Wat verklaart de apathie van de kunstsector? Gedachte bij foto [Man working in museum display], 1931

Harris & Ewing, [Man working in museum display], 1931. Collectie: Library of Congress.

Bij de opheffing van de restricties als gevolg van de bestrijding van de COVID-19 pandemie mag de kunstsector achter aansluiten. Minister Hugo de Jonge gaf de kunst een trap na door te concluderen dat we een DVD-tje op kunnen zetten vanwege dichte theaters. De reactie daarop van kunstbobo’s was fel, maar ik miste de beste reactie om deze neerbuigende houding van de CDA-minister te weerleggen. Namelijk waarom zouden kerken open moeten zijn als gelovigen thuis de bijbel kunnen lezen? Kerken waren vanaf het begin uitgezonderd van de strenge maatregelen. Godsdienst wordt door het kabinet als essentieel gezien en kunst niet. De kunstsector staat wel te kijk in de etalage.

De schoffering van de kunstsector door de politiek heeft me afgelopen week beziggehouden. Niet in de zin van geamuseerd, maar van zorgen gebaard. Boosheid en onbegrip strijden om voorrang.

Een en ander roept vragen op. Aan museummensen en kunstenaars. Waar zijn het Mondriaanfonds en de Museumvereniging nu de kunstsector onder druk ligt en we ze nodig hebben? Ze geven niet thuis. Ze lijken mentaal en financieel te afhankelijk geworden van de rijksoverheid zodat als ze moeten spreken ze zwijgen. Of alleen wat plichtmatig en kosmetisch sputteren voor de bühne. Doorpakken en zich ferm uitspreken door het ondubbelzinnig op te nemen voor de kunstsector zit er niet in. Straks ligt niet alleen de kunstsector op zijn gat, maar hebben deze twee instellingen die dicht tegen de overheid aanleunen elke geloofwaardigheid verloren. Dan zijn de kunsten nog verder van huis. Dan is de missie van de politiek geslaagd om de kunst nog verder in te perken.

Tweet van Museumvereniging met eigen antwoord, 15 mei 2021.

Ik vermoed trouwens dat de Museumvereniging door het plotselinge overlijden van directeur Mirjam Moll op 16 maart 2021 onthoofd is. Ook het bestuur (Irene Asscher-Vonk, Erik van Ginkel e.a) laat zich echter publiekelijk niet horen. Of gaat de moeder van Lodewijk Asscher nu via haar zoon in gesprek mat PvdA-informateur Mariëtte Hamer?

Zelfreflectie van de kunstsector en de ondersteunende instellingen is nodig. Ze schitteren door afwezigheid in het publieke debat. Dat is bizar. Met als gevolg dat bordelen, horeca, sportscholen en de evenementenbranche in het kabinet door goede lobby naar voren zijn gedrongen en de kunstsector door apathie achter aan kan sluiten. Het is onverteerbaar dat een sector zich zo gewillig naar de slachtbank laat leiden.

De kunstsector moet in actie komen. Met harde acties die er niet om liegen. De politiek heeft de kunstsector zo geschoffeerd dat stilzitten overgave en het tekenen van het eigen doodsvonnis is. Is het dan toch waar dat culturele instellingen slecht bestuurd worden, hopeloos verdeeld zijn en vooral het kunstinstellingenbeleid van de overheid schragen? Nederland kent geen solide kunstbeleid omdat er gewoonweg geen steun voor kunst is. Het lijkt er sterk op. Alleen acties vanuit de kunstsector kunnen dat beeld rechtzetten. Nu.

Gedachten bij twee foto’s uit Krasnojarsk (1911-1914)

Ksenia Konovalova, dochter van de beroemde Krasnojarsk-arts P.N. Konovalov aan het Shira-meer’, 1911. Collectie: Library of Congress.

Deze twee foto’s zijn afkomstig uit een collectie van 423 over ‘het dagelijks leven van de provincie Jenisej, eind negentiende-begin twintigste eeuw’. Dat is een gebied in Midden-Siberië met als belangrijkste plaats Krasnojarsk. De Jenisei is de langste rivier van Siberië, zodat er veel foto’s met schepen en riviergezichten in de collectie zijn.

