George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Levensovertuiging

Hoogleraar Tom Zwart (Universiteit Utrecht) vermengt religie met politiek. Hij wil ‘islamjongeren’ meer islam geven

leave a comment »


Het Parool plaatst vandaag een interview van de verdienstelijke journalist Bas Soetenhorst met Tom Zwart, hoogleraar cross-cultureel recht aan de Universiteit Utrecht. Zwart schuwt controversiële uitspraken niet. Zo zei hij op een symposium over islamofobie en burgerrechten dat op zaterdag 28 september in Amsterdam werd gehouden dat de overheid met het secularisme ‘zijn eigen godsdienst propageert’. Ook toen deed Soetenhorst er in Het Parool nauwgezet verslag van. In een commentaar van 1 oktober had ik kritiek op Zwart en op de Universiteit Utrecht dat iemand die deze uitspraken doet in dienst neemt er niet publiekelijk ter verantwoording voor roept: ‘Als Zwart bij zijn bewering blijft dat de overheid het secularisme als eigen godsdienst propageert, dan verdient het afweging voor het bestuur van de Universiteit Utrecht om afscheid te nemen van Zwart. Iemand met zulke dwaze en radicale gedachten hoort niet thuis op een gerenommeerde universiteit’. De scherts is dat genie aan domheid grenst. Zwart lijkt er door zijn uitspraken het voorbeeld van.

In welke werkelijkheid van welke eeuw leeft deze cross-culturele hoogleraar Tom Zwart? Hij stoft het controversiële beleid van de ‘compenserende neutraliteit‘ van de oud-burgemeester van Amsterdam Job Cohen af dat later door zijn opvolger Eberhard van der Laan resoluut bij het oud vuil werd gezet. Waarom is dit beleid dat Zwart verkondigt en neerkomt op de vermenging van politiek en religie ongewenst, ongelukkig en achterhaald? 1) Het kost de belastingbetaler geld dat in een religieuze organisatie gestoken wordt. 2) Het speelt de orthodoxe islam het meest in de kaart, en de liberale islam minder. 3) Het is in strijd met de scheiding van kerk en staat. 4) Het sluit jongeren met een Marokkaanse of Turkse etnische achtergrond eenduidig op in een religieuze omgeving wat hun emancipatie en integratie buiten eigen kring bemoeilijkt. 5) Het is in strijd met de ontwikkeling van Nederland waar jongeren afstand nemen van religie en zich er steeds minder door laten inspireren. CBS: ‘Veruit het minst religieus betrokken zijn jongeren van 18 tot 25 jaar’.

Wat Tom Zwart bezielt en waarom hij oude, weerlegde theorieën uit de kast haalt en bizarre uitspraken blijft doen is een wonder. Dat zijn werkgever, te weten de Universiteit Utrecht dat laat gebeuren en hem niet op het matje roept -want in dit interview profileert Zwart zich opnieuw met zijn functie aan deze universiteit zoals de kop verduidelijkt- is het grootste wonder. Het is al erg genoeg, maar verteerbaar dat Zwart als privé-persoon deze uitspraken doet, maar het is onverkwikkelijk dat hij met (stilzwijgende) toestemming van de Universiteit Utrecht en onder de dekking van de wetenschap zulke controversiële uitspraken kan blijven verkondigen.

Foto: Schermafbeelding van delen uit het interviewHoogleraar cross-cultureel recht: ‘Meer islam is nodig, niet minder’’ van Bas Soetenhorst met Tom Zwart, hoogleraar cross-cultureel recht aan de Universiteit Utrecht in Het Parool, 17 oktober 2019.

Hoogleraar Tom Zwart (Universiteit Utrecht) meent dat overheid secularisme als eigen godsdienst propageert. Is hij de rede voorbij?

with 5 comments

Hoe is het mogelijk dat het College voor de Rechten van de Mens (een zelfstandig bestuursorgaan van de Nederlandse rijksoverheid) partner is van het Collectief tegen Islamofobie & Discriminatie (dat in de titel wordt gespeld als ‘Descriminatie’)? Dat begint al met de omstreden term ‘islamofobie’ die claimt dat er ‘haat of vooroordelen jegens of discriminatie van moslims’ bestaat. Wordt hiermee zakelijke kritiek op de islamitische religie niet afgeleid en bij voorbaat geneutraliseerd? De Britse Josie Appleton zag al in 2002 het gebruik van de term ‘islamofobie’ als hype, ofwel een mediagekte die het omgekeerde bereikt van wat het zegt na te streven: ‘Het moedigt moslims aan om in angst te leven voor aanvallen en om dagelijkse incidenten buiten proportie op te blazen. Het onderdrukt ook het debat en de betrokkenheid tussen moslims en niet-moslims.’

