Waarom de vraag of mode kunst is niet van belang is

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Is mode kunst, vraagt journaliste Sanne van Rij zich af. Om de vraag goed te kunnen beantwoorden moet men eerst definiëren wat de functie van kunst is. Als dat aanscherpen, ter discussie stellen, reflectie en dwarsdenken of naast de werkelijkheid kijken zonder direct nut is, dan is mode geen kunst. Dan valt mode zelfs op te vatten als het tegenovergestelde van kunst. 

Als kunst performance, individuele interactie, zelfexpressie of maatschappelijke reflectie is, dan is mode kunst. Van Rij stipt in haar artikel niet zozeer aan of mode kunst is, maar wat kunst (nog) is.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

In het artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘van 20 september 2022 in de rubriek ‘Mode & Juwelen‘ redeneert Sanne van Rij naar de conclusie toe dat mode kunst is. Het verschijnt in Harper’s Bazaar dat uitlegt welke terreinen het bestrijkt: ‘intelligente nieuwtjes, inspirerende interviews met bijzondere vrouwen, interessante longreads en slimme tips op het gebied van stijl, beauty, carrière, cultuur en reizen. Met veel liefde voor mode, stijliconen en royals‘.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Of bij mode kunstenaars betrokken zijn of mode en kostuums opgenomen zijn in museumcollecties is niet het criterium. Dat moet niet verward worden met autonome kunstenaars die gebruik maken van mode, kostuums of textiel. Mode is dan niet hun eindproduct, maar een halffabricaat. Het gaat erom wat de functie van mode is en hoe die zich verhoudt tot de functie van kunst.

Van Rij concludeert uit wat zij als ‘verbintenis’ of verbondenheid tussen mode en kunst ziet, dat mode daarom kunst is. Dat is een indirect betoog dat de vraag vanaf de buitenkant benadert. Van Rij cirkelt om het onderwerp heen en meent door stapeling van associaties de vraag positief te kunnen beantwoorden dat mode kunst is. Maar precies wordt ze niet. De kern van de vraag of mode kunst is laat zij ongemoeid.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Van Rij verwijst in haar stuk naar design dat ze als onderdeel van kunst ziet als ze zegt: ‘De stap naar design, of in bredere zin kunst‘. Maar het is ook de vraag of design kunst is. Bij het beantwoorden van de vraag of design kunst is draait het opnieuw om de vraag hoe kunst gedefinieerd wordt en welke functie het maatschappelijk-politiek toebedeeld krijgt.

Wat doet het er toe of mode en design wel of niet opgevat worden als kunst? Eigenlijk niets. In het maatschappelijke en politieke debat wordt nauwelijks nog een onderscheid gemaakt tussen kunst en cultuur. Terwijl ze verschillende functies hebben. Grofweg gezegd, a-maatschappelijk aanscherpen tegenover maatschappelijk verbinden. Juist daarom is cultuur favoriet bij de politiek omdat het daarvan in het verlengde ligt, terwijl kunst er haaks opstaat. In het publieke debat heeft kunst door uitholling haar autonome eigenheid verloren en is allang ondergeschikt gemaakt aan cultuur.

Men kan allen maar gissen naar de vastberadenheid van Van Rij om aan te willen tonen dat mode kunst is. Een vraag die niet van belang is omdat cultuur kunst heeft ingelijfd. Mode is cultuur. Indirect is mode kunst.

Waarschijnlijk bestaat in het achterhoofd van Van Rij nog een idee dat het aanzien van kunst, of wat daar voor doorgaat, positief afstraalt op mode. En indirect op een tijdschrift als Harper’s Bazaar waarvoor ze werkt en dat wil laten zien dat het niet helemaal van de straat is. Blijkbaar creëert het schrijven over stijl, beauty, carrière, cultuur, reizen en royals de behoefte aan meer. Wat dat dan ook is.

New Look (1947)

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 9 juni 2011.

Christian Dior, New Look, The Bar Suit, 1947.

Vrouwenkleding raakt aan vele aspecten. Vrouwen worden vaak letterlijk in een corset gedrukt. Een reactie is reformkleding die vrouwen vrijlaat. Dat ging niet toevallig samen met de verwerving van het vrouwenkiesrecht. Een beweging die de taille bevrijdt en de vrouw weer adem geeft.

