De duistere zijde van een cabaretrecensie. Ivo Nieuwenhuis verwart (identiteits)politiek en wensdenken met humor en meningsuiting

Laat ik vooropstellen dat ik weinig met Nederlands cabaret heb (dat is eufemistisch uitgedrukt), zoals ik ook niets met dominees heb. Maar nog minder heb ik met recensenten die artikelen over de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting schrijven met in de kop het woord fatsoen. Zoals Ivo Nieuwenhuis in Trouw: ‘Moeten witte grappenmakers een stapje terug doen of is fatsoen voor buiten het theater?’ Ik zou zeggen, vooral de recensent die zoiets beweert moet een stapje terug doen.

Nieuwenhuis’ verwijzing naar fatsoen is om verschillende redenen ongelukkig, maar ook verhelderend omdat hij ermee uit de kast komt als een moralist. Naast het feit dat het de meningsuiting inperkt en vrijheid vervangt door burgerlijkheid is het ook eens hoogst subjectief begrip waarvan de interpretatie niet bij voorbaat vaststaat. Goede smaak, fatsoen of goede zeden is niet meer dan een normatieve opvatting van een specifieke sociale klasse waar Nieuwenhuis zich tot vertegenwoordiger van maakt.

Cabaret is amusement en geen kunst. Of kleinkunst. Maar ook amusement moet vrijheid van meningsuiting kennen. De verschijningsvorm van cabaret is eerder ironie dan humor. Het verschil daartussen is dat teksten of liedjes verhuld en ingekleed zijn en de toeschouwer ruimte laat om te betekenis ruim op te vatten. Daarom moet men oppassen met de interpretatie van cabaret. Humor is eenduidiger, rechtstreekser en bijtender.

Nieuwenhuis voedt zijn betoog met voorbeelden uit de identiteitspolitiek. Vanuit de neiging om te oordelen komt hij op voor specifieke sociale groepen. Hij vindt dat ze vanuit een positie van onmacht onrecht worden aangedaan. Dat is een verdedigbaar standpunt, maar zegt toch vooral iets over Nieuwenhuis’ gedachtengang over een situatie die hij schadelijk en ongewenst acht en graag veranderd zou willen zien.

Uiteraard is het aan de politiek en niet aan het cabaret om zo’n situatie te veranderen waarvan Nieuwenhuis meent dat die ongewenst is. Cabaret geeft er commentaar op, maar is geen beleidsmaker en moet daarom ook niet als zodanig beoordeeld worden. Juist door de indirecte, ironische opzet van cabaret in een gedramatiseerde als/dan-situatie onderscheidt ook een politiek aandoend betoog van iemand als Theo Maassen of Hans Teeuwen zich fundamenteel van een politiek betoog dat die dubbelzinnigheid mist.

Nieuwenhuis heeft vooral moeite met humor (dat hij als een andere term voor cabaret hanteert) die niet naar boven, maar naar beneden trapt. Dus niet naar ministers en popsterren, maar naar ‘vrouwen die niet kunnen autorijden en homo’s die zich verwijfd gedragen’, zoals hij het uitlegt. Zo laat Nieuwenhuis zijn oordeel over een gewenste politieke situatie zijn oordeel over de toelaatbaarheid van, en de grenzen aan cabaret bepalen.

Nieuwenhuis stelt voorwaarden aan cabaret waarbij hij het in zijn denkraam inperkt en onmachtig maakt. Zijn betoog dat een ‘essay’ wordt genoemd lijkt veelzijdig, maar is zo regulatief dat het in strijd komt met waar meningsuiting of cabaret voor staat. Namelijk een vorm van vermaak die op een ironische wijze zonder de cabaretier, de macht of de onmacht te sparen doorgaans dubbelzinnig commentaar geeft op de wereld.

Nieuwenhuis stelt terecht dat humor nooit onschuldig is, dat het slachtoffers maakt en dat die slachtoffers niet zelden in de hoek zitten waar ook buiten humor om de zwaarste klappen vallen. Dat laatste kan echter het cabaret niet verweten worden. Hij verwijt cabaretiers die zich richten op degenen die in de samenleving de zwaarste klappen krijgen geen oprechte betrokkenheid bij de ­samenleving te hebben. Dat is een ongegronde uitspraak die vooral ontspringt aan Nieuwenhuis’ wereldbeeld en opvatting van identiteitspolitiek.

