George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Kunsthandel

Kunst is voor PVV en FvD geen strijdpunt, maar een zwijgpunt. AfD’er Martin Renner pleit voor nationale kunst

leave a comment »

Ik ben ervan overtuigd dat kunst ondersteund moet worden door de overheid, maar geen staatszaak moet zijn. Zoals de overheid vele sectoren steunt waarvan de burgers en de politiek vinden dat die de moeite waard zijn of waarvoor de vrees bestaat dat ze verpletterd worden door de marktwerking. Landbouw, de publieke omroep, de industrie inclusief multinationals, monumentenzorg, het koninklijk huis, de zorg, het onderwijs, en dus de kunsten. De afstand van kunstenaars of kunstinstellingen tot de overheid moet niet te klein zijn. Want dan bestaat het risico dat de overheid de kunst door het in bescherming te nemen, die kunst overneemt. Dan is de kunst niet meer vrij. Dat is ongewenst. Kunst moet de vanzelfsprekendheid bezitten om tegen elke zittende macht te kunnen schoppen. Zoals trouwens elke macht tegen kunst schopt. Maar de overheid heeft de plicht om in kunst de eigen tegenmacht te organiseren zonder daarover zeggenschap te willen claimen.

In beginsel ben ik het eens met de woorden van Martin Renner, AfD-afgevaardigde in de Duitse Bundestag. Hij lijkt immers te pleiten voor een antithese, een tegenstelling tussen kunst en het politieke establishment. Tot dat laatste behoort hijzelf uiteraard ook als afgevaardigde van zijn partij in de Bundestag. Maar bedoelt hij wel wat hij zegt? Nee, kunst moet niet rood of groen zijn, zoals de Hamburgse AfD-afgevaardigde Alexander Wolf in een scheldpartij beweert om zijn op het oog open houding te versmallen tot een partijpolitiek betoog. Zo verkeert zinvolle kritiek over de te kleine afstand tussen kunst en politiek in zijn tegendeel. Ook Renner gaat de fout in als hij eist dat kunst die door de overheid financieel wordt gesteund ‘Duits’ moet zijn. is. Want ook dan wordt kunst door de politiek ingelijfd en voor een karretje gespannen. Dan is kunst niet meer vrij.

Toch kan zo’n standpunt van Renner helpen om tot op zekere hoogte de vermenging van kunst en politiek aan de kaak te stellen. En die te ontvlechten en een middenweg te vinden tussen links knuffelen en rechtse onverdraagzaamheid jegens de kunst. Renner moet alleen niet vertrouwd worden in zijn beweegreden omdat hij niet opkomt voor de vrijheid van de kunst. Hij ageert tegen politiek die te dicht tegen de kunst aanleunt. Die diagnose klopt, maar zijn advies dar eruit volgt is nutteloos en tegenstrijdig met wat hij claimt te beweren.

Een vergelijking met de Nederlandse radicaal-rechtse partijen valt in het nadeel uit van de PVV en FvD. De AfD ziet nog het belang en de kracht van kunst, al is dat door het ervan te betichten samen te spannen met de linkse politiek. In Nederland bannen PVV en FvD kunst liever uit het publieke debat. Ze hebben er niks mee.

De Rotterdamse PVV’er Maurice Meeuwissen noemde overheidssubsidies voor kunst en cultuur ‘een grote schande’ en praat over ‘onzinkunst’. FvD-leider Thierry Baudet eigent zich een ongenuanceerd oordeel aan over hedendaagse kunst en verwart dat met kritiek. Nooit komen PVV en FvD met een alternatief, zoals de nationale kunst die Renner voorstaat, hoe tegenstrijdig dat ook is. Wellicht kunnen PVV en FvD een eerste stap zetten en in het parlement pleiten voor kunst die de nationale identiteit en de Nederlandse cultuur, taal en geschiedenis versterkt. Dat zou een begin zijn van het erkennen van het belang van kunst. Hoe dat politiek ingepast wordt, zien we dan wel weer verder. De apathie van PVV en FvD is erger dan de verontrustende mening van de AfD. In Nederland is kunst voor radicaal-rechts geen strijdpunt, maar een zwijgpunt.