Het is aardig om je voor te stellen wat in zo’n collectie de meest en minst tijdloze foto’s zijn. Ksenia Konovalova op haar fiets voor de familiedatsja aan het Shira-meer zou zo in een kostuumfilm van kort voor de Eerste Wereldoorlog kunnen stappen. In de verfilming van een verhaal van Anton Tsjechov.

Het gebed in Krasnojarsk viert de overwinning van het Russische leger op de Oostenrijk-Hongaarse troepen die in september 1914 Lemberg verloren. Kerk, vaderland en vorst vormen een eenheid. De Oostenrijkse overmoed om Servië in te willen lijven werd gevolgd door Russische overmoed dat een uitweg naar de Middellandse Zee zocht en weliswaar in Galicië won, maar uiteindelijk door de Duitsers verslagen werd. Niet alleen de enscenering van het gebed, maar het hele idee van kerk, vaderland en vorst doet gedateerd aan. Het zou een scène kunnen zijn uit een verhaal van Isaak Babel. Sepia ruiterij.

Gebed in Krasnojarsk over de overwinning van het Russische leger in de Slag om Galicië in augustus – september 1914’ Collectie: Library of Congress.

Gedachte bij foto ‘Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’ (1940)

Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’, 1940 . Collectie: Library of Congress.

Het gaat in de titel om het begrip ‘reputatie’. De titel zegt: ‘De reputatie van Provincetown als kunstcentrum biedt voldoende inkomsten voor verschillende kunstacademies. Buitenklassen zullen waarschijnlijk overal opduiken’. Provincetown is een toeristische plaats op het uiterste puntje van schiereiland Cape Cod in Massachusetts.

De reputatie van Provincetown als kunstcentrum maakt het dus waarschijnlijk dat overal buitenklassen opduiken. Zoals op de foto op het witte strand van Provincetown. Maar dit roept allerlei vragen op. Wat zijn dat voor buitenklassen die meeliften op de reputatie van een stadje als kunstcentrum? De vervolgvraag is of deze buitenklassen de reputatie helpen verzwakken of versterken. Hoe lopen professionele en niet-professionele kunst door elkaar en hoe hebben ze invloed op elkaar via het scharnierbegrip ‘reputatie’?

Het is maar een kleine vraag bij deze intrigerende, documentaire foto van Edwin Rosskam. Kunst als bezigheid van toeristen en zingeving voor een vakantie. Het is augustus 1940. Op hetzelfde ogenblik wordt er gevochten in Europa. Dagjesmensen komen met de boot uit Boston. De ferry ‘Steel Pier’ ligt in de achtergrond gemeerd aan de pier. Portugese vissers hebben hun vis aan land gebracht. Op het strand van Provincetown is het tekenles. Dat tekent de sfeer. Ontspannen, artistiekerig en aanhakend bij vermaardheid. Zo terloops als het leven zelf.

Madam Lillian en de ‘girlie show’. Foto’s van de Rutland Fair, Vermont (1941)

Uit deze foto uit 1941 blijkt niet dat het storm liep bij Madam Lillian in Rutland, Vermont die het verleden, het heden en de toekomst vertelt. Zo staat het op het bord: ‘She tells the past, present & future’. Dat is niet niks. Het sluit mooi aan bij een zinsnede als ‘om je de waarheid te vertellen’. Het betekent eerder zoiets als ‘uitleggen’ dan ‘voorspellen’. Hiermee lijkt Madam Lillian veilig aan de kant van de redelijkheid te blijven. De titel van de foto ‘Fortune teller’, dus ‘waarzegster’ stelt Madam Lillian anders voor dan ze zelf doet. Hoewel het een ingewikkeld spel is omdat ze natuurlijk wel suggereert dat ze de toekomst kan voorspellen. Maar zeggen doet ze het niet met zoveel worden.

