George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Kabinet Rutte

Intelligente domheid of domme intelligentie zit vooral radicaal-rechts in de weg. Matthijs van Boksel revisited

leave a comment »

Mensen worden steeds dommer. De onderbouwing van deze stelling valt hier hier na te lezen. Matthijs van Boxsel heeft zo zijn gedachten over domheid: ‘Domheid is het handelen tegen beter weten in. Domheid is kortom geen gebrek aan kennis of intelligentie. Sterker: domme mensen zijn vaak gevaarlijk omdat ze intelligent zijn. En hoe intelligenter ze zijn, hoe rampzaliger de gevolgen van hun domdaad.’ En zegt Van Boxel: ‘Let wel: de dwaling is het product van intellectuele arbeid, niet van luiheid. Het gaat ook niet om het wagen van een gokje. Je moet werken voor je dwalingen. Je moet falen om de kennis te vergaren waarmee je je falen kunt herkennen. Kennis draait kortom om herziening, vertraging, tegen jezelf indenken.’

Toen ik het bovenstaande las en er in 2013 een commentaar over schreef met de titel ‘Intelligente domheid zit kabinet Rutte in de weg’ moesten Trump en de rechts-radicalen nog komen. Intelligente dommeriken als Thierry Baudet, Boris Johnson of Steve Bannon moesten toen nog hun opgang maken. Door die voorbeelden begrijp ik nu de bewering van Van Boxsel beter dan 6,5 jaar geleden. Het heeft handen en voeten gekregen.

We worden dagelijks geconfronteerd met intelligente domheid. Ergo, het heeft de wereld overspoeld. Degenen die claimen intelligent en niet dom te zijn begrijpen dat niet. Radicaal-rechtse politici denken tegen het belang van hun land in omdat ze niet dom genoeg zijn om tegen zichzelf in te denken. Ze gaan met zichzelf en hun cyclische, stationaire denken op de loop en komen niet verder. Domme mensen zijn intelligent, we zien het dagelijks in de politiek. Hadden ze maar kennis en durf om zichzelf te herzien. Maar dat zit er niet in.

Foto: ‘Bobby Fischer and Mikhail Tal (from page 41 of XIV. Schach-Olympiade Leipzig 1960)’

Museum moet zich breed opstellen en niet tot deelnemer aan het publieke debat maken door standpunten van radicalen te steunen

with one comment

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn dit jaar weer voorbij en kerstmis kondigt zich al aan op markten, in winkels en huiskamers. Dat is een passend moment om los van de actualiteit terug te kijken op bovenstaande tweet van 16 november 2019 van het Stedelijk Museum. Wat zegt het, wat beoogt het, wat zijn de voor- en nadelen ervan en hoe plaatst het een kunstmuseum in het publieke debat vol voetangels en klemmen?

Laat ik om te beginnen mijn positie duidelijk maken over deze tweet. Ik meen dat het SM die nooit had moeten plaatsen en ermee de fout is ingegaan. Ik vind het te ongenuanceerd, te vrijblijvend en het verkeerde medium. Het is te makkelijk gedaan zonder dat het museum als institutie er enige verantwoordelijkheid voor neemt. Het is lui denken die volgt uit een combinatie van politieke correctheid en marketing. Ermee neemt een museum op een pamflettistische wijze stelling in een maatschappelijke kwestie door aan te sluiten bij een radicale opvatting die in de samenleving leeft. Dat is onverstandig. Daarmee maakt het museum zich nodeloos kwetsbaar voor kritiek zoals wel blijkt uit de vele reacties bij de tweet. Dat verzwakt -opnieuw onnodig- de positie van het museum. Van dezelfde categorie domheid was naar mijn idee het afschaffen van de term ‘Gouden Eeuw’ door het Amsterdam Museum. Daarvan was de onderbouwing zelfs nog ezelachtiger en onzinniger dan uit deze tweet van het SM blijkt die van inhoud tamelijk neutraal is. Maar van intentie niet.

De uitdaging voor een museum is om naar alle kanten kritisch en open te zijn. Zich niet te verbinden met een specifieke doelgroep. De uitdaging voor de staf van een museum is om de eigen persoonlijke voorkeur buiten het museumbeleid te houden. Het er niet direct in door te laten klinken. Want een museum als institutie is meer dan een persoonlijke mening van directeur, conservator of medewerker marketing of publiciteit. De verleiding voor het management van een museum is wellicht groot om de eigen persoonlijke mening op het beleid te drukken, maar aan die verleiding moet weerstand geboden worden. De eigen duim op het Twitter-account van het museum of de regie over het museale sociale medium moet niet tot ongebreideldheid, maar tot beheerstheid en terughoudendheid leiden.  De persoonlijke mening van een museummedewerker over de Gouden Eeuw of Zwarte Piet is van ondergeschikt belang en moet niet in het beleid doorklinken. Wat anders is het als een directeur of conservator zich op persoonlijke titel over een politieke kwestie uitspreken. Dat kan, maar dan moet duidelijk uit de context blijken dat het niet het standpunt van het museum is.