Advertenties

Sepulchrum van hedendaagse kunst: een filmpje over het werk van Horst Antes op Cologne Fine Art 2018

with 8 comments

Ik kan het niet helpen, maar van zo’n video word ik opstandig. Het ontdek je plekje van de kunst. De Duitse beeldhouwer Horst Antes wordt dit jaar in het zonnetje gezet op kunstbeurs Cologne Fine Art. Dat is prima. Maar waarom leidt dat tot een zielloos en saai filmpje dat uit lijkt te schreeuwen: ‘Niemand komt levend uit dit graf van de hedendaagse kunst’. Het roept ook de vraag op wat kunstbeurzen nog met kunst van doen hebben. Als ik kunsthater was dan wist ik het wel, dan verspreidde ik dit filmpje ruim op internet. Wat moet een kunstliefhebber er in hemelsnaam mee? Signaleren dat het niks is? Wie of wat wordt daarmee geholpen?

Written by George Knight

23 november 2018 at 21:44

Dommering schiet in de derde helft van kwestie-Ruf zijn opinie richting gemeentebestuur. Met welke organisatie en ambitieniveau?

with 2 comments

Kunstliefhebber en jurist Egbert Dommering geeft opnieuw zijn opinie in Het Parool over het Stedelijk Museum. Dat nieuwsmedium dat de medestanders van Ruf een podium biedt, zich pro-Ruf opstelt en op een gegeven moment zelfs in een proxy-oorlog met het Ruf-kritische NRC verzeilde. Dommering gaf eerder zijn opinie op 4 juni 2018. Een stuk vol aannames en lacunes, ondersteunend bewijs, maar geen ‘smoking gun’. Opnieuw richt hij zijn pijlen op het Amsterdamse gemeentebestuur dat hij beticht van machtsmisbruik.

Dommering herhaalt opnieuw de Parool-waarheid dat in juni 2018 de commissie-Eisma Ruf in een rapport van blaam gezuiverd heeft. Het valt te betwijfelen of dat klopt. Hij hanteert hierbij een eng-juridische opvatting en laat de ethiek buiten beschouwing. Want hoe kan het anders uitgelegd worden dat Ruf van de Zwitserse uitgeverij Ringnier tijdens haar dienstverband bij het Stedelijk een bonus van 1 miljoen Zwitserse francs kreeg en ook nog neveninkomsten van meer dan 100.000 euro per jaar? Waar waren in die jaren de toezichthouders die ongemakkelijke vragen stelden aan de directie? Zagen directie en Raad van Toezicht niet gewoon elkaars fouten door de vingers om voor zichzelf meer ruimte te bemachtigen? Dat is niet van blaam gezuiverd zijn, dat is verwijtbaar gedrag en aangewende passiviteit door de instructies bewust te negeren.

Dommering maakt het deze keer nog bonter omdat hij zichzelf luid en duidelijk tegenspreekt door uit een langlopende ontwikkeling de actualiteit te laten volgen. Van de ene kant vraagt hij zich terecht af wat het toch is waardoor het Stedelijk hapert (‘Hoe komt het dat de staf zich telkens tegen de artistieke directeur opstelt? Zit het artistiek-commerciële management wel goed in elkaar?’), maar van de andere kant keert hij zich opnieuw tegen het gemeentebestuur en lijkt een lans te willen breken voor de sponsors en geldgevers.