Aanleiding voor de kritiek op de term ‘islamofobie’ is een verslag van Bas Soetenhorst in Het Parool van 29 september 2019. Hij doet verslag van een symposium over islamofobie en burgerrechten dat op zaterdag 28 september in Amsterdam werd gehouden. Het werd georganiseerd door het Collectief tegen Islamofobie & Discriminatie en ‘een tak van de afdeling antropologie van de Universiteit van Amsterdam’ aldus Soetenhorst.

Hoogleraar Crosscultureel recht Tom Zwart bij de vakgroep Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht was een van de sprekers. Hij deed volgens Soetenhorst de volgende uitspraak: ‘De overheid propageert zijn eigen godsdienst ten koste van andere godsdiensten’. Dit is een merkwaardige uitspraak die niet alleen niet juist is, maar evenmin logisch en begrijpelijk. Hoe is het mogelijk dat een hoogleraar Crosscultureel recht van de Universiteit Utrecht van wie men toch enige kennis en omzichtigheid zou verwachten tot zo’n niet door de feiten geschraagde uitspraak komt? Hoe kan Zwart zo warrig zijn? Hij beschadigt er niet alleen de Universiteit Utrecht en de Rechtsgeleerdheid mee, maar ook de geloofwaardigheid van de Nederlandse wetenschap. Hoe stelt hij zich voor dat de overheid ‘zijn eigen godsdienst propageert’? Waar hij het secularisme mee bedoelt.

Is Tom Zwart echt zo dom als het lijkt? Het lijkt er jammergenoeg sterk op. Ik op mijn beurt schaam me kapot omdat de Universiteit Utrecht mijn Alma Mater is en zo’n kwiebus als Zwart daar nu hoogleraar is. Met zijn uitspraak laat Zwart zich kennen als een hardliner die op een lijn te stellen is met orthodoxe christenen en moslims die het secularisme aanvallen. Maar het secularisme is een politieke filosofie die alle godsdiensten en levensovertuigingen binnen de rechtsstaat zonder onderscheid gelijk behandelt. Of daar in elk geval naar streeft, omdat de praktijk achterloopt op de theorie. Traditionele godsdiensten hebben als relicten uit het verleden vaak nog voorrechten waar ze zich krampachtig aan vastklampen en geen afstand van willen doen.

Het secularisme is geen godsdienst die ten koste gaat van godsdiensten. Zwart moet en kan dit weten. Maar in plaats van zijn kritiek te richten op de voorrechten van christenen die in strijd zijn met de zuivere toepassing van het secularisme, richt hij zijn kritiek op het secularisme zelf. En op de overheid die dat zou propageren.

Ik heb er geen woorden voor dat iemand als Zwart deze uitspraak heeft gedaan. Het is geen verspreking, maar een bewust gedane uitspraak die naadloos past in Zwarts betoog dat valt te karakteriseren als conservatief-religieus. Dat recht van mening heeft hij, maar hij verliest elke geloofwaardigheid als wetenschapper als hij in het openbaar zegt dat de overheid met het secularisme een eigen godsdienst propageert. Zwart ziet overal onderdrukking en anti-moslimsentimenten en maakt vrijzinnigen die vanwege hun overtuiging afstand nemen van bijzonder onderwijs verdacht als hij VVD-fractieleider Klaas Dijkhoff met een ander gewraakte uitspraak omschrijft: ‘We moeten de mensen ontmaskeren die secularisatie uitdragen’. Het kan zijn dat Zwart zich heeft laten meeslepen door het moment, maar gezien zijn opleiding en functie zou hij beter moeten weten.

Zou Zwarts uitspraak geen aanleiding moeten zijn voor het bestuur van de Universiteit Utrecht om hem hierover om uitleg te vragen? Want Zwart sprak op het symposium in Amsterdam als hoogleraar van de Universiteit Utrecht. Als Zwart bij zijn bewering blijft dat de overheid het secularisme als eigen godsdienst propageert, dan verdient het afweging voor het bestuur van de Universiteit Utrecht om afscheid te nemen van Zwart. Iemand met zulke dwaze en radicale gedachten hoort niet thuis op een gerenommeerde universiteit.

Ook het bestuur van het College voor de Rechten van de Mens zou na moeten denken of het zich met dit radicale gedachtegoed wil associëren en het het partnerschap met het Collectief tegen Islamofobie & Discriminatie niet dient te beëindigen. Want hoe valt het te rijmen dat Zwart op een mede door het Collectief georganiseerde symposium de overheid beschuldigt het secularisme als godsdienst te propageren terwijl het College voor de Rechten van de Mens een zelfstandig bestuursorgaan van de Nederlandse rijksoverheid is?

Foto’s 1 en 3: Schermafbeelding van delen van het artikelGeslagen, maar ook strijdbare toon op symposium over islamofobie’ van Bas Soetenhorst in Het Parool, 29 september 2019.

Foto 2: Schermafbeelding van pagina met partners van het Collectief tegen Islamofobie & Discriminatie. Waaronder onder meer de overheidsinstellingen: het College voor de Rechten van de Mens en de Politie.

