George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘K.F. Hein Fonds

Kritiek op de selectie van vijf witte mannelijke kunstenaars voor herinrichting Bibliotheek Utrecht is terecht, maar ook onterecht

with 2 comments

Utrecht wordt volwassen, want het heeft een eigen relletje over kunst. Het gaat over de inrichting van de op 13 maart 2020 te openen Centrale Bibliotheek aan de Neude. Het voormalige hoofdpostkantoor in de stijl van de Amsterdamse School uit 1924 wordt grondig verbouwd. Er is kritiek gekomen op de selectie van vijf witte mannelijke hedendaagse kunstenaars en ontwerpers, te weten Maarten Baas, Willem Deiman, Frank Halmans, Daan Paans en Jop Vissers Vorstenbosch. Waarom de Bibliotheek Utrecht in een bericht trouwens spreekt over ‘vijf prominente Utrechtse kunstenaars’ is een raadsel. Want Maarten Baars kan moeilijk als een Utrechtse kunstenaar beschouwd worden en heeft meer verbinding met Noord-Brabant.

Zoals het bericht van de Utrechtse Bibliotheek meldt zijn externe fondsen bij de financiering en de realisering betrokken: ‘De kunstwerken zijn mede mogelijk gemaakt door: K.F. Hein Fonds, Gemeente Utrecht, BPD Cultuurfonds, Mondriaan Fonds, Fentener van Vlissingen Fonds, Stichting Stokroos en Stichting Het Boellaardfonds.’ Dat laatste is overigens het fonds dat in de clinch ligt (tot een rechtszaak toe) met het Utrechtse Genootschap Kunstliefde over een voorgestelde en als abrupt ervaren huurverhoging van Kunstliefde’s pand aan de Nobelstraat die door het Boellaardfonds werd opgelegd. Het Utrechtse K.F. Hein Fonds meldt in een berichtje op de eigen site het volgende, maar doorklikken levert een dode link op: ‘Door partnerships aan te gaan met een aantal Utrechtse partijen proberen we ondersteuning op maat te bieden én met elkaar te werken aan grote thema’s. Bijvoorbeeld met Bibliotheek Utrecht aan plek voor Utrechtse kunstenaars in hun nieuwe onderkomen (..).’

De witte, mannelijke kunstcriticus van middelbare leeftijd (1957) Rutger Pontzen van de Volkskrant besteedde in een column met de titel ‘Minder witte mannen in de kunst? Sweet dreams!’ op 9 januari 2020 aandacht aan de kwestie. Hij verwijt de vijf witte, mannelijke kunstenaars niet dat ze zijn wie ze zijn, maar zet vraagtekens bij de selectie. Hij geeft vooral het Mondriaan Fonds een veeg uit de pan: ‘Blijkbaar belijdt het fonds iets met de mond dat het met geld lijkt tegen te spreken.’ Maar het is de vraag of het het Mondriaan Fonds leidend is bij dit project. Het lijkt er sterk op dat Pontzen het Mondriaan Fonds een te grote rol toebedeelt. Een andere vraag is in hoeverre het Mondriaan Fonds zich kan en moet bemoeien met de selectie van een commissie die werd voorgezeten door de directeur van het Centraal Museum Bart Rutten. Het lijkt logisch om te veronderstellen dat het Mondriaan Fonds een toezegging had gedaan toen de selectie nog niet definitief was.

Toch begrijp ik de kritiek wel. Zo antwoordde tentoonstellingsmaker Trudi van Zadelhoff gisteren op een bericht hierover op mijn FB-pagina. Ze merkte op dat het ‘erg vreemd’ is dat er geen vrouwen tussen zitten. Dat zag ze als een gemiste kans. Zij heeft gelijk, zoals Rutger Pontzen ook gelijk heeft als hij zijn kritiek wat beter zou focussen. Het is tamelijk opvallend, zeg maar gerust wereldvreemd dat de selectie is uitgekomen bij vijf witte mannelijke kunstenaars/ ontwerpers. Maar de kwestie over identiteit is een doos van Pandora die niet straffeloos geopend kan worden. Want gendergelijkheid is bij lange na niet het enige netelige punt.

Wie het debat over identiteit van kunstenaars begint dient ook te spreken over huidskleur, etniciteit, religie, leeftijd, lichamelijke beperking, seksuele geaardheid, herkomst, Nederlandse taalvaardigheid/integratie, politieke kleur of beroepsopleiding. Naast de subsidie-geschiedenis en financiële positie van de kunstenaar. De diversiteit en pluriformiteit van cultuuruitingen waar Pontzen naar verwijst is een streven dat niet vooruit kan lopen op maatschappelijke ontwikkelingen en aan moet kunnen sluiten bij de kunstpraktijk. Dat laatste is hier geen probleem, maar dat eerste wel. Ga er maar aan staan als selectiecommissie om vijf kunstenaars/ ontwerpers te kiezen die een perfecte maatschappelijke afspiegeling zijn. Vergeleken daarmee is het maken van een rooster voor een school van voortgezet onderwijs simpeler. Dat zal nooit kloppen. De kunstwereld moet aanvaarden dat de som nooit kan kloppen. Maar zoals gezegd, de selectiecommissie, de Bibliotheek Utrecht en het leidende K. F. Hein Fonds hadden we wat handiger kunnen opereren. Daartegenover kun je ook zeggen dat het de verdienste is van de selecteurs om niet mee te gaan in eenvoudig identitair denken dat één aspect van identiteit ‘oplost’ en de andere aspecten als opgelost beschouwt door ze stilzwijgend te negeren.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelBibliotheek Utrecht biedt hedendaagse kunst een prominente plek in nieuw gebouw aan de Neude’ op de site van de Bibliotheek Utrecht, 8 januari 2020.