In allerlei culturen worden vrouwen gedwongen kleding te dragen zoals de mannen het graag zien. Of een designbril, een baard of een rekenmachine dat nou beslist. Vraag in alle gevallen moet zijn, wat willen de vrouwen zelf? Waar voelen zij zich lekker in.

De Bar Suit is het beeldende New Look ensemble bij uitstek. Met schuine schouders, gearticuleerde boezemlijn, gesmoorde taille en gewatteerde heupen. Het benadrukt alle typische kenmerken van Christian Dior. In 1947 zijn vrouwen de klos omdat de nieuwe lijn een strikt dieet vergt. Trouwens, witte of zwarte schoenen?

Christian Dior, New Look, The Bar Suit, 1947.

Mode met Roberto Capucci (1952)

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 16 augustus 2011.

Ben van Meerendonk, Aankomst van de jonge Italiaanse mode-ontwerper Roberto Capucci en zijn mannequins op Schiphol. 18 september 1952. Collectie: Ben van Meerendonk/ AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Op 18 september 1952 arriveert modeontwerper Roberto Capucci op Schiphol. Pas 21 jaar oud. Het heeft net geregend. Paraplu’s worden weggemoffeld. De laatste mannequin is gehaast en de derde staat stil. Wonder boven wonder vormen ze toch een rij. Net eendjes. Achter de wolken schijnt de zon en kunstlicht laat de lichte mantel oplichten. Italianen maken kennis met een typische Ruisdael-lucht.

Roberto Capucci wandelt op Schiphol een zonnige toekomst tegemoet. Als voorloper van ontwerpers die tegen de beeldende kunst aanleunen. Geïnspireerd door Christian Dior’s New Look die in 1956 beantwoord wordt. Italiaanse mode wordt dat jaar geboren en gaat concurrentie aan met Parijs. De geüniformeerde man op de fiets brengt aan het licht wat de frivole Daltons missen: zwaarte. Gravitas

Op de show later die dag toont Capucci in het Victoriahotel stoffen en zijn ware gezicht. Hij lijkt warempel op een jonge Nicolas Sarkozy die pas in 1955 wordt geboren. De vijf modellen kijken beroepsmatig toe.

Ben van Meerendonk, Modeshow van de Italiaanse ontwerper Roberto Capucci in het Victoria Hotel, Amsterdam, 18 september 1952. Collectie: Ben van Meerendonk/ AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Mode van het Zwitserse Hanro. Tussen modern feminisme en conventionele mannelijkheid in de jaren 1930

Stehendes Männer-Model in Herrenoberbekleidung mit Fernglas. Australië, jaren 1930. Collectie: Museum Baselland.

Wat we hier zien is duidelijk, maar de aanleiding voor de foto is dat niet. Gaat het om de verrekijker, de man of wat anders? Is dit het beeld van mannelijkheid uit de jaren 1930?

Wie de vraag stelt stuit op een interessante geschiedenis van het Zwitserse bedrijf Hanro (Handschin und Ronus) dat vanwege tariefmuren noodgedwongen internationaliseerde, zich specialiseerde in tricot en achteraf door anderen wordt geprofileerd als feministisch. Hanro is in 1991 overgenomen door het Oostenrijkse bedrijf Huber Holding.

De beschrijving van de foto die is opgenomen in de collectie van Museum Baselland door een schenking van 20.000 documenten en objecten van de Firma Hanro aan het kanton Basel-Landschaft zegt (vertaald): ‘Staande mannelijk model in herenbovenkleding met verrekijker. Het model draagt ​​een gebreide trui met geometrisch patroon en een geplooide broek. Waarschijnlijk een product van de Australische Hanro-tak aangezien de foto gemaakt is door een fotograaf in Melbourne.’

Geschiedenis van Hanro volgens Huber. ‘DISCOVERY OF MODERN FEMININITY. Madeleine Handschin, granddaughter of the company founder, creates a world first: ultralight bra tops as invisible underwear. Sporty leisurewear also finds a place in the HANRO collection with her beach and swimwear‘.

Was dat feminisme een tweede golf van Reform-kleding na 1900-1920 of een doorstart die in de jaren 1930 door nieuw textiel de vrouw bevrijdde?

Of zo’n bewering klopt is niet zozeer van belang, maar het is een interessante claim die achteraf culturele betekenis wil toevoegen aan een firma die het tijdens haar moeizaam bestaan uitsluitend om overleven te doen was. Daartoe zelfs uitweek van Zwitserland naar Australië.