Over mensen die Madam Lillian bezoeken moet niet laatdunkend worden gedaan. Ze hebben behoefte aan een verhaal. Daar is niks mis mee. Madam Lillian en haar klanten weten dat het nep is. Het is amusement zoals dat hoort op een kermis.

Bij de attractie Dames, ofwel ‘a “girlie” show’ op dezelfde kermis is het stukken drukker. De meisjes staan op een verhoging en de voornamelijk mannen en jongens kijken tegen de meisjes op. Als het woord mannelijke ‘blik’ (gaze) in 1941 nog niet bestond, dam had het hier uitgevonden kunnen worden. Men kan zich alleen maar afvragen wat er te zien is in de ‘girlie show’. Waar Madam Lillian voor het innerlijk gaat, gaat deze ‘girlie show‘ voor het uiterlijk.

Deze attractie was onderdeel van de ‘World of Mirth Show’ die langs de Oostkust van de VS en Canada heen en weer reisde. Ooit werden de attracties met meer dan 50 treinwagons verplaatst. De Rutland Fair was dan ook meer dan een gewone kermis. Het was freak show, paardenrace, circus, kermisattractie en jaarmarkt ineen.

Fotograaf van deze intrigerende foto’s van de Rutland Fair is Jack Delano. De serie kwam tot stand in het kader van de Farm Security Administration dat het leven op het platteland en steden in de jaren 1935 tot 1944 documenteerde. Dat is niet toevallig de regeerperiode van president Roosevelt die met zijn New Deal project de recessie bestreed en de economie weer op gang probeerde te krijgen. Fotografen legden hierbij vast hoe boeren op gang geholpen werden met overheidsgeld. Later werd de onderwerpkeuze verbreed. Omdat de New Deal mede de opzet had om kunstenaars aan het werk te helpen sneed met deze fotoreportages het mes aan twee kanten.

Gedachte bij foto [Peasants being photographed for identity cards, headdress removed], 1934-1939

Een fotograaf die een andere fotograaf fotografeert is een subgenre. Je zou het in dramaturgische termen episch en Brechtiaans kunnen noemen. Ofwel, het bewust scheppen van afstand om het publiek inzicht te geven. Het tot stand komen van de foto wordt niet weggemoffeld en zelfs deel van het onderwerp.

Doorgaans wordt in de verhalende traditie van de 19de eeuwse roman en de filmindustrie van Hollywood de montage uitgevlakt. De schijn wordt gewekt dat het verhaal zich als het ware zelf vertelt. Onzin uiteraard. Is deze traditie de reden dat er zo betrekkelijk weinig registraties zijn van beeldende kunstenaars in hun creatieve proces?

Dit is een beeld uit Palestina in de jaren 1930. Boeren worden gefotografeerd voor hun identiteitsbewijs. De hoofdbedekking wordt verwijderd. Het gaat over identiteit en het vastleggen ervan. En het vastleggen van het vastleggen. Nou, dat ligt behoorlijk vast. Tot welk leed dat kan leiden weten we uit de geschiedenis. Dat is weer een ander onderwerp. Terwijl van dit onderwerp nog niet eens duidelijk is waar het over gaat: fotografie, identiteit of de politiek van het Midden-Oosten? Of alles tegelijk en door elkaar?

Foto: [Peasants being photographed for identity cards, headdress removed], 1934-1939. Collectie: Library of Congress.

COVID-19 houdt ons een spiegel voor: ‘De rek is eruit’ of ‘Onze veerkracht is groter dan ons verteld wordt’?

Je hoort het de laatste weken steeds meer ‘de rek is eruit’. Een petitie vraagt om ‘een open en vrije samenleving, waarin iedere burger vrij is om te gaan en te staan waar hij wil.’ Dat is marketing van de politieke partij Vereniging Vrij en Sociaal Nederland. Burger is mannelijk.

De medische oorzaak die kan leiden tot overbezette ziekenhuizen en IC’s, en uitgestelde zorg voor andere ziektes wordt weggemoffeld. Vrijheid is de leus. Ieder voor zich. De banvloek van 2021 is de excommunicatie van de werkelijkheid. Daar gaan velen lichtzinnig in mee.