Foto 2: Bericht over partnership op de site van het K. F. Hein Fonds.

Foto 3: Schermafbeelding van deel column ‘Minder witte mannen in de kunst? Sweet dreams!’ van Rutger Pontzen in de Volkskrant, 9 januari 2020.

Foto 4: Schermafbeelding van FB-bericht van George Knight, 9 januari 2020.

Hervorming museumsector gevraagd

with 13 comments

Hoe komen entreeprijzen van musea tot stand? Met wat moet je het vergelijken? Is een museum een volledig culturele bestemming of een samengaan van evenement en cultuur? Valt het te vergelijken met een bioscoopkaartje, de toegang van een voetbalwedstrijd, een bibliotheekpas, de entree voor de Efteling of een gratis Studium Generale lezing bij de Universiteit? Is een rendez-vous van twee uur met Van Doesburg hetzelfde als twee uur oogcontact met Kirsten Dunst?

Duidelijk is dat de museumsector niet tot eenduidigheid komt in de prijsstelling. Waar een toeslag van € 2,50 voor de Nachten van Van Gogh redelijk lijkt, komt € 6,00 toeslag voor Van Doesburg in de Leidse Lakenhal buitensporig over. Minder kwaliteit, minder naam, minder museum, maar toch een tweemaal zo hoge toeslag? Alsof een kaartje voor een voetbalwedstrijd in het stadion van VVV of RKC tweemaal zo duur is als Ajax in de Arena.

Hoewel op plaatselijk niveau voor pashouders of doelgroepen regelingen bestaan voor gratis toegang ontbreekt er in Nederland een overkoepelende regeling. Zo weten Fransen op woensdag gratis hun musea te vinden en heeft de Franse president Sarkozy de toegang tot de staatsmusea voor jeugdigen onder de 25 jaar gratis gemaakt. Ook andere groepen als werklozen en mensen die op de bijstand aangewezen zijn hebben gratis toegang. Sociaal beleid stroomt de musea binnen.

Terwijl inkomsten uit de verkoop van toegangsbiljetten doorgaans ondergeschikt zijn, lijken allerlei initiatieven om de drempel voor minvermogenden te slechten in Nederland niet te slagen. Wellicht omdat niemand de rekening wenst te betalen. Deze uitblijvende initiatieven geeft de museumsector geen sociaal en slim gezicht van een organisatie die politieke resultaten boekt.

Een projectgroep van de Museumvereniging concludeert in 2007 dat de Museumkaart een mooi product is voor de musea. De conclusie is dat zelfs zonder sponsor de financiële basis van de Stichting Museumkaart gezond is.

Bij de prijsstelling speelt dat het belang van de Museumkaart voor het Van Gogh Museum op de bedrijfsvoering relatief kleiner is dan bij een provinciaal museum als De Lakenhal, Centraal Museum of Groninger Museum. Door het hoge percentage buitenlandse bezoekers zonder Museumkaart kan het van Gogh Museum de toeslag op de Museumkaart laag houden. Neem de proef op de som en bezoek het Van Gogh Museum op een drukke zomerse dag. De rij voor de binnenlandse kassa voor Museum- en ook ICOM-kaarthouders bedraagt dan een fractie van de buitenlandse rij.

De ongelijkheid in toeslagen werkt verwarrend voor bezoekers. Waarbij het ontbreken van niet-strikt museale instellingen als de Rotterdamse Kunsthal bij het gebruik van de Museumkaart een nieuwe verwarring oplevert voor degenen die niet precies begrijpen wat een museum is. Maar da’s een ander onderwerp.

Oorzaak lijkt dat sommige steden hun gemeentelijke musea in achtereenvolgende bezuinigingsrondes flink hebben afgeknepen. Het ergste moet nog komen. Wat de linkse politiek de PVV terecht verwijt, namelijk rancuneus en kinderachtig gedrag jegens de cultuur kan de PVV terecht terugspiegelen. Middelgrote gemeenten als Amersfoort en Gouda slachtofferen hun musea. Da’s hun eigen prioriteit.

Soms zijn voormalige gemeentemusea op afstand gezet en geprivatiseerd onder de afspraak van een meerjarig contract en subsidie. Waarbij collectie en gebouw in handen van de gemeente blijven als drukmiddel. Of ze zijn nog in naam een gemeentemuseum waarvan de directeur direct rapporteert aan de wethouder van Cultuur.