Hoe het moderne feminisme van Hanro van de jaren 1930 zich verhoudt tot de man met verrekijker in gebreide trui met geometrisch patroon is niet op voorhand duidelijk. Marketing wijst soms vele kanten op. Daar is geen verrekijker voor nodig om te zien.

Madeleine Handschin was ontwerpster van Hanro en dochter van toenmalig directeur Carl Handschin. Na het Australische avontuur in Bendigo van 1926 tot 1933 kreeg zij samen met haar broer Eric die ingenieur in het bedrijf was opdracht van het tweede hoofd van het bedrijf Charles A. Ronus: productie van gebreide bovenkleding. Dat leidde tot technische innovatie en nieuwe vormgeving.

Het bijschrift bij onderstaande foto zegt onder meer over het vormvast breiwerk Wevenit (vertaald): ‘Madeleine gebruikt het ook om strandmode te ontwerpen: lange, knielange en zeer korte broeken, gecombineerd met zogenaamde pull-pyjama’s (korte, backless tops). De strandmode met een perfecte snit en fashionable chic verkoopt onder andere zeer goed aan de trendy Franse Rivièra.’ Maar toen gooide oorlog vanaf 1939 roet in het eten. Opnieuw.

Madeleine Kriesemer-Handschin an der Arbeit im Designatelier von Hanro, 1934. Collectie: Museum Baselland.

Kwestie Walter Van Beirendonck – Virgil Abloh – Louis Vuitton is waarschuwing voor een valse claim op zwarte identiteit

Het is tijd om te nuanceren in het zwart/wit-denken over identiteit. Afgelopen half jaar is door pressie van de antiracismebeweging Black Lives Matter in de VS een gekopieerde versie van de afrekencultuur (‘cancel culture’) naar West-Europa overgewaaid. Het is begrijpelijk dat achtergestelde groepen hun plek opeisen en zogenaamde bevoorrechte groepen worden opgeroepen hun voorkeurspositie af te staan. Dat gaat er niet zachtzinnig aan toe als mensen omdat ze wit zijn het recht van spreken wordt ontzegd en maatschappelijk worden uitgesloten. Maar de omstandigheden in de VS verschillen van die in West-Europa omdat een vanouds witte samenleving met terugwerkende kracht niet verweten kan worden wit te zijn. Kern van kritiek kan niet zijn dat witte Europeanen een bepaalde positie of identiteit hebben, maar dat ze niet bereid zijn nieuwkomers uit andere landen van herkomst toe te laten in hun beroepsgroep, woonomgeving of mentale ruimte.

Dit debat over identiteit wordt doorgaans gedomineerd door politieke activisten die zich profileren als zwarte achtergestelden. Door die invalshoek wordt het gereduceerd tot de achterstelling van mensen met een zwarte identiteit. Dit alleen al geeft aan hoe misleidend dit debat is. Want de zwarte gemeenschap is in economisch, sociaal en cultureel uiterst divers. Het is waarschijnlijk uitsluitend in politiek opzicht min of meer homogeen door overwegend links te stemmen, hoewel het oude automatisme van een stem op de PvdA is verdwenen.

Het is verbazingwekkend hoe de publieke opinie zo gevormd kan worden en media meegaan in een eenzijdige interpretatie van het zwarte verhaal. Zelfs NRC dat de nuancering claimt te zoeken, verliest de nuance uit beeld in een artikel over identiteit waarin het vijf beeldend kunstenaars aan het woord laat. Ze krijgen ruimte voor hun versimpelingen, aannames en individuele marketing dat hun eigenbelang in dit debat oppimpt.

Dit geeft aan dat het niet per se om het wegwerken van achterstand gaat, maar dat dit debat over identiteit voor leden van de zwarte gemeenschap als dekmantel kan dienen om eigen doelen te realiseren. Daar is niks mis mee als die individuele scoringsdrift eerlijk erkend wordt. Het wordt er echter verwarrend op als een zwart masker wordt opgezet om commerciële of individuele beweegredenen te verhullen. Dan dient de zwarte strijd voor gelijkheid uitsluitend eigen doeleinden. Gebrek aan talent kan zo versluierd worden door het te verbergen achter een politiek debat over identiteit en achterstelling. Maar het individu is daar nooit gelijk aan.