Over kwesties als slavernij, kolonialisme, inclusiviteit, diversiteit en identiteit wordt in de samenleving verschillend gedacht. Het zijn vooral degenen in de marge die zich het hardste roeren en het publieke debat hebben gekaapt. In Nederland laat radicaal-links zich voeden door het debat aan Amerikaanse universiteiten dat ten onrechte 1 op 1 naar Nederland wordt vertaald. Dat leidt tot aannames die de verschillen alleen maar vergroten. Het kan door de specifieke achtergronden van de harde Amerikaanse samenleving verdedigbaar zijn om Black Pete of Blackface in de VS als racistisch te beschouwen, maar het is vooralsnog niet zeker of dat voor Zwarte Piet in Nederland in dezelfde mate geldt. Ik betwijfel dat. Van de andere kant laat radicaal-rechts in Nederland zich ook door het Amerikaanse debat voeden en sturen. Met verbitterdheid, ongenuanceerdheid, felheid en gebrek aan een breed perspectief van dien. Ook het schema van Amerikaans nieuw rechts of alt right dat karakteristiek van aard en karakter is kan niet 1 op 1 naar de Nederlandse samenleving vertaald worden. Slotsom is dat het Nederlands is om afstand van zowel radicaal-rechts als radicaal-links te nemen.

In de Zwarte Piet discussie nemen sinds 2012 de laatste twee kabinetten Rutte, Rutte II en Rutte III, een bemiddelende positie in. Ze pleiten voor een geleidelijke overgang en afbouw van de meest racistische stereotyperingen. Dat is een verstandige opstelling die als voorbeeld kan dienen bij al deze identiteits-kwesties waarbij radicalen aan beide kanten van het politieke spectrum zich fel uitspreken en hard tegenover elkaar staan. De les is dat de regering, een democratische institutie of een met gemeenschapsgeld betaald museum zich niet tot deelnemer van dat debat moeten maken door partij te kiezen. Ze dienen zich op te stellen als neutraal en dienen weliswaar niet hetzelfde initiatief te nemen als regering of politieke partijen, maar moeten er wel op z’n minst voor zorgen dat ze deze beweging en voortgang niet verstoren.

Door vrijblijvend, makkelijk en eenzijdig partij te kiezen zoals in 2019 het Stedelijk Museum en Amsterdam Museum deden bereikten ze het omgekeerde van wat ze beoogden. Steunen van een politiek controversieel standpunt roept weerstand op en geeft het foute signaal af over betekenis en functie van een museum. Dat moet in ambitie hoger mikken, zodat het zelf buiten het politieke debat blijft en de eigen positie erbinnen niet ter discussie stelt. Een museum moet signaleren, presenteren en documenteren, zonder zich te reduceren tot een spreekbuis of pamflet van een (radicaal-)politieke stroming. Dat betekent overigens niet dat een museum op een tentoonstelling, symposium of in een publicatie geen standpunt kan innemen over politieke kwesties. Liever wel zelfs. Het verschil is de context, samenhang en onderbouwing. Als een museum zich als opdracht stelt om veelvormig voor een breed publiek of vele deelpublieken te zijn met een goede (kunst)historische onderbouwing, dan volgt daaruit vanzelfsprekend dat het over maatschappelijke kwesties als verlengde van die eigen tentoonstelling, symposium of publicatie uitspraken doet. Ingebed en niet persoonlijk of ongeremd.

Foto: Tweet van het Stedelijk Museum Amsterdam, 16 november 2019.

Mislukt debat bij Nieuwsuur tussen Van Bommel en Van Hulten over Oekraïne-referendum

with 2 comments

In de aanloop naar het Nederlandse referendum over de associatie-overeenkomst van de EU met Oekraïne op 6 april 2016 hield Nieuwsuur op 2 februari een debat. Omdat de informatieverstrekking ondergeschikt was werd het een mislukking. Woordvoerder van de JA-campagne Michiel van Hulten (PvdA) kende de feiten onvoldoende en wist niet passend te reageren, en Harry van Bommel (SP) die in de ontregel-stand stond stelde de feiten verkeerd voor. De kijker die op zoek was naar de waarheid werd het slachtoffer van dit debat.