Maar in beide gevallen zijn museumbudgetten afgelopen jaren verminderd of op zijn best bevroren. Dit terwijl allerlei kosten in de culturele sector bovengemiddeld zijn gestegen.

Daarbij komt dat gemeenten met hun vastgoedbezit avonturen aangegaan zijn en dat willen vermarkten. Waar vroeger kostbare en in het centrum gelegen museumgebouwen pro forma op een balans stonden worden ze nu op een semi-zakelijke markt van het gemeentelijk vastgoedbedrijf ingeboekt. Paradox is dat gemeenten graag een volwaardig en prestigieus museumgebouw willen financieren, maar zich steeds minder vast willen leggen voor de exploitatie met een open eind. Vaak een loze exercitie die ermee eindigt dat verhoogde huurpenningen worden kwijtgescholden. Maar het budget schiet wel de lucht in.

Wat rest is een idee van kapitalisering en een mentale druk op het museum om inschikkelijk te zijn om erger te voorkomen. Met een zwaard van Damocles boven de balans. Het museum is in de val gelopen door te veel te groeien in stenen en mensen en is verregaand inflexibel geworden. Het kan niet meer reageren.

Steeds meer ontbreekt sociaal-democratische wethouders met een hart die een idee van permanente educatie in hun politieke agenda hebben staan. Het ideaal van verheffing van het volk kreeg vroeger gestalte in een royale bijdrage aan het gemeentemuseum. Dat idee ontbreekt nu waar sociaal-democratische wethouders nog meer dan liberale bestuurders gestuurd worden door hun visie van het marktdenken.

Structureel heeft Nederland teveel musea en tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en op het nippertje, het Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een ADHD-achtige programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping van de inhoud, de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator of de museumdirecteur moet helpen vestigen. Maar geen enkel museum kan op straffe van weggezakte aandacht afhaken.

Nederlandse musea draaien internationaal niet meer mee zoals vroeger en hebben in het bruikleenverkeer weinig in te brengen. Modes bepalen de agenda. Enkele jaren terug was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door eigen schaarse middelen? Beter lijken terughoudendheid, reflectie en een betere onderlinge afstemming tussen musea zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en bezoekers weer op adem kunnen komen.

Projectsubsidies moeten het budget incidenteel en structureel ophogen. Da’s een onmogelijke opgave. Want het beroep op de Mondriaan Stichting, een vermogensfonds als het VSB Fonds -met een gehavend budget door de crisis-, het Prins Bernhard Cultuurfonds, een lokaal fonds als het K.F. Hein Fonds of een bedrijfssponsor -waarbij de banken deels weggevallen zijn door de crisis- is te groot geworden. Over het maecenaat is hetzelfde te zeggen. Ook dat brengt niet de volledige oplossing.

De BankGiroloterij ondersteunt Nederlandse musea structureel, dat wil zeggen langer dan drie jaar. Zo krijgen middelgrote musea als het Utrechtse Centraal Museum, het Nijmeegse Valkhof of het Haarlemse Frans Hals Museum een jaarlijkse bijdrage van € 200.000. Musea die geen sluitende begroting hebben vissen achter het net. Wat de kloof tussen de haves en de have-nots in museumland vergroot.

Een voorzichtige conclusie is dat de museale sector via de sectorale Museumvereniging niet de indruk weet te wekken de deelbelangen van de afzonderlijke deelnemers te kunnen overbruggen. Lastig in een veld waar concurrenten moeten samenwerken. Dat verschil uit zich eerder in de sexy programmering dan in overleg over aankopen, registratie of behoud. Afzonderlijke musea gaat het financieel slecht en ze hangen aan een lijntje. De relatie met de subsidieverstrekkende gemeente is er doorgaans een van afhankelijkheid.

Musea moeten zich herpositioneren en een stapje terugdoen om toekomstig onheil af te wenden. Het zou helpen -al is het intern binnen de museale sector of in een miniconvent- als er een onderscheid kwam tussen musea met een internationale, nationale of regionale uitstraling. Waarbij mogelijkheden gekwantificeerd worden aan de hand van kwantitatieve criteria zodat musea uit zelfbescherming niet overambitieus kunnen worden. Een kwart van de musea kan opgedoekt worden, waarbij in de keuze niet de regionalisering die het CDA voorstaat, maar de kwaliteit de doorslag moet geven.

Dan kunnen zelfs afnemende budgetten beter hun weg vinden en wordt de bezoeker beter dan nu gediend met een evenwichtige en kwalitatieve landelijke agenda. En wie weet lagere toeslagen. Passende titel voor een nota hierover zou kunnen luiden De Nederlandse museumsector: Van Wildgroei naar Win-Win. Dat laatste begrip is echter te verschrikkelijk voor woorden. De oplossing is namelijk niet meer management en consultants met hun turbo-taal, maar juist minder van dat alles. Terug naar de werkvloer van de echte professionals. Da’s de oplossing. Wie maakt dat duidelijk aan de museumsector?

Foto: Missiemuseum Steyl, Limburg

%d bloggers liken dit: