Complotdenker Sidney Powell meent dat redelijke mensen haar leugens niet als feit accepteren

Uit het verweer van Sidney Powell in de zaak tegen Dominion, 22 maart 2021. Met afbeelding op p. 31.

Wanneer ze op een leugen worden betrapt verdedigen complotdenkers en radicaal-rechtse politici zich doorgaans door te beweren dat het maar ironie was. Zo was het niet bedoeld en zo kon het toch in alle redelijkheid niet opgevat worden? Het weglachen van steekhoudende argumenten van opponenten wordt zo een vluchtweg om niet in debat te hoeven gaan. Ook in Nederland laten de handelaren in alternatieve feiten zich kennen als amateur-cabaretiers die handelen in scherts.

Dat lijkt om meerdere redenen een sterke strategie. Want reken maar na. Men hoeft zich niet te verdiepen in de feiten omdat de feiten er niet meer toe doen. Deskundigheid en wetenschap worden voorgesteld als bastion van de gevestigde orde dat uitsluitend zou bestaan vanwege de afscherming van het eigen belang. Het argument is dat de zuivere waarheid niet bestaat en de feiten niet op de werkelijkheid gebaseerd zijn, maar speculatief zijn. De waarneming wordt ingewisseld voor het voorgevoel van de onderbuik en het vermoeden.

Het voordeel van zo’n aanvallende houding is dat alles uit de losse pols beweerd kan worden. Iedereen zonder veel kennis en met gevoel voor drama kan zich binnen de alternatieve waarheid straffeloos en succesvol profileren als ludiek en afwijkend. Daarom proberen de laatste jaren in het kielzog van de beruchte leugenaar Donald Trump zoveel brekebenen met een mislukte of geknakte carrière een herstart te maken in de politiek of op sociale media.

Opmerkelijk is dat beeldbepalende complotdenkers van dit moment allen in deze categorie vallen: Thierry Baudet, Willem Engel, Karel van Wolferen, Arnold Karskens, Ab Gietelink en Janet Ossebaard. Ze hebben het doodlopende pad van hun oude carrière ingewisseld voor het complotdenken waarvan ze hopen dat het hun een stevig steuntje in de rug geeft. De complottheorieën over wat dan ook zijn hun opstapje naar aandacht, roem en financieel gewin. Dat gaat betrekkelijk makkelijk omdat de lat niet zozeer laag ligt, maar volledig ontbreekt.

Complotdenken is een rituele dans zonder aloude spelregels en voorschriften dat zich onttrekt aan de concurrentieslag waar het draait om talent, doorzettingsvermogen, netwerk, maatschappelijke souplesse en kennis. Complotdenken is de vakantie van het denken. De paradox is overigens dat de sector van het complotdenken nieuwe spelregels oplegt en de complotdenkers concurrenten van elkaar zijn op een nieuwe markt. Deze lijkt niet zo gesloten te zijn als bijvoorbeeld de tamelijk afgeschermde religiemarkt, maar kent toch ook eigen gedragsregels en codes.

Vooralsnog zitten de complotdenkers in een stilzwijgende afspraak niet in elkaars vaarwater omdat ze het speelterrein hebben verdeeld. Ze gaan in een niche zitten waar zich nog niemand ophoudt. De een handelt in graancirkels, zendmasten, Rusland en de Nato, de macht van de media of de politiek, de anderen in de uiteenlopende effecten van de COVID-19 pandemie, een pedofiel bloeddrinkend netwerk van machtige wereldburgers of in begrippen die losstaan van de alledaagse werkelijkheid, zoals vrijheid.

Uit het verweer van Sidney Powell in de zaak tegen Dominion, 22 maart 2021. Met de zinsnede (p.32): ‘reasonable people would not accept such statements as fact’.

In de VS waar alles groter lijkt te zijn, inclusief de gekkenhuizen, ligt de pro-Trump advocaat Sidney Powell die de voormalige president tot op het laatst bleef verdedigen in diens aanval op de Amerikaanse democratie nu onder vuur wegens haar complotdenken. Zij beweerde dat de Dominion Voting Systems pro-Trump stemmen gewijzigd zouden hebben in pro-Biden stemmen. Dat is een onbewezen stelling zonder onderbouwing die bedoeld was als middel om Trumps nederlaag met manipulatie om te buigen in een overwinning. Dat mislukte. Dominion pikte het niet. Begin januari 2021 kreeg Powell een aanklacht wegens laster aan haar broek met een schadeclaim van 1,3 miljard dollar. Dat is serieus en daar moet ze zich tegen verdedigen. Ook andere Trump-getrouwen als ‘regelaar’ Rudy Giuliani en de senatoren Ted Cruz en Josh Hawley ventten deze complottheorie over Dominion uit.

Geld is de enige degelijke manier om het complotdenken te stoppen. Want voor de bijklussende complotdenkers mogen dan de regels van de logica niet gelden, aan de regels van de economie kunnen ook zij zich niet onttrekken. Donald Trump houdt de complottheorieën over de gestolen verkiezingen uitsluitend in de lucht om zijn eigen kas te spekken. Cynisch genoeg koerst hij mede door zijn beroerde aanpak van de pandemie met zijn hotels, golfbanen en merchandising op een faillissement af. Dat er trouwens al jaren zat aan te komen, maar op de lange baan werd geschoven door zijn presidentschap dat hem extra juridische bescherming en uitstel bood. Nu komt dat als een boemerang naar hem terug.