Vooral dat laatste is mal. Dommering weet toch dat het vooral de coterie van multimiljonairs in de Raad van Toezicht en de sponsors in de directe omgeving daarvan is geweest dat het Stedelijk in de problemen heeft gebracht? Het is verre van logisch om nu juist in die hoek de oplossing te zoeken. Het kan zijn dat het gemeentebestuur met een nieuwe burgemeester in de aanpak van het Stedelijk Museum niet voortvarend is en het vanwege hypercorrectie uit angst voor nieuwe ontsporingen te weinig ruimte geeft, maar dat betekent nog niet dat de oplossing voor de jarenlange stagnatie in het gebrek aan commercieel inzicht ligt. Eerder het omgekeerde lijkt het geval, er was een teveel aan verkeerd commercieel inzicht. De kritiek daarop klonk in de openbaarheid al in 2005. De multimiljonairs en ondernemers hadden het bij het Stedelijk voor het zeggen en hielden het museum niet aan zijn opdracht. Het is begrijpelijk dat een in zo’n 15 jaar scheefgegroeide situatie niet op korte termijn hersteld kan worden. Daarom is het ongeduld van Egbert Dommering voorbarig.

De twee sleutelwoorden om het verval van het Stedelijk Museum goed te begrijpen zijn ‘bedrijfscultuur’ en ‘ambitieniveau’. Het eerste was ontspoord en het laatste te hoog. Een ambitieniveau dat vergelijkbaar is met Museum Boijmans van Beuningen of het Haags Gemeentemuseum lijkt beter bij het Stedelijk te passen. Laat het Stedelijk eerst maar eens nationaal de toppositie pakken, voordat het internationale ambities probeert te volgen en ten onder gaat aan Mokumse bravoure. Door slim opereren en het inzetten van de eigen collectie kan het Stedelijk incidenteel best internationaal toonaangevende tentoonstellingen realiseren. En niet van gearriveerde kunstenaars met een groot commercieel belang waar nu eenmaal het budget voor ontbreekt, maar van aanstormende kunstenaars die vroegtijdig worden gescout en vastgelegd. Dommering heeft gelijk dat de juiste toepassing van de Code cultural governance geen handleiding voor het opzetten van een goede organisatie en bestuur is. Maar om het gemeentebestuur dat het ontspoorde museum uit de modder probeert te trekken te waarschuwen voor moreel puritanisme is een gotspe die oorzaak en gevolg opzichtig omkeert.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelStedelijk is nog altijd beschadigd door affaire-Ruf’ van Egbert Dommering in Het Parool, 23 oktober 2018

Kunstsoap met Cathérine de Zegher, Toporovksi collectie en MSK Gent kent invalshoeken, belangen en onkunde. Nog geen conclusie

with one comment

Het wordt inmiddels een kunstsoap genoemd. De verwikkelingen van de geschorste directeur van het Gentse Museum voor Schone Kunsten (MSK) Cathérine de Zegher en de collectie Toporovski. Zien hier voor de voorgeschiedenis: een museumdirecteur die op non-actief wordt gezegd vanwege het vermoeden dat ze uit scoringsdrift min of meer onbewust via haar museum gelegenheid tot witwassen gaf aan een verzamelaar van een collectie 24 avant-gardistische Russische schilderijen waarvan de authenticiteit ernstig betwijfeld wordt.

In de publiciteit woedt een a-synchrone strijd over de schuldvraag. De Zegher die haar sporen heeft verdiend in de internationale kunstwereld kreeg vorige week steun in een open brief van bekende namen. Ze noemen de beschuldigingen aan haar adres leugenachtig en geven de media de schuld: ‘In particular the personal attacks against Catherine de Zegher reached a peculiar and unprecedented intensity that resulted in a trial by media.’ Zo wordt de boodschapper van het slechte nieuws tot zondebok gemaakt. De Zegher voelde zich door deze steun gesterkt. Dat zij zo snel kon vallen kan erdoor verklaard worden dat ze in de stad Gent en in haar eigen museum, en nationaal bestuurlijk onvoldoende steun had opgebouwd. Vlaamse museumdirecteuren distantieerden zich van haar omdat ze de museumsector beschadigd zou hebben. Ofwel, internationaal heeft ze steun die ze nationaal mist. De benoeming van de expert hedendaagse kunst De Zegher bij het traditionele MSK werd toendertijd door velen niet begrepen. De Russische avant-garde is niet haar specialisme.