Is secularisme een politieke filosofie die noodzakelijk leidt tot gematigde politiek?

leave a comment »

Andrew Copson is een Engelse humanist en voorzitter van Humanists International. Hij legt uit wat volgens hem secularisme is en begint zoals gewoonlijk bij dit soort toelichtingen met de uitleg dat secularisme niet gelijkstaat aan atheïsme of humanisme en niet anti-religieus is. Het secularisme is een politieke filosofie die levensovertuigingen en godsdiensten gelijkelijk waardeert en garandeert onder de bescherming van een nationale overheid, wetgeving en werking van de rechtsstaat. Hij meent dat het secularisme een pacificerende invloed heeft en als het niet zou bestaan Europa wellicht nog geteisterd zou worden door religieuze oorlogen.

Copson eindigt als het politiek actueel en prikkelend wordt. Begrijpelijk vanuit zijn positie, maar teleurstellend voor de verdieping van het debat. Is het gevolg van zijn betoog immers niet dat gematigde centrumpolitiek en secularisme op een lijn gezet kunnen worden tegenover politiek, religieus en levensbeschouwelijk radicalisme en identiteitspolitiek die de eigen groep apart zet? Zo bekeken kan het succesvolle secularisme als verwijzing en aanbeveling worden opgevat voor gematigde politiek die niet uitsluit, afzondert of opziet naar iets of iemand en naar alle kanten even kritisch en onbeschroomd kijkt. Zoals in het secularisme ingebakken is.

College voor de Rechten van de Mens zegt dat overheid en rechter niet op stoel van de theoloog moeten zitten, maar deed dat zelf wel

leave a comment »

Op 13 december 2017 schreef ik bovenstaand commentaar over een oordeel van het College voor de Rechten van de Mens in Utrecht. Het ging om Michael Afanasyev die in piratenkostuum wilde promoveren aan de TU Delft vanwege zijn godsdienstige overtuiging. Dat verzoek werd afgewezen door het College voor Promotie van de TU Delft. Daarop was hij naar het College voor de Rechten van de Mens gestapt, maar kreeg nul op het rekest. Hij is lid van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Voor de volledigheid, ik ben ingeschreven als lid en mag mezelf ‘Pastafarian’ bij de Nederlandse Kerk van het Vliegend Spaghettimonster noemen.

Ik had geen goed woord over voor het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens en kwalificeerde het als dubbelhartig. Ik schreef: ‘Het College is geen theologisch college en is niet geëquipeerd om theologische doctrines af te wegen’ en ‘Het College gaat haar boekje te buiten door de verzoeker te verwijten dat hij weinig kennis van zijn godsdienst heeft of onvoldoende kan uitleggen op welke gronden hij zijn kostuum op de promotieplechtigheid wil dragen. Dat zijn eisen die niet gesteld kunnen worden aan een gelovige en waarover het College zich niet uit te  spreken heeft’. Mijn conclusie: ‘Het College zit met de uitspraak op het verkeerde spoor. Het kan vanwege de Algemene Wet Gelijke Behandeling niet zeggen dat er op het dragen van het voorgeschreven promotiekostuum bij de TU Delft voor geen enkele godsdienst of levensovertuiging een uitzondering mogelijk is. Die uitzondering op religieuze gronden bestaat wel. Ontbreken van discriminatie zou inhouden dat er voor geen enkele godsdienst en levensovertuiging een uitzondering gemaakt wordt. Nu blijft het vermoeden hangen dat een gevestigde godsdienst een streepje voor heeft op een jonge godsdienst die nog weinig maatschappelijke invloed heeft.’

Op 1 augustus 2019 heeft het College de toelichtingVerbod gezichtsbedekkende kleding’ geplaatst over het zogenaamde ‘boerkaverbod’ dat per 1 augustus 2019 is ingegaan en onder meer dragers van een boerka of niqaab om zich met gezichtsbedekkende kleding te begeven in overheidsgebouwen, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en het openbaar vervoer. In die toelichting zegt het College onder meer:

Het lijkt er sterk op dat het College met twee maten meet. Het neemt het op voor degenen die zich laten inspireren door de islam, maar laten degenen die zich laten inspireren door de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster in de kou staan. Dat is niet de soort onpartijdigheid en ‘kleurenblindheid’ volgens welke dit College zou moeten opereren en lijkt sterk te wijzen op juridische willekeur en politieke voorkeur. Overigens zijn de oordelen van het College niet bindend en wordt het gezag ervan niet breed maatschappelijk aanvaard.