Hoe dat in de praktijk werkt toont de kwestie Walter Van Beirendonck – Virgil Abloh – Louis Vuitton. Van Beirendonk is een gerenommeerde witte, Vlaamse modeontwerper. Virgil Abloh is een Afro-Amerikaan die in dienst is bij modemerk Louis Vuitton. Hij is geen modeontwerper, maar iemand die handig ‘leent’ van modeontwerpers door wie hij zich laat ‘inspireren’. Ter legitimatie verwijst Abloh naar Marcel Duchamp, maar begrijpt hij de essentie niet van de conceptuele kunst waar Duchamp een van de grondleggers van was. Van Beirendonck beschuldigt Abloh van plagiaat, maar door het ‘zwarte masker’ van Abloh én zijn positie bij modebedrijf Louis Vuitton dringt die kritiek niet goed door. Of liever gezegd, Ablohs achtergrond als Afro-Amerikaan en de complexiteit van het identiteitsdebat neutraliseert de kritiek op het jatwerk van Abloh.

Uit een artikel van De Tijd blijkt ook dat Ablohs vriend rapper Kanye West die een bijzonder talent voor aandacht heeft, zich in het debat mengt. In een tweet verwoordt hij in de kern waar het om gaat en de wijze waarop Abloh opereert: ‘Virgil kan doen wat hij maar wil. Weet je hoe moeilijk het voor ons was om erkenning te krijgen? Vanuit Chicago?’. Volgens West heiligt het doel alle middelen. Hij suggereert hiermee dat de zwarte achtergrond van hem en Abloh de rechtvaardiging is om van iemand als Van Beirendonck tamelijk plat en creatiefloos ideeën te jatten en om de positie van witte kunstenaars over te nemen door ze in een politiek debat over identiteit van alles en nog wat te beschuldigen. Het meest opvallende aan deze kwestie is nog dat modemerk Louis Vuitton willens en wetens Abloh een dekmantel biedt voor de individuele en corporatieve marketing terwijl deze zich sluw verbergt achter een zwarte dekmantel van slachtofferschap en miskenning.

Foto 1: Walter Van Beirendonck, W:A.R. = Walter About Rights (galerie Polaris), 2020.
Foto 2:  Schermafbeelding van FB-post van Andrea Ciarlatano, 7 augustus 2020.

Gedachte bij foto ‘Mme. Paul Poiret modelling clothing designed by her husband: American Indian fashion’ (1913)

Het is 1913 en daar staat de echtgenote en muse Denise van de befaamde Franse modeontwerper Paul Poiret die door haar man ontwerpen kleding draagt. Hier een native American met hoofdband en veer. Een wat slome Indiaanse overigens. Poiret was de concurrent van Coco Chanel die ook wel als de vergeten modernist wordt voorgesteld. Een blik op Wikipedia laat weten dat Poirot zich voor zijn jurken liet inspireren door de kimono en dat hij variaties introduceerde op de tulband als hoofdbedekking. Exotisme dus. Hoe afwijzend  wordt dat nu door sommigen beoordeeld. Het oordeel dat toe-eigening van de cultuur van andere volkeren niet mag is onzin, maar het wint aan instemming. Hoe oppervlakkig en slecht beredeneerd ook. Het brengt de globe terug tot een afgesloten lokaal. Komt er ooit een oproep om dit soort foto’s te verbieden? Het is niet te hopen, maar wie weet. Een kanttekening lijkt verstandiger: Denise Poiret houdt zich van de gekke in Indiaanse stijl.

Foto: [Mme. Paul Poiret modelling clothing designed by her husband, 1913: American Indian fashion w/ headband & feather], 1913. Collectie: Library of Congress.

Racisme? Advertenties Dolce & Gabbana vallen slecht in China

De beschuldiging van racisme is het nieuwe normaal. Dat leidt soms tot onzinnige aantijgingen. Racisme moet aangepakt worden, maar wat als het geen racisme is en eerder een wat sterk aangezette stereotypering die de overgevoeligheid prikkelt en cultuurverschillen benadrukt? Verstoort dat dan juist de aanpak niet en werkt zo’n aantijging niet averechts in de bestrijding van racisme? Neem de reeks advertentie van het Italiaanse modemerk Dolce & Gabbana waarin een Chinese vrouw op haar manier geniet van gerechten uit de Italiaanse keuken. De advertenties op sociale media dienen ter promotie van een show in Shanghai, vandaag 21 november 2018. De show is afgelast door de Chinese autoriteiten. Wie profiteert er nou van deze marketing?