Harry van Bommel maakt het er het meest bont op. Het viel op dat hij zich zelfs in zijn taalgebruik (‘etnische Russen’) leek te vereenzelvigen met het perspectief van de Russische regering. Als een polder-Stalinist biedt Van Bommel een karikatuur van iemand die probeert de standpunten van het Kremlin zo nauwgezet mogelijk te verwoorden. Het is beschamend dat een Nederlandse volksvertegenwoordiger aanhaakt bij het Russische, en niet bij het Nederlandse standpunt. Al is dat in kritische zin. Van Hulten heeft geen weerwoord. Op zijn beurt lijkt hij ontregeld door de ontregelende uitspraken van Van Bommel. Opvallend is trouwens dat Van Hulten stelt dat het raadgevende referendum opgevat moet worden als bindend. Daarmee gaat hij op de stoel van de regering zetten en verwart hij de campagne met de staatsrechtelijke ruimte die het kabinet heeft.

Van Bommel bouwt zijn betoog op de aanname dat Oekraïne tot op het bot verdeeld is. Dat is juist, maar anders dan hij het voorstelt. Hij legt de breuklijn verkeerd. Die lijn volgt niet eenduidig etnische verschillen. Een meerderheid van meer dan 90% steunt de eenheidsstaat Oekraïne. Uit opinieonderzoeken, zoals PEW, 2015  blijkt dat minder dan 10% van de Oekraïeners zelfstandigheid voor de zogenaamde volksrepublieken Donetsk en Loehansk wil of aansluiting ervan bij de Russische Federatie. De echte breuklijn in Oekraïne loopt tussen degenen die de corruptie hard en doelmatig willen bestrijden en degenen die het als systeem in stand willen houden. Het is het verschil tussen de oude elite en degenen die hun lot in eigen hand willen nemen, onder wie de jongere generaties. De laatsten zien daarvoor de meeste kansen door associatie met de EU.

Uitgaande van die weergave van etnische verdeeldheid deelt Van Bommel ‘etnische Russen’ en ‘Russisch sprekenden’ automatisch in bij het pro-Kremlin kamp. Dat is onjuist omdat vele Russische-Oekraïeners om politieke en economische redenen afstand nemen van het Kremlin dat denkt in termen van Novorossiya of ‘Groot Rusland’. Ze steunen de eenheidsstaat Oekraïne. Van Bommel stelt de verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen te simpel voor. In het verlengde daarvan suggereert hij dat die zogenaamde etnische verdeeldheid de oorlog vanwege binnenlandse verschillen heeft aangejaagd. De klacht van de Russische oud-rebellenleider in Donetsk Igor Girkin in de zomer van 2014 duidde op het tegendeel. Girkin en andere door het Kremlin naar Oost-Oekraïne gestuurde rebellenleiders viel het op dat de lokale bevolking niet in beweging te brengen was voor een revolte tegen Kiev en zich ondanks alles vooral Oekraïens voelde. Het waren Russische vrijwilligers, huurlingen en militairen, en Oekraïense beroepsrevolutionairen die hun kansen roken die een idee van een burgeroorlog moesten suggereren wat feitelijk een oorlog tussen twee landen was.

Van Bommel pleidooi voor een pas op de plaats voor Oekraïne is niet anders dan een beloning van de huidige ondermijning en destabilisatie van Oekraïne door de Russische Federatie. De situatie waarin Oekraïne zich nu bevindt is geen natuurlijke situatie waarin het land zich door eigen toedoen bevindt. Bijzonder aan de huidige situatie van Oekraïne is de door de Algemene Vergadering van de VN in maart 2014 in een resolutie breed veroordeelde bezetting van de Krim en de continue aanwezigheid van tussen de 5.000 en 10.000 reguliere Russische militairen in Oost-Oekraïne. Zo’n pas op de plaats levert Oekraïne over aan de invloed van de Russische Federatie die er alle belang bij heeft dat het land zich niet ontwikkelt zoals het zou kunnen doen in associatie met de EU. Ondermijning en destabilisatie zijn doel van het Kremlin opdat Oekraïne niet kan normaliseren. Ontwikkeling in associatie met de EU verkleint de Russische invloed in Oekraïne en geeft Russen een voorbeeld op de eigen drempel van een Oost-Europees land dat succesvol voor burgers kan zijn.