Bij het oordeel over Michael Afanasyev zegt het: ‘Het College oordeelt dan ook dat uit de Open Letter van Henderson noch uit de praktijk blijkt dat het dragen van een piratenkostuum tijdens een promotiezitting, als uiting van een godsdienst moet worden beschouwd’. Maar in de toelichting op het boerkaverbod zegt het College: ‘Het recht op godsdienstvrijheid is een fundamenteel recht dat onder meer is opgenomen in artikel 6 van de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, art. 9). Dit recht beschermt ook het in het openbaar manifesteren van een godsdienst, onder andere door het dragen van bepaalde kleding of  hoofdbedekking. De gezichtssluier wordt gezien als een uiting van een godsdienst (islam). Dat niet alle moslims dit zo zien of alle moslimvrouwen er een dragen, is daarbij niet relevant. De overheid of rechter mag namelijk geen inhoudelijke oordeel vellen over wat al dan niet een religieuze verplichting is: zij mogen niet ‘op de stoel van de theoloog’ gaan zitten. Als een groep van moslims meent dat het dragen van een gezichtssluier een religieuze uiting is en de gezichtssluier door een groep vrouwen wordt gedragen, dan valt dat onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst.’

In de toelichting op het boerkaverbod haalt het College het eigen oordeel over Afanasyev onderuit. Het College zegt in de toelichting terecht dat de ‘overheid of rechter geen inhoudelijk oordeel mag vellen over wat al dan niet een religieuze verplichting is: zij mogen niet ‘op de stoel van de theoloog’ gaan zitten’. Maar in het oordeel over Afanasyev doet het College precies dat: het gaat op de stoel van de theoloog zitten als het oordeelt wat als uiting van een godsdienst moet worden beschouwd. Hoe kan het College in de toelichting op het boerkaverbod stellen dat overheid op rechter niet op de stoel van de theoloog mag gaan zitten terwijl het dat in het oordeel 2017-145 over Afanasyev wel deed? Dit roept niet zozeer de vraag op hoe samenhangend, consistent en ‘doorleefd’ de aanhanger van een geloof moet zijn om juridisch goedgekeurd te worden een geloof aan te hangen, maar hoe samenhangend, consistent en ‘doorleefd’ de oordelen van het College van de Rechten van de Mens zijn. Dit raakt aan onzorgvuldigheid en politieke willekeur van het College.

De toelichting kan nog met een andere uitspraak worden verbonden, namelijk uitspraak 201707148/1/A3 van de Raad van State van 15 augustus 2018 waar ik in twee commentaren fundamentele kritiek op had. Zie hier en hier. In dat laatste commentaar schreef ik: ‘De Raad van State heeft zich met de uitspraak zo ver buiten het juridische domein gewaagd dat het ermee de aandacht gevestigd heeft op het eigen perspectief. Zoals gezegd, 1) rechtbanken zijn niet geëquipeerd om theologische doctrines af te wegen; 2) de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State treedt buiten de toetsingscriteria door politiek-maatschappelijke belangen zwaar in haar toetsing door te laten wegen en 3) de toetsingscriteria zijn onheus omdat ze scheefgegroeide leerstellingen van de traditionele godsdiensten -volgens welke betreffende godsdienst afgewezen zou moeten worden- achteraf onterecht fiatteren én nieuwe kandidaat-godsdiensten op deze identieke gronden de toegang tot de religieuze sector ontzegt wat de rechtsongelijkheid versterkt.’

De toelichting van het College geeft ondersteuning voor mijn kritiek op de Raad van State die op de stoel van de theoloog is gaan zitten. Dezelfde kritiek had ik op een uitspraak van 15 februari 2017 van de meervoudige kamer van de rechtbank in Den Bosch waar ik dit in een commentaar benadrukte: ‘Essentie is dat de rechter oordeelt over de interne werking van een godsdienst of levensovertuiging, maar daar niet de expertise voor heeft en zich dit oordeel niet toe zou moeten meten. De rechter moet de wet toepassen, maar daarbij ‘aan de buitenkant’ blijven en niet een oordeel vellen over wat een godsdienst is. Een rechter is geen godsdienstwetenschapper en daarom is het ongepast dat een rechter dit meent te kunnen onderzoeken (..).

Instituties vertegenwoordigen de status quo. Het is goed dat ze continuïteit waarborgen omdat er anders wanorde zou ontstaan. Maar soms dringen maatschappelijke ontwikkelingen sneller op naar het centrum van de samenleving en worden er geaccepteerd zonder dat de instituties dit tijdig voorzien en er passend op reageren. Dan ontstaat een maatschappelijk ervaren ongelijkheid. Dat gebeurde bij de opkomst van de Provo-beweging eind jaren 1960. Het gezag liep achter de feiten aan en wist enkele jaren met zichzelf geen raad.

Het lijkt er sterk op dat sinds de jaren 1990 de ontkerkelijking, individualisering, opkomst van sociale media en de reactie op de gedeeltelijke restauratie van orthodox-religiositeit zo’n nieuwe breuk in de samenleving hebben gecreëerd. Instellingen als het College voor de Rechten van de Mens, de Raad van State en lokale rechtbanken lopen mede door de personele invulling met oudere medewerkers die zijn opgevoed met traditionele waarden en godsdiensten achter op wat de samenleving verlangt. Het is een kwestie van tijd voordat dat rechtgetrokken wordt en deze instellingen tot het volle besef over hun achterstand komen. De conflicterende oordelen bij het College voor de Rechten van de Mens duiden op die overgangssituatie.