De laatste aflevering in de kunstsoap is dat volgens de Russische kunstverzamelaar en bruikleengever Igor Toporovski 12 van de 24 werken die in het MSK gepresenteerd werden authentiek zijn. Dat zou blijken uit een onderzoek in vier laboratoria die door hem niet bij naam genoemd worden. Hij concludeert daaruit dat ze geen vervalsingen zijn omdat ze uit ‘de beginjaren 1900 zouden dateren’. De Groene politicus Bart Caron die kritisch dit dossier volgt wijst er in bovenstaande tweet terecht op dat dat nog niets zegt over de toewijzing van de werken. Verdere complicatie is dat kunsthandelaren die in Russische avant-gardekunst handelen een strafklacht hebben ingediend tegen De Zegher omdat ze vreesden dat de vermeende vervalsingen hun handel beschadigde. Hierbij werd na tussenkomst van een Gentse rechter beslag gelegd op de betreffende werken en de daarbij horende documenten. Waarbij het onderzoek tot stilstand kwam. De kunsthandelaren vonden het op hun beurt niet kies dat De Zegher en Toporovski een persconferentie gaven tijdens een lopende zaak.

Op betreffende persconferentie zei De Zegher volgens een bericht in HLN: ‘Ik spreek voor diegenen die houden van kunst, schoonheid en waarheid. Ik heb mijn eigen verhaal, gebaseerd op grondig onderzoek, bekende feiten en wetenschappelijk bewijs dat mijn oordeel en overtuiging bevestigt’. Dat tekent de tragiek van haar opstelling. De Zegher heeft inderdaad haar eigen verhaal dat haar oordeel en overtuiging bevestigt, maar wat dat betekent is de vraag. Deze kunstsoap gaat over commerciële en museale belangen, vermenging van politiek en kunstwereld, een museumdirecteur die losgezongen is van haar eigen omgeving en het moeras inwandelt, een minister die niet alert en passend handelt en media die door de museumdirecteur de schuld in de schoenen geschoven krijgen omdat ze verslag doen. De grootste verliezer is de Vlaamse museumsector.

Foto: Tweet van Vlaamse volksvertegenwoordiger namens Groen Bart Caron, 18 oktober 2018.

Onduidelijkheden over T-Collectie van Armando’s werk rechtgezet. En nog enkele andere misverstanden aangepast

with 2 comments

Eric van der Velden heeft in de Amersfoortse ‘De Stadsbron‘ het artikelhoe amersfoort een kunstschat van 22 miljoen verspeelde’ op 8 augustus 2018 gepubliceerd. Ik was zijdelings bij de totstandkoming ervan betrokken en wil er daarom geen direct  commentaar op geven. Wel wil ik in algemene zin enkele ontstane onduidelijkheden over sommige achtergronden helpen rechtzetten. Ik doe dat puntsgewijze.

De verdienste van het artikel is dat Van der Velden de spanning binnen het bestuur van de Armando Stichting blootlegt over de wenselijkheid en aanvaardbaarheid om werken van Armando van de Armando Stichting te verkopen voor de redding van Museum Oud Amelisweerd waar die collectie tot 1 maart 2018 in langdurige bruikleen was gegeven. In openbare bronnen wordt dat aspect nu voor het eerst met een getuigenis van de voorzitter van de Armando Stichting verklaard. Uiteindelijk bleek Armando tegen en ging het plan niet door. Maar zelfs dan was het onduidelijk geweest wegens vermenging van zakelijke en museale belangen tussen bruikleengever en museum of verkoop van werken van de Armando Stichting volgens de geldende regels van de museumsector wel ethisch mogelijk was, zoals ik in een commentaar van november 2015 opmerkte.