Hoe controversieel is de ‘controversiële kunst’ van Jason Dussault?

De titel bij deze video op het YouTube-kanaal van de Canadese VancouverSun is ‘Artist Jason Dussault debuts controversial new collection’. Wie weet wat er controversieel is aan Dussaults collectie mag het zeggen. Hij baseert zich op het mozaïek en noemt zich een ‘mosaic’ kunstenaar. Hij legt dat uit op zijn website. Daar valt trouwens een omschrijving te lezen waar veel kunstenaars zich niet in zullen herkennen: ‘nederigheid, het ware kenmerk van een kunstenaar’ (‘humbleness, the true mark of an artist’). Het lijkt er eerder op dat niet zijn conventionele beeldende kunst controversieel is, maar zijn persoon als modeontwerper en media-persoonlijkheid, en zijn overstap naar de autonome kunst, zoals blijkt uit een artikel van de VancouverSun. Wordt het een en het ander verward en vliegt de marketing van en door BC’er Dussault uit de bocht? Of zit het controversiële van Dussaults kunst in de vraag of het eigenlijk wel kunst is? En geen ambachtelijk inlegwerk.

HNI werpt zich op als coördinator van nieuw designmuseum in Amsterdam. De vlucht vooruit als afleiding van eigen problemen

hni

Het Nieuwe Instituut (HNI) in Rotterdam zoekt als afleiding de vlucht naar voren door verbreding. En het kiezen van een nieuwe naam: ‘Museum voor Architectuur, Design en Digitale cultuur’. De reden hiervoor is het ontbreken van eigen scherpte en diepte. Maar of die schijnbewegingen ook maar iets veranderen is de vraag.

Het museum verkeert in crisis en ligt onder vuur. Het kwam afgelopen jaren negatief in de publiciteit wegens belangenverstrengeling waarbij directeur Guus Beumer betrokken was, wilde op de bovenste twee etages een hotel-restaurant beginnen, had onvoldoende toezicht vanuit de Raad van Toezicht, kreeg een negatief advies van de Raad voor Cultuur en overtrad vele malen de Governance Code Cultuur volgens Cultuur+Ondernemen. Architect Kees van der Hoeven die HNI kritisch volgt wijst onder verwijzing naar een artikel in Pi-interieur opnieuw op belangenverstrengeling en het buiten de regels om direct gunnen van ontwerpopdrachten. Hij concludeert: ‘Hoe lang moeten we dat gehannes in Het Nieuwe Instituut nog verdragen?

Als klap op de vuurpijl was er vandaag een bericht in het cultuurblog van De Volkskrant met de titel ‘HNI wil designmuseum in Amsterdam’. HNI zou in Amsterdam een tijdelijk museum willen openen en daar langdurige bruiklenen van andere musea tonen. Genoemd worden het Textielmuseum in Tilburg, het Stedelijk Museum Den Bosch, het Amsterdam Museum en het Wim Crouwel Instituut. Ook Museum Boijmans van Beuningen, het Groninger Museum en natuurlijk het Stedelijk Museum zou HNI ‘aan zich willen binden’. Maar het is voorbarig nieuws omdat het om verkennende gesprekken gaat en nog niets beklonken is. Dit nieuwe HNI in Amsterdam zou  ‘dienen als een vitrine voor de deelnemende musea’. In hedendaagse termen: een pop-up museum.

Deze vlucht vooruit van het HNI roept vooral wantrouwen op. Hoe kan een museum dat zelfs de eigen zaken overduidelijk niet op orde heeft en hoe dan ook een belast verleden met zich meedraagt zonder een nieuwe start te kunnen of willen maken, negatief advies van de Raad voor Cultuur krijgt en waarvan de directie telkens weer beschuldigd wordt van belangenverstrengeling zich opwerpen als coördinator voor andere musea? Dat is volstrekt ongeloofwaardig. HNI is de laatste die deze taak geloofwaardig op zich kan nemen.