Zo fabuleert Van Bommel verder over een afspraak in 1990 tussen de toenmalige Sovjet-Unie en het Westen over de uitbreiding van de NATO naar de Russische grens. Zo’n afspraak is nooit gemaakt en was zelfs in de gesprekken in die jaren tussen de Sovjet-Unie en het Westen geen onderwerp van gesprek, behalve over voormalig Oost-Duitsland zoals oud-president Gorbachov in een interview in 2014 op een rijtje zette. Het is gewenst dat Nieuwsuur de volgende keer een debat tussen historici met kennis van de recente geschiedenis van Oost-Europa organiseert. De misleidingen van Van Bommel informeren het publiek niet, evenmin het gebrek aan feitenkennis van Van Hulten. De Nieuwsuur-redactie had dit zorgvuldiger moeten voorbereiden.

Hedwige-polder moet ontpolderd worden door de macht van de Antwerpse haven en slecht onderhandelen van Nederland

with one comment

Waarom moet de Hedwige-polder in Oost-Zeeuws-Vlaanderen ontpolderd worden? Het lange antwoord wordt aan de hand van een nauwkeurige reconstructie van de besluitvorming gegeven in de documentaireOnder de oppervlakte’ van Digna Sinke. De film ging in september 2015 in première en werd vanavond op NPO 2 uitgezonden door de VPRO. Op een onbegrijpelijke manier weet het de wel aanwezige essentie toch goed te verhullen. Want verwijzingen naar ‘de huidige generatie politici’ die de politiek uitholt mogen aardig en actueel klinken, maar zijn niet specifiek voor het dossier van de ontpoldering van de Hedwige-polder.

Het korte antwoord is dat door een verdrag tussen Nederland en Vlaanderen een Zeeuwse polder vanwege natuurcompensatie moet worden ontpolderd. Dat verdrag dient het Vlaamse belang, namelijk het economisch belang van de Antwerpse haven. De verdieping van de Westerschelde die uitsluitend in het belang van Antwerpen is, tast de natuur in het Westerschelde-bekken aan. Merkwaardig is dat de volgens Europese richtlijnen natuurcompensatie die ontstaat door die economisering van de Westerschelde die van een levende rivier een toevoerweg maakt, niet gevonden moet worden op Vlaams, maar op Nederlands grondgebied.

Dat is onrechtvaardig en onlogisch, en een weeffout in het Scheldeverdrag. Nederlandse politici hadden in de onderhandelingen met Vlaanderen natuurcompensatie op Vlaams of Belgisch grondgebied moeten eisen. Ze hadden nooit met de afspraken en voorwaarden akkoord moeten gaan. Ze hebben in de onderhandelingen met de Vlaamse regering het Zeeuws belang ingewisseld voor ander belang. Dat is de essentie van wat er mis is aan de ontpoldering van de Hedwige-polder. Nederlandse politici als Henk Bleker, Jan Peter Balkenende of Mark Rutte holden niet zozeer met hun populisme en gebrek aan dossierkennis het politiek bedrijf uit, maar moesten zich in bochten wringen om fouten te herstellen die niet meer te herstellen waren van deskundigen als Cees Veerman en topambtenaren van Rijkswaterstaat die betrokken waren bij de Scheldeverdragen.

Media roepen op bij referendum: stem JA, stem NEE. Maar waarvoor of waartegen?

with one comment

Op (sociale) media is de strijd tussen de voor- en tegenstanders van de associatie-overeenkomst van de EU met Oekraïne nu definitief losgebarsten. De NEE-campagne die zich verenigd heeft in een uit het weblog GeenStijl voortgekomen initiatief GeenPeil wist vanaf augustus 2015 de publieke opinie te domineren en krijgt nu voor het eerst weerwoord. Op 6 april 2016 kunnen de Nederlanders zich in een referendum uitspreken.

Bizar is dat de meeste voor- en tegenstanders niet vinden dat het werkelijk over Oekraïne gaat, maar over onderwerpen zoals ‘de gebrekkige Europese democratie’ of het kabinet Rutte. Zo wordt het referendum een bekrachtiging van het gebrek aan populariteit van de EU of de Nederlandse politiek. Extra aangejaagd door de onjuiste aanpak van de vluchtelingencrisis. Toch wordt telkens weer het verband met Oekraïne gelegd dat tegelijkertijd ontkend wordt. Zo’n benadering oogt absurd en gespleten. Even bizar is dat de associatie-overeenkomst al in 2015 door het Nederlandse parlement is geratificeerd en op 1 januari 2016 in werking is getreden. Alleen met Europese eenstemmigheid kan het teruggedraaid worden, wat onwaarschijnlijk is.