1. Het is een misverstand dat Armando’s voormalige echtgenote Tony de Meijere de zogenaamde T-Collectie als boedelscheiding meekreeg nadat zij en Armando uit elkaar gingen. Een toespraak door Rini Dippel in 2014 bij een tentoonstelling in het Kröller-Müller Museum laat hierover geen misverstand ontstaan: de T-Collectie is door De Meijere bijeengebracht en beheerd. In een Conceptverklaring van Armando van 12 september 2011 aan betrokkenen bij het Armando Museum geeft hij commentaar op de bruikleen van de T-Collectie aan het Kröller-Müller Museum: ‘Het betreft in de eerste plaats de privé-collectie van mijn voormalige echtgenote Tony de Meijere. (..) Mijn echtgenote heeft deze collectie grotendeels in de loop van de vijftig jaar dat wij met elkaar hebben geleefd naar eigen inzicht, voorkeur en smaak verzameld. Voor mij is deze collectie een blijk van waardering voor het werk dat zij heeft verzet ten behoeven van mijn werk als kunstenaar. Het is enkel en alleen aan Tony de Meijere om te beslissen over de bestemming van deze zeer persoonlijke collectie.’ Zie over de schenking aan het Kröller-Müller Museum mijn commentaar van augustus 2011 met een verwijzing naar het jaarverslag 2010 /Aanwinsten /Armando met een beschrijving van de aard van de T-Collectie.

2. De T-Collectie maakte per abuis deel uit van de op 15 januari 1998 overeengekomen overeenkomst over het Armando Museum tussen enerzijds de gemeente Amersfoort en anderzijds Armando en Tony de Meijere, maar: a) de Armando Stichting bleef gedurende meer dan 5 jaar in gebreke en liet na te zorgen dat de T-Collectie volgens museale normen in het depot werd opgeslagen; b) Tony de Meijere heeft nooit de opzet gehad dat de T-Collectie deel uitmaakte van de overeenkomst en heeft daar nooit toestemming voor gegeven, slechts omdat ze een volmacht had gegeven omdat ze niet bij ondertekening aanwezig kon zijn is de T-Collectie door anderen buiten haar wil om aan de overeenkomst toegevoegd, zelfs haar herhaald protest tegen deze gang van zaken werd door onder meer de directeur van de Zonnehof Paul Coumans genegeerd; c) bij een volgende gelegenheid is in 2003 de clausule over de T-Collectie uit de overeenkomst geschrapt.

3. Onder meer uit het artikelAfscheid van het ‘eigen’ museum’ van 28 november 2011 in NRC blijkt dat de rol van toenmalig voorzitter van de Stichting Amersfoort-in-C Kees Spaan die ook voorzitter van de Armando Stichting was op z’n minst vragen oproept over dubbele petten. NRC: ‘Kees Spaan, voorzitter van de stichting Amersfoort in C die de gemeentelijke cultuursubsidies verdeelt: „De kaasschaaf was uitgewerkt. Kiezen dus.” Onder de stichting vallen naast het Armando Museum ook het Museum Flehite, het Mondriaanhuis en kunsthal KAdE. Een van de vier moest verdwijnen. Het werd het Armando Museum.’ Welke rol speelde Spaan in welke functie? Deed hij alle moeite om als voorzitter van Amersfoort-in-C in lijn met de overeenkomst van 1998 het Armando Museum in Amersfoort te houden of lobbyde hij in Amersfoort en Utrecht voor de verhuizing van het Armando Museum naar Oud Amelisweerd? Spaan staat niet bekend als makkelijk en diplomatiek wat onder meer in 2012 uit zijn reactie op mijn blog bleek toen hij me van misleiding van de publieke opinie betichtte.

4. Het is de vraag of de 21 werken van Armando in het bezit van de gemeente Amersfoort zoveel waard zijn als beweerd wordt. Buiten Nederland brengen ze minder op dan de galerieprijs en binnen Nederland lijkt de markt voor deze nieuwe schilderijen van Armando verzadigd. Amersfoort moet zich maar niet rijk rekenen.

5. Eric van der Velden heeft gelijk dat Amersfoort de afgelopen 10 jaar slecht is omgegaan Armando’s erfenis. Het gemeentebestuur bezondigde zich aan onzorgvuldig bestuur door na de brand in de Elleboogkerk in 2007 de overeenkomst uit 1998 eenzijdig op te zeggen. Het openbaar bestuur van Amersfoort heeft zo sterk aan geloofwaardigheid en vertrouwen verloren. Nog steeds is niet duidelijk gemaakt welke rol enkele betrokkenen in de private sfeer van de Armando Stichting en het Armando Museum speelden, hoe hun persoonlijk belang (carrière, geldingsdrang) meespeelde in de verhuizing van het Armando Museum naar Oud Amelisweerd en waarom de verantwoordelijke bestuurders van Utrecht en Amersfoort niet meer ruggengraat toonden. Het moet een kolfje naar de hand van de journalisten van De Stadsbron zijn om dat eens tot op de bodem uit te zoeken. Onder de voorwaarde dat ze hun vaste bronnen uit cultureel Amersfoort deze keer niet vanzelfsprekend op hun woord dienen te geloven, maar ze vooral naar hun dubbele agenda moeten vragen.

Foto: Armando. ’10 zwarte bouten’ (1961). Opgenomen in de collectie van het Kröller-Müller Museum.

Mediadebat over kwestie-Ruf is omsingeling en projectie bij volmacht. Vanaf de flanken van de NRC

with one comment

In een commentaar van 16 juni 2018 ging ik in op de kwestie Ruf en de aandacht ervoor in de media. Ik kwam tot twee conclusies. Namelijk dat het antwoord op de vraag of Beatrix Ruf gelijk heeft met haar claim dat ze terug kan keren als museumdirecteur bij het Stedelijk ervan afhankelijk is of er een juridische of ethische invalshoek wordt gekozen. Het rapport Eisma pleitte mw. Ruf vanuit een juridisch perspectief vrij en ging grotendeels voorbij aan de gedragsregels en de bedrijfscultuur bij het Stedelijk. Ook constateerde ik dat er een schaduwoorlog tussen NRC en Het Parool was ontstaan waarbij eerstgenoemde het accent legde op de overtredingen van ethische regels en laatstgenoemde op de ruimere juridische marges die Rufs terugkeer niet verhinderden. Zo woedt een nauwelijks verhulde richtingenstrijd waarbij kranten een grote rol spelen.

Het Parool dat in enkele stukken suggereerde dat Ruf ‘volledig is vrijgepleit’ en ‘ten onrechte is beschuldigd van belangenverstrengeling’ omschreef ik als ‘doorgeefluik van de lobby om Ruf terug te laten keren als directeur van het Stedelijk Museum’. Dat was geen incident, maar deel van een georkestreerde campagne die overigens de laatste 10 dagen aan momentum lijkt te hebben verloren. Vorig jaar trok Ruf als woordvoerder spindoctor Kay van der Linde aan die haar niet alleen door de publiciteit loodst, maar ook een strategie aan de hand doet waarbij het de vraag is of die wel altijd in het belang van mw. Ruf is. Ofwel, een media-strategie kan schrander opgezet zijn, maar werkt doorgaans via een hoofdpersoon die erdoor aan gezag kan verliezen.

Ruf is geen oorzaak, maar gevolg van de structuur die bij het Stedelijk Museum tijdens opeenvolgende Raden van Toezicht was ontstaan. Zij kon zich niet onttrekken aan wat een ontspoorde bedrijfscultuur was die werd versterkt door een hoog ambitieniveau dat zo goed als onhaalbaar was. In een reeks krantenadvertenties hamerde kunstverzamelaar Jan Christiaan Braun daar sinds 2014 op. Ze hadden als onderwerp het belangenconflict binnen de Raad van Toezicht en het bestuur van het Stedelijk Museum Fonds. De eerste advertentie van september 2014 sloot als volgt af: ‘dat de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum afstand moet doen van de door de Raad van Toezicht van het museum gelegitimeerde mogelijkheid een eigen belang te houden bij en te blijven werken voor private partijen zoals de uitgever Michael Ringnier en de verzekeraar Swiss Re, beide te Zwitserland’. Het duurde drie jaar voordat deze waarheid doordrong tot de publieke opinie.