Daarbij komt dat hoofd beleid en actualiteit van HNI Floor van Spaendonck in De Volkskrant een merkwaardige opmerking maakt: ‘Het aanleggen en beheren van een vormgevingsarchief behoort niet tot de opdracht van HNI. Bovendien is er behoefte aan één plek die geheel in het teken staat van design.’ Deze medewerker van HNI -dat zich met een nieuwe naam onder meer ‘Museum voor Design’ noemt- zegt dat design bij HNI niet in optimale handen is. Maar er een museum moet komen dat uitsluitend aan design gewijd is. Dat ondermijnt de bestaansreden van HNI dat in Rotterdam drie deelcollecties (Architectuur, Design, Digitale cultuur) huisvest.

Wat musea als Boijmans of het Stedelijk -die HNI ‘aan zich wil binden’- aan moeten met de schijnbewegingen van HNI die bedoeld zijn als afleiding van de eigen problemen en voor het profijtelijk aanboren van nieuwe geldstromen is de vraag. Proefballonnetjes zijn leuk en het is nog leuker als een krant als De Volkskrant zich ertoe leent om ze zonder enige kritische noot op te laten. Maar de Nederlandse museumsector heeft er niets aan. HNI kan als het zichzelf serieus zou nemen nu al prachtige tentoonstellingen over design maken, en bruiklenen bij genoemde musea aanvragen. Zonder zalen leeg te hoeven laten staan. Maar dat laat het na. De vlucht vooruit in de breedte is een brevet van onvermogen van HNI. Hoelang gaat deze doodstrijd nog duren?

Foto: Onlangs gerenoveerd kantoor van HNI, zoals beschreven in artikel in Pi-interieur, november 2016.

ArtEZ weet wat cultureel ondernemen is. Maar weet het ook wat kunst is?

artez

Een tweet van Nelle Boer: ‘Mijn oude academie, , vraagt 200 euro aan alumni voor een cursus cultureel ondernemen’. Nee, een kunstenaar is geen ondernemer. Stel je voor. En een kunstacademie is geen opleiding voor ondernemers. Maar deze beroepsvariant is wel populair bij directeuren.

ArtEZ grossiert in cliché’s. Dat is een teken van lui denken. Het gebrek aan intellectuele kracht en onderscheidingsvermogen om hoofd- van de bijzaken te onderscheiden bij deze opleiding dringt zich op. Neem nou bovenstaande schermafbeelding over Broedplaatsen. Het ronkt van zelfpromotie waardoor de feiten ingekleurd worden met emotie. Het doet pijn aan de ogen. Van het gebruik van het woord ‘Broedplaatsen’ dat nietszeggend is tot en met de pretentie (succesvol, expertlezingen, innovatieve karakter) iets bijzonders te bieden. In een echte broedplaats wordt het plan ontwikkeld voor de opstand. In de broedplaats van ArtEZ wordt het omgekeerde nagestreefd: het leren van inschikkelijkheid aan de bestaande orde en de markt.

Onderwijs denkt zich aan de markt te moeten verkopen. Dat daartoe marketing nodig is hoort er blijkbaar bij. Het misverstand is dat het hier om (autonome) kunst gaat. Want kunst ontregelt, scherpt aan, zet aan tot denken en biedt schoonheid. Het omgekeerde van wat ArtEZ biedt. Bij de Broedplaats van ArtEZ gaat het om toegepaste kunst die al bij voorbaat ingepast is door het denken dat de studenten opgelegd wordt. Het mag, en is wellicht door allerlei omstandigheden onvermijdelijk. Maar noem het geen kunst. Want dat is het niet.

Gebruik van kunst als middel is niet uniek voor onderwijs. Ook de politiek maakt er graag goede sier mee.
Kunst straalt immers zo lekker af. Als het maar niet gevaarlijk wordt, geen eigenstandige positie inneemt en  ingepast wordt. Kunst moet getemd worden en geen praatjes hebben. Niet alleen dienen de scherpe kantjes afgevijld te worden, maar juist de kern ervan moet gesmoord worden. Van kunsthaters uit de PVV of de VVD kan dat nog begrepen worden. Ze zijn oprecht in hun afkeer. Maar dat kunstopleidingen onder het mom van ‘cultureel ondernemen’ zich opstellen als het verlengde van de industrie is onverteerbaar. Noem wat het is: toelevering. Noem het geen kunst. Want dat schept onnodige misverstanden over de betekenis van kunst.

Foto: Schermafbeelding van ‘Broedplaatsen’ van ArtEZ hogeschool voor de kunsten.