met een evenwichtige en kwalitatieve landelijke agenda. En wie weet lagere toeslagen. Passende titel voor een nota hierover zou kunnen luiden De Nederlandse museumsector: Van Wildgroei naar Win-Win. Dat laatste begrip is echter te verschrikkelijk voor woorden. De oplossing is namelijk niet meer management en consultants met hun turbo-taal, maar juist minder van dat alles. Terug naar de werkvloer van de echte professionals. Da’s de oplossing. Wie maakt dat duidelijk aan de museumsector?

Foto: Missiemuseum Steyl, Limburg