Foto 1: Schermafbeelding van deel commentaarKwestie Michael Afanasyev/ TU Delft. Oordeel van het College voor de Rechten van de Mens over het pastafarisme biedt perspectief’ van George Knight, 13 december 2017.

Foto 2: Schermafbeelding van deel toelichtingVerbod gezichtsbedekkende kleding’ van het College voor de Rechten van de Mens, 1 augustus 2019.

Het gbb-model kan helpen om te bepalen of iemand Nederlander is: geboorte, belasting, bijdrage. Het gaat niet om kleur of etniciteit

with one comment

Laten we kort en duidelijk zijn. Er zijn slechts drie factoren belangrijk om te bepalen of iemand Nederlands is: 1) geboren zijn in Nederland; 2) belasting betalend in Nederland en 3) bijdragend aan de Nederlandse samenleving. The Guardian verwijst naar een vervolg van het This Sceptred Isle onderzoek uit 2012 naar identiteit, insluiting en immigratie dat uitwijst dat 70% van de Engelse bevolking deze uitgangspunten voor eigen land hanteert. Het onderzoek zelf is op dit moment nog niet via internet op te roepen en na te lezen, zodat een slag om de arm over de uitkomsten geboden blijft. Zo is het onduidelijk bij aspect 3 in hoeverre ‘contributing’ moet worden opgevat als ‘meebetalend’. Dit model is een stap in de richting van een modern Nederland dat het spreekwoordelijke Nederlandse egalitarisme corrigeert en uitbreidt naar de hele bevolking.

Uit deze drieslag valt ondanks alle historische en demografische verschillen tussen het VK en Nederland van alles af te leiden voor een afvinklijst die kan bepalen of iemand een Nederlander genoemd kan worden. En aanspraak kan maken op de rechten die daarbij horen. Te denken valt aan de volgende aspecten: iemands huidskleur, etniciteit, levensovertuiging of godsdienst is niet van belang; het belang van godsdienst en etniciteit wordt door de samenleving minder belangrijk geacht dan door de politici die bij herhaling de verschillen benadrukken (deze constatering is in lijn met het recente SCP-onderzoekDenkend aan Nederland’); geboren Nederlanders die via juridisch-fiscale routes belasting ontwijken (vermogenden, medewerkers van Nederlandse dependances van internationale bedrijven) kunnen niet langer als Nederlander worden beschouwd; in Nederland woonachtige burgers die zich niet constructief opstellen, maar het bestaan van Nederland ontkennen of verregaand relativeren kunnen geen aanspraak maken op het Nederlanderschap.

Dit gbb-model dat uitgaat van drie factoren geboorte, belasting en bijdrage biedt vele voordelen. Het kan het kaf van het koren scheiden binnen migratiegemeenschappen. Het kan de leden ervan helpen zich te bevrijden uit de sociale dwang van etniciteit, godsdienst en culturele tradities. Het kan goedwillenden insluiten en kwaadwillenden uitsluiten. Het ruimt oneigenlijke en oneerlijke maatschappelijke barrières op, maar pakt vervolgens voorrechten af van degenen die zich misdragen. Dat kunnen belastingontwijkende miljonairs zijn, criminelen of de spreekwoordelijke allochtone etterjochies die zich niet met Nederland verbonden voelen. Deze invalshoek gaat uit van een meritocratisch model waarin verdiensten ertoe doen, en niet de afkomst. Op dat aspect van de geboorte na dat een bodem van continuïteit en verhechting legt onder dit model.

Omdat er geen onderzoek naar gedaan is, is het onduidelijk welk deel van de Nederlandse bevolking dit gbb-model steunt. Het zal naar verwachting niet sterk afwijken van de Engelse cijfers van meer dan 70% acceptatie. Interessant is om te beredeneren hoe de zwakke regionale verbondenheid van Nederlanders, zoals bleek uit het SCP-onderzoek ‘Denkend aan Nederland’, van invloed is op de acceptatie van het gbb-model. Met wat nattevingerwerk lijkt het erop dat dit de acceptatie zal vergroten. Zo resteert mogelijk een acceptatie van 75-80%. We moeten oppassen om dat direct te vertalen naar de steun voor rechts-, en links-radicale partijen omdat zoals gezegd de bevolking meer eensgezind is dan politici het voorstellen. Voor de duidelijkheid: alle politici, ook die van de middenpartijen. De steun bij de laatste twee verkiezingen voor Provincie en EU voor de radicale partijen SP, FvD en PVV was gemiddeld 22,5% en dat past evenwel perfect binnen deze bandbreedte.