Wie de media volgt komt al snel tot het vermoeden dat er een complot is om burgers als zielig, afhankelijk en op de rand van een zenuwcrisis of depressie af te beelden. Media doen niet alleen verslag, maar zetten zelf de toon van het opzwepen en het wijzen op de miskenning.

Hulp zou nodig zijn voor jongeren, ouderen en iedereen in psychische nood. Burgers kunnen het blijkbaar niet meer alleen klaren. Ze zijn te beklagen en hebben hulp van de staat nodig.

Nederland heeft zich onder het regime van COVID-19 verklaard tot een land van watjes. Terwijl de zorgsector onder enorme druk staat schiet Nederland in de verpleegstand. Als in een eierdoosje van zes met schattige veertjes liggen ze zacht met elkaar afgesloten van de harde wereld verbolgen te wachten op wat komen gaat. Of zo lijkt het in de media.

Vermoedelijk zijn Nederlanders veerkrachtiger en souvereiner dan nu alom wordt gesuggereerd. Dat geluid dringt slecht door omdat het niet in het denken past. Maar de befaamde Nederlandse trits van individualisme, nuchterheid en medemenselijkheid is niet weggesmolten als het laatste restje sneeuw voor de zon. Het is een beeld dat wordt vervormd.

Gaat het zo slecht met de Nederlanders dat ze reden tot klagen hebben? Er zijn beperkingen waarvan iedereen baalt. Maar het raderwerk van de samenleving loopt toch gewoon door? Iedereen kan de straat op en genieten van de zon. Iedereen kan een vriend of vriendin ontvangen of spreken. Onze veerkracht is groter dan ons verteld wordt. Weten we het niet? Daar op wijzen is het beste medicijn.

Foto: Aleksandr Mikhailovich Bermant, Yuzhno-Kurilsk. 2000. In de serie: ‘The Russian Far East in Modern Photography’. Collectie: Library of Congress.

Gedachte bij foto ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’ (1896)

Vaak wordt vergeten dat het Russische keizerrijk aan het einde van de 19de eeuw een stevige economische expansie kende. Het was bezig met een race om de Europese staten economisch in te halen. In 1913 was het de vijfde industriële natie ter wereld. Maar uiteindelijk stokte om politieke redenen de expansie.

De titel van deze afbeelding van de Amerikaanse ontdekkingsreiziger en fotograaf William Henry Jackson leest als een 19de eeuwse Russische roman van Gogol, Toergenjev of Tsjechov: ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’. In elk geval prikkelt de foto de fantasie. De kou is voelbaar. De twee koetsiers hebben net op een Siberische postweg 33 kilometer door de sneeuw gereden bij 40 graden vorst.

Het Wilde Westen van de VS en het Verre Oosten van het Russische Keizerrijk waren grensgebieden waarvan de grens steeds opschoof. Het ging om ontdekking, groei, ontginning en kolonisatie. De Yemschiks zijn de cowboys die aan het eind van de 19de eeuw in de westerse publieke opinie bekend waren onder die ‘vreemde’ naam.

De afbeelding is een handgekleurde glasplaat voor de toverlantaarn. Dat apparaat vóór de uitvinding van de film in 1895 dat leek te toveren en te betoveren. Ter vermaak en ter educatie. De ontdekking van de wereld werd dichtbij gebracht. Ook nu nog is het fascinerend om je voor te stellen wat een westers publiek in 1896 of kort daarna dacht bij deze afbeelding. Vond men het vreemd uitheems of juist op een vertrouwde manier herkenbaar omdat het overeenkwam met wat men uit de eigen omgeving kende? Die omgeving waar wij het beeld van kwijt zijn geraakt.

Foto:  William Henry Jackson, ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’, 1896. Handgekleurde glasplaat. Collectie: Library of Congress.