Nieuwenhuis besluit zijn essay met de conclusie dat omwille van de gelijkheid de ‘leden van dominante sociale groepen soms een stapje terug moeten doen’. Dat is een griezelige opvatting die voorbijgaat aan de functie van spot die mede dient als uitlaatklep én signaal voor ongenoegen. Maar wat erger is, ermee vermengt hij zijn politieke denken met een maatschappelijke ontwikkeling. Het realiseren van emancipatie en gelijkstelling van recessieve sociale groepen behoort tot het domein van de politiek en niet tot dat van het cabaret.

Nieuwenhuis draait oorzaak en gevolg om. Hij spant het paard achter de wagen. Hoe potsierlijk zijn mening is blijkt als men dat toepast op andere sectoren, zoals religie, krijgsmacht, industrie of koningshuis. Moeten bisschoppen, generaals, CEO’s of staatshoofden vrijwillig een stapje terug doen omwille van de gelijkheid? Dat zullen ze uit zichzelf niet doen, en daarom is het evenmin proportioneel om dat van het cabaret te eisen.

In een reactie op Nieuwenhuis’ artikel weerspreekt cabaretier Micha Wertheim diens beweringen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDe duistere zijde van humorMoeten witte grappenmakers een stapje terug doen of is fatsoen voor buiten het theater?’ van Ivo Nieuwenhuis in Trouw, 3 oktober 2020.

Lompheid, ongevoeligheid, baldadigheid, afzeiken, onkunde en ‘leukheid’ zijn kenmerken van NRC-column Youp van ’t Hek

Wat volgt is gekleurd en volgt uit een afkeer van persoon en vakgebied. Het gaat om de 64-jarige cabaretier Youp van ’t Hek en cabaret. Over dat laatste schreef ik in 2013: ‘Cabaret is amusement dat onder het mom van een hogere waarheid op een domineestoon het dagelijkse naar een dramatisch niveau tilt door te shockeren, op scherp te zetten of te ontroeren. Cabaret bestaat bij gratie van ontvankelijkheid in de wederzijdse afspraak tussen publiek en cabaretier. Fransen noemen dat zo aardig ‘Épater la bourgeoisie‘ ofwel indruk maken op de burgerij. Die laat zich graag afzeiken om deel te worden van iets groters dat het vermoedt. Cabaret is kleinkunst voor de kleinburger die egalitair geniet van zelfkastijding.

Wat mijn weerzin tegen cabaret verklaart is denk ik de ondraaglijke lichtheid en dominees-achtige pretentie ervan. Tegelijk besef ik dat de aanstellerij ervan goed aansluit bij de Nederlandse volksaard en bij bepaalde lagen van de samenleving (lagere middenklasse) populair is daarom een interessant fenomeen is. Mij kan kunst niet ‘hoog’ genoeg zijn (vooral muziek en beeldende kunst) en voor folklore of volkszang die van ‘onderop’ uit de samenleving ontstaat heb ik ook waardering. Aan die tussenvorm in het midden dat cabaret ofwel kleinkunst is en zich boven volkskunst verheven voelt, maar niet kan tippen aan ‘hoge’ kunst kan ik niet wennen. Het mist zowel de oprechte eenvoud als de diepte van respectievelijk volkskunst of ‘hoge’ kunst.

Youp van ’t Hek volg ik niet als cabaretier, maar als NRC-abonnee lees ik onregelmatig zijn zaterdagse columns. Na zijn eerste TV-optreden bij de KRO dat ik lang geleden toevallig zag begreep ik dat Épater la bourgeoisie het alpha en omega van zijn kleinkunst was. Die columns zijn geen plezier omdat ze alleen maar bevestigen wat ik al vind van cabaret en degenen die zich er professioneel mee bezighouden. Nieuwe ideeën of inzichten zijn er niet in te vinden. De columns zijn een herhaling van de paden die al door velen zijn platgetreden en Van ’t Hek in extreme vorm herhaalt. Hij verkondigt makkelijke meningen over de actualiteit die hij op elkaar stapelt en voorziet van een literaire vorm door spiegeling en overdrijving. Het is flinterdun, maar ongetwijfeld populair. Anders valt niet te begrijpen waarom de NRC-hoofdredactie de column handhaaft.

Erger dan weerzin tegen een persoon of vakgebied is desinteresse. Juist omdat het Van ’t Heks vaste benadering is om de kleinburgers af te zeiken en op de kast te jagen is wat hij nastreeft het oproepen van afkeer. Daar wil hij ons hebben omdat dat via een omweg de aandacht op hemzelf vestigt. Door de omkering van waarden zegt deze cabaretier dat hij ons in de spiegel laat kijken. Dat is slim omdat hij hiermee kritiek bij voorbaat terugkaatst en zich achter de spiegel onkwetsbaar maakt. Maar hoe kan een criticus voorbijgaan aan die positie die Van ’t Hek voor ons gecreëerd heeft en toch kritiek leveren die aan zijn straatje voorbijgaat?

Aanleiding voor mijn gebulder is van ’t Heks columnEen knietje’ van 29 september 2018 over de benoeming van rechter Brett Kavanaugh en de getuigenis van Christine Blasey Ford voor de Senaat. Van ’t Hek: ‘Bij die Ford vroeg ik me steeds af: waarom dit wanstaltige amateurtoneel met die gebroken stem en die krokodillentranen? Na 35 jaar! Waarom is ze toen niet krijsend naar haar moeder gerend? Aanranding en bijna-dood! Hallo? Is het geen belediging voor echt verkrachte vrouwen die de rest van hun leven worstelen met de grootste trauma’s? Dit is toch gewoon een van de miljoenen dronken studentenkamerincidentjes?’ Van ’t Hek heeft hier al volop kritiek op gekregen. Niet alleen doordat hij aantoonbaar van toeten noch blazen weet over de verwerking van een trauma, maar ook door zijn vrouwonvriendelijk standpunt. Hij glorieert in zijn onkunde, gebrek aan empathie voor een slachtoffer van grensoverschrijdend seksueel gedrag en gebrek aan politiek besef. Is het leuk wat hij ondanks zijn groteske lompheid zegt? Ik denk het niet, maar enfin, ik ben dan ook niet onpartijdig omdat ik een afkeer van cabaret heb en de manier waarop Youp van ’t Hek zijn vak uitoefent. NRC-lezers worden door Van ’t Hek heerlijk bevestigd in hun afkeer van dat wat kleinkunst is.

Foto: Schermafbeelding van deel columnEen knietje’ van Youp van ’t Hek in NRC, 29 september 2018.

Ondraaglijke lichtheid van het Nederlands cabaret: Theo Maassen

15612606-568x378

Er blijkt afgelopen weken in de Nederlandse media een heuse storm opgestoken te zijn. Over een belangrijk iets. Internetactivist Aaron Swartz die in het nauw gebracht door de Amerikaanse overheid zelfmoord pleegt? Nee. De Franse interventie in Mali? Nee. De oorlog in Syrië? Nee. Waarover dan wel? Theo Maassen. Een cabaretier met Brabantse tongval die agressie speelt en oogst. In de ‘als of‘-wereld van de dramatiek dus.

Cabaret is amusement dat onder het mom van een hogere waarheid op een domineestoon het dagelijkse naar een dramatisch niveau tilt door te shockeren, op scherp te zetten of te ontroeren. Cabaret bestaat bij gratie van ontvankelijkheid in de wederzijdse afspraak tussen publiek en cabaretier. Fransen noemen dat zo aardig ‘Épater la bourgeoisie‘ ofwel indruk maken op de burgerij. Die laat zich graag afzeiken om deel te worden van iets groters dat het vermoedt. Cabaret is kleinkunst voor de kleinburger die egalitair geniet van zelfkastijding.

De mediastorm spitste zich toe op een uitspraak van Maassen over de beveiliging van een politicus als Geert Wilders. Hij zegt daartegen te zijn: ‘Misschien dat mensen dan net effe iets langer nadenken voordat ze iets zeggen.’  Da’s een mening die slecht valt bij rechts en links tot bijval verleidt. Ook wordt Maassen verweten door Nausicaa Marbe dat-ie de islam niet hard durft aan te pakken, maar zich confortabel als pseudo-rebel richt op Wilders als symbool van een voorbij verleden. Theo Maassen symboliseert de ultieme kleinburger.

Kritiek gaat voorbij aan het wezen van de ‘als of‘-wereld van dramatiek. Aan de stilzwijgende afspraak tussen acteur en publiek om binnen theaterconventies een gezellig loopje met de werkelijkheid te nemen. Om effect te resulteren dikt een voorstelling in en verdraait. Juist daarom kan een cabaretier alleen afgemeten worden aan het feit of-ie succesvol zijn schijnwereld dramatiseert, maar niet aan de waarde van politieke uitspraken over de echte wereld. Cabaret is immers geen politiek debat. Nederlands cabaret veinst met licht vermaak onder een loodzware mantel van ongeveinsdheid de realiteit, maar zal er per definitie nooit arriveren.

Foto: Theo Maassen in zijn voorstelling ‘Met alle respect’, 2012. Credits: Hollandse Hoogte / Vincent van den Hoogen.