Foto 1: ‘Benno Tempel, Remy Jungerman en Iris Kensmil voor het Nederlands paviljoen (foto Gerrit Schreurs)’. [Kensmil en Jungerman zijn beeldende kunstenaars van de Nederlandse inzending aan de Biënnale van Venetië 2019; Tempel is de curator].

Foto 2: ‘Liza van der Most (C) of the Netherlands celebrates victory with team mates during the UEFA Women’s Euro 2017 Quarter Final match between Netherlands and Sweden at Stadion De Vijverberg on July 29, 2017 in Doetinchem, Netherlands.

Wierd Duk zit klem tussen activisme en journalistiek. Hij ontkent wat hij nuanceert: ‘De islam wordt Nederland door de strot geduwd’

with 2 comments

We horen het van een ander, namelijk Wierd Duk van De Telegraaf. Hij maakt een artikel over ‘Marokkanen en Turken die zich als ’seculiere Nederlander’ identificeren’. Wat Duk met ‘seculiere Nederlander‘ bedoelt is onduidelijk en waarom hij de term tussen enkele aanhalingstekens zet is evenmin duidelijk. Het vermoeden bestaat dat hij doet omdat het afwijkt van het normale gebruik, zoals de Taalunie in een omschrijving uitlegt. Het is echter weinig zinvol om ex-moslims ‘seculier’ te noemen omdat ze dat niet meer of minder zijn dan moslims. Het secularisme biedt leden van alle religies en levensovertuigingen in gelijke mate dezelfde plek onder de bescherming van de rechtsstaat. Hoewel Duk het ongetwijfeld goed bedoelt en hij het opneemt voor ex-moslims, pakt zijn inaccurate apartheid negatief uit voor de acceptatie van en de bewustwording over het secularisme. In zijn duiding stelt hij ‘seculier’ gelijk aan atheïstisch. Dat is een misvatting. Het secularisme is pro-atheïstisch noch anti-religieus. Het is volkomen neutraal tegenover alle religies en levensovertuigingen.

Deze kanttekening is van belang omdat Duk een terecht punt over afsplitsing en scheuring maakt dat hem op andere wijze zelf verweten kan worden als hij een valse tegenstelling tussen religie en niet-religie binnen het secularisme introduceert. Als rechtvaardiging kan opgemerkt worden dat Duk miskleunt in commissie omdat sociale wetenschappers vaak evenmin lijken te doorgronden wat het secularisme in de kern inhoudt.

Duk constateert dat ex-moslims en niet-belijdende moslims van wie het de vraag is in hoeverre ze zijn te vereenzelvigen met de islam in de Nederlandse samenleving op een hoop worden geveegd met moslims. Een onderzoek van Advokaat en De Graaf (2001) houdt een percentage van 15% van moslims die de islam verlaten. Actualisatie van de oude cijfers is nodig om te kijken of dat percentage nog juist is en niet verder opgelopen is. ‘Vernederlandsing’, emancipatie en integratie van een deel van de moslims is hoe dan ook een feit.

Het aantal moslims wordt door het CBS sinds 2005 op 850.000 geschat. Dit aantal is vermoedelijk licht aan het dalen door de secularisatie van de tweede generatie, zoals alle religies in Nederland teruglopen in aanhang. In de schatting van het aantal belijdende moslims komt een Gronings onderzoek van Leemhuis en Blank uit 2007 tot 200.000 praktiserende moslims. Het leert dat uit dit type statistieken alles kan blijken.

Zo wordt niet alleen het aantal belijdende moslims dat Nederland telt veel te hoog ingeschat, maar worden de ex-moslims zowel door de eigen sociale omgeving als door de Nederlandse samenleving gevangen gehouden in een beeldvorming waaraan ze slechts met moeite kunnen ontsnappen. Hun identiteit als ex-moslim wordt niet ten volle geaccepteerd. Vraag is welk mechanisme die foutieve beeldvorming stuurt. Te denken valt aan betrokkenen die er belang bij hebben om het aantal moslims te hoog in te schatten en de diversiteit ervan te miskennen, zoals radicaal-rechtse partijen (PVV, FvD) en de directe opposanten ervan (D66, GroenLinks), de welzijnsindustrie die betaald wordt voor ondersteuning, conservatieve/ fundamentalistische islamorganisaties die de achterban graag groter voorstellen dan die werkelijk is. Vijandbeeld en zelfpromotie ontmoeten elkaar.

