Waarom ‘onuitsterfbaar’ niet in de Nederlandse woordenschat is opgenomen

Een petitie op petities24.com vraagt om opname van het woord ‘onuitsterfbaar’ in de Dikke van Dale. Een reden wordt niet gegeven. De petitie baseert zich op het lemma ‘onsterfelijk’ in de Dikke van Dale. Het woord ‘onuitsterfbaar’ lijkt een nieuwe zegswijze (‘neologisme’) dat ontstaat uit de woorden ‘onsterfelijk’ en ‘uitsterven’. Als het bestond zou ‘onuitsterfbaar’ trouwens geen bijwoord, maar een bijvoeglijk naamwoord zijn. Net als ‘eetbaar’ of ‘verteerbaar’. Bijvoorbeeld in de samenstelling ‘de onuitsterfbare mensheid’ of ‘een onuitsterfbaar idee’. Het achtervoegsel ‘-baar’ geeft er de betekenis ’te uit te sterven’ aan. Dat is een rare opeenstapeling. Het maakt duidelijk waarom het niet in de Dikke van Dale opgenomen is. Het woord toont onnatuurlijk en onlogisch. Voor degenen die denken dat eeuwigheid bestaat, en een hogere macht daarin een rol speelt is dit waarschijnlijk een onverteerbaar idee. Ze zullen hun heil bij andere woorden moeten zoeken.

Foto 1: Schermafbeelding van petitieOnuitsterfbaar in de Dikke van Dale’ op petities24.com, 11 oktober 2017.

Foto 2: Schermafbeelding van lemmaonsterfelijk’ in de Dikke van Dale Online.

Structuur van een artikel over kunst en koffie in een huis-aan-huisblad

kk

De Russische structuralist Vladimir Propp (1895-1970) onderzocht sprookjes en kwam tot de conclusie dat ze ‘te ontbinden zijn in een aantal vaste elementen. De sprookjes volgen allemaal één grondpatroon, dat men kan uitdrukken in 31 “morfemen” of „functies”, aldus Wikipedia.’ De mythe van het sprookje ontmaskerd. Of positiever gezegd: begrepen. Ik moest daaraan denken bij bovenstaand bericht in het Nieuwe Stadsblad.

Wat zijn vaste elementen van een artikel over kunst in een huis-aan-huisbladen van de middelgrote gemeente Schiedam? Uit welke bouwstenen is het opgebouwd en wat wil het ons vertellen? De toon is welwillend. Er wordt een positief beeld gegeven van het Kunst Caffè in het centrum van Schiedam. Het verband van kunst met het genotmiddel koffie wordt gelegd. Een psycho-actieve stof om ons beter te voelen. De associatie van het genot van koffie straalt op de kunst af. Een kunstenaar is actief bezig met een zelfportret, maar hij is niet te beroerd om ons van een tosti of koffie te voorzien. De kunstenaar is dienend. De klanten beseffen dat en vinden de weg naar de ‘ruimte vol kunst, koffie en ateliers’. Opnieuw wordt benadrukt dat hier gewerkt wordt door te verwijzen naar de ruimte die vol werkplaatsen is. Hier wordt niet geluiwammest, maar gewerkt.

De manier om een kunstenaar te ‘plaatsen’ is door te verwijzen naar de opleiding, een kunstenaarsinitiatief, een prestigieuze tentoonstelling in een gerenommeerd museum of de verkoop voor veel geld van een werk. De opleiding aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam geeft aan dat het hier om een professionele kunstenaar gaat. Beide kunstenaars zijn niet van de straat. Maar uiteraard wel van het atelier en de koffiehoek.

Dat de kunstenaar opmerkt dat kunst veel meer is dan wat in het museum te vinden is suggereert dat zijn kunst niet in het museum is te vinden. Met de lokale architect is een stichting opgericht die dient als platform. Een podium, uitbouw en toneel in de stad. Dat er verbindingen met ondernemers en culturele instellingen in Schiedam worden gezocht is de bouwsteen die dwingend uit het voorafgaande volgt. Evenals de aanbeveling van ‘twee dames die een dagje Schiedam doen’ dat ze het een leuke tent vinden. Ze vragen zelfs om meer kunstenaars in de stad. Vanzelfsprekend met een lekkere kop koffie erbij. Het maakt het verhaal rond.

Foto: Schermafbeelding van artikel ‘Kunst en koffie: smaakvolle combi’ in het Nieuwe Stadsblad, 24 maart 2016.