In het tijdperk Trump regeert de vervalsing. Zijn regime zit ‘gevangen in de eigen leugen’ en zet eerder een tandje bij, dan dat het terugdeinst. Journalisten zijn als afleiding het mikpunt van spot en kritiek geworden. Als ze niet oppassen worden ze gebruikt als doorgeefluik door een groepering of partij die in de eigen leugen gevangen zit. Ruf is geen Trump en Kay van de Linde geen Stephen Miller, maar de methode Trump straalt via spindoctors en communicatiedeskundigen negatief af op de journalistiek en blijft niet onopgemerkt.

Gisteren voegde vanaf de zijlijn NRC-redacteur Menno Tamminga zich met een opinie in de kwestie Ruf en in de proxy-oorlog. Zijn stukken over economie en ondernemingsbestuur zijn doorgaans in het Economie-katern te vinden. Zoals viel te voorspellen stelt Tamminga zich op een minimalistisch niet-juridisch standpunt waarbij de ethiek leidend is. NRC lijkt overigens (tijdelijk?) haasje-over te spelen waarbij de kwestie Ruf niet langer vanuit het centrum door de vaste redacteuren Daan van Lent en Arjen Ribbens wordt verslaan, maar vanaf de flanken door redacteuren die meer op afstand staan (Paul Steenhuis, Tamminga). Ik verklaarde die nieuwe afstandelijkheid in een commentaar van 19 juni 2018 als ‘de angst binnen de hoofdredactie van NRC om van vooringenomenheid beticht te worden.’ Dat hoeft niet uitsluitend negatief uitgelegd te worden, maar kan ook betekenen dat interne pluriformiteit gezocht wordt om de argumenten meer draagvlak te geven.

Tamminga is snoeihard in zijn conclusie die uitgaat van goed bestuur en effectief toezicht: ‘Het beeld dat uit het rapport oprijst is dat de directie en de toezichthouders elkaar geen nieuwsgierige, laat staan ongemakkelijke vragen wilden stelden. Hielden de geslaagde topondernemers niet van tegenspraak? Keken anderen naar hen op? Non-interventiegedrag was kennelijk de norm: als jij mij niet lastig valt met een vraag, doe ik het bij jou ook niet.’ Deze klacht over de multimiljonairs in de Raad van Toezicht die het bij het Stedelijk voor het zeggen hadden en het museum niet aan zijn opdracht hielden klinkt in verschillende bewoordingen al sinds 2005. Interessant in dit verband is de aanleiding voor Jan Christiaan Braun om zich tegen de Raad van Toezicht en de vermeende grip van toenmalig hoofdsponsor ABN Amro te keren en de reactie via mijn commentaar uit 2012 van toenmalig NRC-journalist Viktor Frölke. Of Christiaan Braun of Frölke in 2005 voorbarig oordeelde kan nu door de episode Ruf beter beoordeeld worden dan in 2012.

Tamminga sluit af met het feit dat van de zeven leden van de Raad van Toezicht er vier zijn blijven zitten, onder wie Cees de Bruin (lid sinds 2012) en Willem de Rooij (lid sinds 2011): ‘Het Stedelijk Museum was hun speeltje. Uit het feit dat niet alle toezichthouders na dit rapport zijn opgestapt, kun je afleiden dat zij dat niet zomaar uit handen willen geven.’ Het zou ook een wonder van bestuurlijke zorgvuldigheid én menselijk gedrag zijn als een langlopende zaak van gebrek aan goed bestuur en voldoende controlemechanismen die al sinds 2005 in de (semi)-openbaarheid speelt zich nu ineens ondubbelzinnig ten goede zou keren.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHet Stedelijk – een museum als speeltje’ van Menno Tamminga, 26 juni 2108 in NRC.