Illustratief is het citaat van de Marokkaanse-Nederlandse student Massin Ayoub Essaguiar dat Duk invoegt: ‘Ik vind dat ik vanuit mijn positie moet belichten wat ex-moslims doormaken, ook degenen die zijn gevlucht uit het Midden-Oosten. Nederland zou, net als de Verenigde Staten, Canada en Australië, een instelling moeten hebben die zich om ex-moslims bekommert.’ Volgens Essaguiar bekommert Nederland zich niet om ex-moslims, maar laat ze die in de steek. Essaguiars verklaring of Duks toevoeging is dat in Nederland ‘mensen met een islamitische achtergrond’ niet benaderd worden als individu, maar als een collectief. De eveneens Marrokaans-Nederlandse Samirrha Tarrass spitst het toe: ‘Vooral linkse politici en media hebben er een handje van om ons als collectief neer te zetten: Marokkanen zijn allemaal moslim én slachtoffer en vormen één grote familie.’ Dat komt echter niet overeen met de retoriek van de PVV die al jarenlang hamert op het vijandbeeld van ‘de Marokkanen’, waarmee moslims worden bedoeld. Het is niet constructief van Duk om dit complexe en gevoelige onderwerp te politiseren en eenzijdig te framen omdat hij hiermee een foutieve beeldvorming hoogstens vervangt door zijn eigen foutieve beeldvorming. Daar schat Nederland niks mee op in het tackelen van dit probleem van ex-moslims die maatschappelijk en politiek onvoldoende worden erkend.

De PVV en FvD zouden zich hard kunnen maken voor programma’s die de vernederlandsing van moslims of migranten in het algemeen bevordert. Maar dat doen ze niet. Dit roept de vraag op of deze partijen het belangrijker vinden om een vijandbeeld in stand te houden of om waar mogelijk met beleidsmaatregelen de islamisering terug te dringen. Al is het maar in de beeldvorming. De radicaal-rechtse activistische journalist Duk onttrekt zich niet aan deze wetmatigheid en framing van identiteit als een maatschappelijk probleem.

Hoe kan dat terugdringen gebeuren? Te denken valt aan programma’s die de Nederlandse taal en cultuur bevorderen. Daartoe kunnen de budgetten voor onderwijs en kunst verhoogd worden. Ook valt te denken aan onderwijsprogramma’s en mediacampagne’s die voorlichting geven over de voordelen van de open samenleving, de Europese beschaving, de universele mensenrechten en het belang van de politieke filosofie van het secularisme dat onder garantie van de overheid religies en levensovertuigingen gelijk behandelt.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikel ‘De islam wordt Nederland door de strot geduwd’ van Wierd Duk in De Telegraaf, 23 mei 2019.

Foto 2: Ehsan Jami met T-shirt, 2007.

Foto 3: Campagnemateriaal van de Duitse Raad van ex-moslims. Opgenomen in het commentaarMoslims moeten leren dat er volgens de wet ex-moslims bestaan’ van 3 december 2012.

‘Aanval op godsdienstvrijheid’ is bij nader inzien de modernisering van de wet en de afschaffing van de voorrechten van christenen

leave a comment »

Susanne Kurstjens’ opinieartikel van 2 mei 2019 op het Katholiek Nieuwsblad is onvolledig en onevenwichtig. Zowel over het amendement over het huwelijksrecht van VVD en GroenLinks en het verslag daarvan door de NOS als over de positie van het bijzonder onderwijs en het voorstel van VVD-fractieleider Klaas Dijkhoff slaat ze de plank mis. Het commentaar is niet constructief en dient de kwaliteit van het openbare debat niet.

Kurstjens begrijpt de staatsrechtelijke implicaties niet als ze verwonderd opmerkt dat er al een wet bestaat. Dat klopt, daarom gaat het niet om een wetsvoorstel zoals ze beweert, maar om een amendement. Sinds 1810 is huwelijksrecht praktijk dat verplicht dat een burgerlijk voor een religieus huwelijk gesloten moet worden.

Het bericht van 24 april 2019 van de NOS gaat in op het amendement van VVD en GroenLinks dat zegt dat een religieus huwelijk niet voor een burgerlijk huwelijk gesloten moet kunnen worden. De essentie daarvan geeft de toelichting van beide initiatiefnemers Jeroen van Wijngaarden (VVD) en Kathalijne Buitenweg (GL): ‘Omdat juist in religieuze kring anders gedacht kan en mag worden over de gelijkwaardigheid van man en vrouw zijn in het Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Strafrecht bepalingen opgenomen die gebieden dat religieuze huwelijken pas gesloten mogen worden nadat eerst het burgerlijk huwelijk is voltrokken. Rechtens kunnen beide huwelijkspartners dan aanspraak maken op een gelijkwaardige rechtspositie die van belang kan zijn voor bijvoorbeeld hun vrijheid om te scheiden, erven en het doen van rechtshandeling.

Dit amendement gaat om de gelijkwaardigheid van man en vrouw die in het burgerlijk huwelijk wordt bekrachtigd. In het verlengde daarvan ligt de scheiding, de ontbinding van het religieuze huwelijk. Via dat eerder gesloten burgerlijke huwelijk heeft de zwakste partij een sterkere positie dan zonder dat gesloten burgerlijk huwelijk het geval zou zijn. Met als voorbeeld moslimvrouwen die tegen hun wil gevangen worden genomen in een islamitisch huwelijk. Ze zijn niet vrij om hun godsdienst of levensovertuiging te kiezen omdat de islamitische, conservatieve instelling waar het religieuze huwelijk gesloten is de rechten van de vrouw ontkent om dat huwelijk te ontbinden. Via een omweg probeert het amendement die rechten te herstellen.