Gedachte bij foto [Every soul is a circus]

Iets kan mooi van lelijkheid zijn. Dat heeft te maken met het onvolmaakte. Dat wordt geïllustreerd door een schoonheidsvlek, een tâche de beauté. De afwijking benadrukt de schoonheid. Het gaat om de verhouding tussen het een en ander. Is lelijk echt lelijk volgens onze esthetische normen of slechts een vergezochte afwijking die als opzet heeft om het mooie te onderstrepen?

Deze foto roept bij mij vragen op. Behalve met het onvolmaakte heeft het ook te maken met pretentie. Komt de opzichtige glitter geloofwaardig over? Of wordt het onaannemelijk doordat de schijn van waarheid tekortschiet?

Is de voorstelling op de foto nou mooi van lelijkheid of lelijk van mooiheid? Of blijft het ergens in het midden hangen? Ik kom er niet uit. Ik kan het niet thuisbrengen terwijl ik dat uitvergrote en bevroren idioom van de theaterfoto wel meen te kennen. Dat er iets niet klopt aan wat ik zie leidt in mijn ogen tot de slotsom het een waanvoorstelling te noemen. Dat is niet negatief bedoeld als verbeelding en illusie positief opgevat worden. Zie ik het wel goed of staat mijn esthetische en historische antenne verkeerd afgesteld? Dan ga ik lelijk de mist in.

Foto: [Every soul is a circus], Collectie: Library of Congress.

Gedachte bij foto ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’

Velen denken zich tegenwoordig te voelen als ze menen dat deze man op de foto zich voelt. Verloren en ontredderd in een IKEA-bouwpakket zonder begrijpelijke handleiding en voldoende schroeven en moertjes. Teneergeslagen in een omgeving of een tijd, kortom een samenleving die een niet te ontwarren warboel is.

Dat is de verkeerde conclusie. De man op de foto is de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925 – 1991) die hier in 1974 weliswaar werkt aan zijn sculptuur werk ‘Chaos 1’ of ‘Chaos No. 1’ voor The Commons in Columbia, Indiana, maar daarmee nog niet in wanorde vervalt. Integendeel. Tinguely gaat met zijn werk niet ten onder aan de chaos, maar bezweert die juist. Uit ordeloosheid schept hij orde. Hij probeert de chaos voor zich te laten werken. Zijn kinetische kunst trotseert de verbeelding, de zwaartekracht en onze verwachting.

Het is simpel om de rekening van de eigen tijd op te maken met de slotsom dat het nog nooit zo chaotisch, erg of verward is geweest. Onzin. Het nu is niet meer afschrikwekkend of gedesorganiseerd dan andere tijden.

Door dat te beweren begrijpt iemand zowel de eigen tijd als het verleden niet. Maar het grootste bezwaar aan zo’n opstelling is dat het wegvlucht in fatalisme en daardoor de toegang tot het levenslot uit handen geeft.

Foto: Balthazar Korab, ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’. Collectie: Library of Congress.

Gedachten bij de foto: ‘Three Japanese men, possibly journalists, seated on the steps of a gazebo’ (1905)

Hoe weten we wie journalist is? De titel van deze foto uit 1905 is: ‘Three Japanese men, possibly journalists, seated on the steps of a gazebo’. Onder dat laatste moet een paviljoen-achtig bouwwerk verstaan worden. Ik heb er geen idee meer van wat de grens aan de journalistiek is. Duidelijk is wat hard core journalistiek is en die floreert meer dan ooit, maar minder duidelijk is hoe journalistiek zich aan de marge manifesteert.

Die marge is steeds breder en diffuser geworden. Er zijn volop voorbeelden van gevestigde media die eraan meehelpen om desinformatie van rechts-populisten te verspreiden. Ze schijnen het niet eens meer te beseffen. Het maakt somber dat journalisten zich hebben laten verleiden om mee te gaan op dat pad. Ze worden ongetwijfeld ook somber van zichzelf. In 1905 had je niet meer nodig dan een kostuum, gepoetste schoenen, papier, pen en een aanleiding als de Russisch-Japanse oorlog om over te schrijven. In alle rust.

Foto: [Three Japanese men, possibly journalists, seated on the steps of a gazebo], Collectie: Library of Congress.