Morele leegte van de politieke partijen aan de hand van de reactie op het doodvonnis voor Saoedische dichter Ashraf Fayadh

with 4 comments

peti

Waar gaat naïviteit over in waakzaamheid, tolerantie in zelfbescherming, verontwaardiging in handelen? De scheidslijn tussen recht en onrecht is vaak niet te zien. Of er wordt weggekeken, vooral in de extra gevoelige en extra beschermde sector van de religie. De vinger aan de pols en juist reageren is een helse opgave voor politici die steeds meer zweren bij regelgeving en machtsuitoefening, en steeds minder hebben met moraliteit en maatschappelijke waarden. In een NRC-artikel zet Gabriël van den Brink dat op een rijtje. Een uitwerking van onderstaande video. Hij concludeert dat de politieke klasse zich buitenspel zet en vervreemdt van de burgers. En uiteindelijk teruggefloten zal worden. Is dat wensdenken dat een beetje gedateerd aandoet? Want hoe en wanneer morele en maatschappelijke waarden weer terug komen in de politiek is onduidelijk.

Dat de petitie ‘Oproep: geen Saoedisch doodvonnis voor dichter Ashraf Fayadh’ geschreven moet worden is er een voorbeeld van dat de Nederlandse politiek verstrikt is geraakt in regelgeving en machtsuitoefening, en zich weinig aantrekt van moraliteit (de reactie op het doodvonnis van een dichter in Saoedi-Arabië omwille van zijn poëzie) en de maatschappelijke waarden (de bezorgdheid van de Nederlanders over dit doodvonnis en de reactie daarop). De Nederlandse politieke partijen redeneren in elkaar, handelsbelangen, wapenverkoop, machtspolitiek in het Midden-Oosten en het goed houden van de verstandhouding met autoritaire regimes. De petitie verdient het om getekend te worden, maar is aan het verkeerde adres gericht en legt het verkeerde accent. Het kabinet-Rutte zou als vanzelfsprekend gehoor dienen te geven aan morele en maatschappelijke waarden die in de Nederlandse samenleving leven. Dat dat niet gebeurt is de andere schande. De onze.

Foto: Schermafbeelding van petitie ‘Oproep: geen Saoedisch doodvonnis voor dichter Ashraf Fayadh’. Tekenen kan hier.

Kritiek met Lubach op besluitvorming over CETA, TTIP en ISDS

with 2 comments

Arjen Lubach overdrijft. Niet over de werking van de handelsverdragen van de EU met respectievelijk Canada (CETA) of de VS (TTIP), maar over zijn eigen rol in het debat daarover. Die is minder groot dan hij beweert. Mogelijk probeert Lubach zijn eigen gewichtigheid te relativeren door deze ongerijmde claim. CETA en TTIP dreigen de burger buitenspel te zetten. Er is al jaren veel politieke en buitenparlementaire weerstand tegen.

Een constante in de strategie van degenen die regels als obstructie beschouwen en niet als bescherming is dat ze de weg met de minste weerstand kiezen om hun doel te bereiken. In die zin dat de voorstanders van vrijhandel die de regelgeving maximaal willen beperken een verdrag dat te veel politieke en publicitaire tegenstand krijgt opgeven om het via een achterdeur via een ander verdrag te realiseren. Michael Geist wees er in 2012 op dat ACTA dat tegenstand kreeg werd omgekat tot CETA. En nu dreigt CETA een zijdeurtje voor TTIP te worden omdat het Amerikaanse bedrijven via Canada op zachte voorwaarden toegang tot de EU geeft.

De opstelling van het Nederlandse kabinet geeft weinig reden tot optimisme zoals blijkt uit de beantwoording van kamervragen van Jan Vos en John Kerstens (PvdA) aan minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel. Het gaat om de gewraakte investeringsbescherming ISDS binnen CETA waarvan Ploumen instemmend zegt dat de Zweedse Eurocommissaris Cecilia Malmström daarover de onderhandelingen met Canada niet heropent.

Haar antwoord wordt er onbegrijpelijk op als ze zegt dat ‘de voorstellen die Nederland met een aantal EU-lidstaten hebben (sic) gedaan voor vernieuwing van het mechanisme voor investeringsbescherming in TTIP van belang zijn voor alle verdragen die afspraken over investeringsbescherming bevatten, dus ook voor CETA’. Ploumen vermengt onderhandelingsrondes met uiteenlopende looptijden die blijkbaar terugwerkende kracht naar andere verdragen hebben, verdragsteksten en technische aanpassingen op zo’n complexe manier dat de vraag gerechtvaardigd is of ze binnen het kabinet werkelijk mandaat heeft om voor de burger op te komen.