Rechtszaak in België over geldgeschil in ondoorzichtige galeriesector: Michaël Aerts vs. Deweer Gallery

with one comment

Wie wel eens beeldende kunstenaars en galeriehouders spreekt zal weten dat ze over elkaar klagen. Soms goedwillend, soms kwaadaardig. In het laatste geval gaat het bijna altijd om geld. Kunstenaars vermoeden dat de afrekening niet klopt en ze te weinig uitbetaald krijgen. Soms betreft het zelfs werken die al jarenlang in stock waren, maar uiteindelijk onverklaarbaar verdwenen bleken. Met als toppunt van onrecht failliete galeries zonder bewindvoerder, maar met een doorstart. Galeristen zijn als winkeliers en boeren die ook klagen als het goed gaat. Maar bij de teruglopende economie sinds 2008 hebben ze wel degelijk redenen tot klagen. De verkopen zijn ingezakt en nog steeds niet op peil. Kunstenaars willen toch solo’s, boekjes of publiciteit. ‘Opgekweekte’ kunstenaars stappen over naar een grote galerie zonder besef van de diepte-investering die door een galerie in hen is gedaan. De wisselwerking tussen kunstenaar en galerist is een spanningsveld.

In België is er een kwestie tussen kunstenaar Michaël Aerts en Deweer Gallery in Otegem, Zwevegem. De galerie is aangeklaagd door Aerts omdat er volgens hem ‘gefoefeld zou zijn met de verkoopsprijs van kunstwerken’. Geknoeid dus. In een artikel geeft De Morgen de details. Aerts’ advocaat Jan Leysen stelt dat de galerie kunstwerken aan een buitenlandse koper voor een hoger bedrag heeft verkocht dan tegen de kunstenaar werd verteld. Aerts zou daardoor 980 euro aan inkomsten zijn misgelopen. Feitelijk een relatief klein bedrag dat deze opschudding niet rechtvaardigt. Advocaat Gallery Declercq ontkent namens Deweer Gallery de aantijging en meent dat de kunstenaar een aanleiding zocht om bij de galerie te vertrekken. Deel van de juridische strijd zou de berekening van de BTW zijn. De Morgen citeert een anonieme Antwerpse galerist: ‘Het btw-systeem is ingewikkeld en volatiel, waardoor er toch iets meer ruimte is voor gefoefel.’

Ondervoorzitter Sofie Van De Velde van de beroepsvereniging van Belgische galeries (BUP) meent dat de kunstwereld veel transparanter kan. Ze zegt internationaal te werken aan de formulering van gedragsregels: ‘Er is nood aan duidelijke spelregels, ook voor mensen die een werk willen kopen in een galerie.’ De BUP is net als de Nederlandse Galerie Associatie (NGA) aangesloten bij de in Brussel gevestigde FEAGA (Federation of European Art Galleries Association) die samenwerkt met het in Barcelona gevestigde Talking Galleries dat opereert als internationaal platform en denktank voor kunstgalerieën. Van De Velde meent dat kunstenaars steeds beter hun rechten kennen. Zij benadrukt dat het in de galeriesector om vertrouwen en ongeschreven regels gaat, maar ‘het volgens haar essentieel is om op voorhand afspraken te maken’. Op 5 september spreekt de rechtbank van Kortrijk zich uit over de zaak tussen Michaël Aerts en Gallery Deweer.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelOntransparante kunstwereld worstelt met de centen; Kunstenaar klaagt galerie aan na onduidelijkheid over btw-tarieven’ van Lotte Beckers in De Morgen, 26 juni 2018. (registratie verplicht).