Het is niet de wereldse macht die dat eenzijdig, autonoom en op eigen initiatief oplegt, maar de zwakste partij in het religieuze huwelijk die dat aan de overheid verzoekt door zich op het eigen recht te beroepen. Waarna de overheid in actie komt en pas dan bijvoorbeeld de vrouw in een islamitisch huwelijk op haar verzoek te hulp komt. Want daar zal het in de praktijk op neerkomen vanwege de achterblijvende emancipatie van moslimvrouwen in conservatieve, islamitsche kringen. De achterliggende gedachte van het amendement is dat religieuze of traditionele waarden de fundamentele rechten en vrijheden van leden van minderheden kunnen inperken. De overheid verzet zich tegen die inperking omdat die niet overeenkomt met de rechtsstaat.

In haar betoog kiest Kurstjens tegen de rechten van individuen, namelijk voor moslimmannen die moslimvrouwen in huwelijkse gevangenschap houden met een beroep op de vrijheid van godsdienst. Haar claim voor de vrijheid van godsdienst is eenzijdig als ze daarbij de vrijheid van het individu ondergeschikt maakt aan de vrijheid om te belijden en afficheert als een aanval op de godsdienstvrijheid. Ze koppelt het amendement aan het katholieke huwelijk en suggereert dat ook in dat geval de overheid dat religieuze huwelijk kan ontbinden. Maar hiermee spreekt ze zichzelf tegen en raakt ze verstrikt in haar betoog. Want ze geeft tegelijkertijd toe dat katholieken zich strikt houden aan de verplichting om burgerlijke huwelijken voor het katholieke huwelijk te sluiten zodat het amendement helemaal niet van toepassing is op katholieken.

Ook over de positie van het bijzonder onderwijs en het discussiestuk ‘Liberalisme dat werkt voor mensen‘ van VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff waarin dat onderwerp op enkele plekken wordt genoemd is Kurstjens onvolledig en onzorgvuldig. Dijkhoff wil een debat over de vrijheid van onderwijs: ‘Als de vrijheid van onderwijs een ongewenst neveneffect heeft dat er scholen worden opgericht die dienstbaar zijn aan segregatie en het in stand houden van parallelle samenlevingen waarbij waarden dominant zijn die strijdig zijn met onze kernwaarden vrijheid en gelijkwaardigheid, moeten we dat stoppen.’ Hieruit valt niet te concluderen dat hij zich keert tegen gelovigen, zoals Kurstjens suggereert. Evengoed kan men zeggen dat Dijkhoff door de uitwassen van het bijzonder onderwijs (specifiek het salafistisch onderwijs) te bestrijden dat juist wil redden.

Het is niet zo dat overheid of politieke partijen van plan zijn om het bijzonder onderwijs af te schaffen. Er is debat over de vraag of het de taak voor de overheid om het bijzonder onderwijs te bekostigen volgens artikel 23, dat zegt ‘Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend’. Het gaat dus ook in dit geval om aanpassing.

Susanne Kurstjens meent dat met ‘dit soort wetsvoorstellen’ die dat in beide gevallen niet zijn ‘voortdurend gezaagd wordt aan de vrijheid van gelovigen’. Dat is echter niet de strekking van het amendement van Wijgaarden en Buitenweg en van het discussiestuk van Dijkhoff. Dit gaat om wetten die hoognodig aangepast en gemoderniseerd moeten worden en uit respectievelijk 1810 en 1917 (Artikel 23) dateren. In de tussentijd is er maatschappelijk en demografisch nogal wat veranderd. Het zijn juist de christelijke partijen geweest die modernisering ervan hebben geblokkeerd. Door de afgenomen macht van de christelijke politieke partijen, vooral het CDA, is nu eindelijk de politieke ruimte ontstaan om deze wetten bij de tijd te brengen. Zoals dat voortdurend met wetten gebeurt die geactualiseerd worden. Het gaat hier niet om een aanval op gelovigen of de godsdienstvrijheid, maar om de modernisering van wetten, die in de praktijk aan gelovigen voorrechten verlenen die ze door politieke koehandel ooit hebben verworven. Vanwege de rechtsgelijkheid komt hun dat niet toe omdat het ten koste gaat van anderen die zijdelings in een achterstandspositie worden gedrukt.

Foto 1 en 4: Schermafbeelding van delen van het commentaarAanvallen op de godsdienstvrijheid’ van Susanne Kurstjens op KN, 2 mei 2019.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikel ‘Boete voor religieuze huwelijken is een eerste stap, maar er is meer nodig’ op NOS, 24 april 2019.

Foto 3: Schermafbeelding van deel discussiestuk ‘Liberalisme dat werkt voor mensen‘ van VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff op VVD, zonder datum [2019].