Powells verdediging is de ultieme ironie van radicaal-rechts dat zelfs de eigen leugens niet meer serieus neemt. Dat is de uiterste vorm van post-modernisme dat zegt dat menselijke kennis grenzen kent en cultureel bepaald is. De cultuur van het complotdenken is het doodlopende pad van deze ontwikkeling die stopt aan de rand van het ravijn. Er zijn twee opties: op de eigen schreden terugkeren of de dieperik in. Toegeven is de alternatieve vorm van zelfpijniging en zelfbeschadiging die het laatste restje geloofwaardigheid weggooit, maar wel het eigen economische leven redt.

Radicaal-rechts ondermijnt uiteindelijk dus niet alleen het idee van een universele waarheid, maar ook het idee van de eigen alternatieve feiten die radicaal-rechts verspreidt. Die worden nu ook bij het oud vuil gezet. Het complotdenken geeft zichzelf de nekslag. Eigen leugens blijken niet alleen leugens, maar nu wordt volmondig toegegeven dat redelijke mensen het bedrog niet als feit zouden accepteren. Dat beroep op redelijkheid is de aangekondigde banvloek van het complotdenken. Ermee valt de bodem onder het complotdenken weg. Complotdenkers excommuniceren zichzelf.

De duistere zijde van een cabaretrecensie. Ivo Nieuwenhuis verwart (identiteits)politiek en wensdenken met humor en meningsuiting

Laat ik vooropstellen dat ik weinig met Nederlands cabaret heb (dat is eufemistisch uitgedrukt), zoals ik ook niets met dominees heb. Maar nog minder heb ik met recensenten die artikelen over de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting schrijven met in de kop het woord fatsoen. Zoals Ivo Nieuwenhuis in Trouw: ‘Moeten witte grappenmakers een stapje terug doen of is fatsoen voor buiten het theater?’ Ik zou zeggen, vooral de recensent die zoiets beweert moet een stapje terug doen.

Nieuwenhuis’ verwijzing naar fatsoen is om verschillende redenen ongelukkig, maar ook verhelderend omdat hij ermee uit de kast komt als een moralist. Naast het feit dat het de meningsuiting inperkt en vrijheid vervangt door burgerlijkheid is het ook eens hoogst subjectief begrip waarvan de interpretatie niet bij voorbaat vaststaat. Goede smaak, fatsoen of goede zeden is niet meer dan een normatieve opvatting van een specifieke sociale klasse waar Nieuwenhuis zich tot vertegenwoordiger van maakt.

Cabaret is amusement en geen kunst. Of kleinkunst. Maar ook amusement moet vrijheid van meningsuiting kennen. De verschijningsvorm van cabaret is eerder ironie dan humor. Het verschil daartussen is dat teksten of liedjes verhuld en ingekleed zijn en de toeschouwer ruimte laat om te betekenis ruim op te vatten. Daarom moet men oppassen met de interpretatie van cabaret. Humor is eenduidiger, rechtstreekser en bijtender.

Nieuwenhuis voedt zijn betoog met voorbeelden uit de identiteitspolitiek. Vanuit de neiging om te oordelen komt hij op voor specifieke sociale groepen. Hij vindt dat ze vanuit een positie van onmacht onrecht worden aangedaan. Dat is een verdedigbaar standpunt, maar zegt toch vooral iets over Nieuwenhuis’ gedachtengang over een situatie die hij schadelijk en ongewenst acht en graag veranderd zou willen zien.

Uiteraard is het aan de politiek en niet aan het cabaret om zo’n situatie te veranderen waarvan Nieuwenhuis meent dat die ongewenst is. Cabaret geeft er commentaar op, maar is geen beleidsmaker en moet daarom ook niet als zodanig beoordeeld worden. Juist door de indirecte, ironische opzet van cabaret in een gedramatiseerde als/dan-situatie onderscheidt ook een politiek aandoend betoog van iemand als Theo Maassen of Hans Teeuwen zich fundamenteel van een politiek betoog dat die dubbelzinnigheid mist.

Nieuwenhuis heeft vooral moeite met humor (dat hij als een andere term voor cabaret hanteert) die niet naar boven, maar naar beneden trapt. Dus niet naar ministers en popsterren, maar naar ‘vrouwen die niet kunnen autorijden en homo’s die zich verwijfd gedragen’, zoals hij het uitlegt. Zo laat Nieuwenhuis zijn oordeel over een gewenste politieke situatie zijn oordeel over de toelaatbaarheid van, en de grenzen aan cabaret bepalen.

Nieuwenhuis stelt voorwaarden aan cabaret waarbij hij het in zijn denkraam inperkt en onmachtig maakt. Zijn betoog dat een ‘essay’ wordt genoemd lijkt veelzijdig, maar is zo regulatief dat het in strijd komt met waar meningsuiting of cabaret voor staat. Namelijk een vorm van vermaak die op een ironische wijze zonder de cabaretier, de macht of de onmacht te sparen doorgaans dubbelzinnig commentaar geeft op de wereld.

Nieuwenhuis stelt terecht dat humor nooit onschuldig is, dat het slachtoffers maakt en dat die slachtoffers niet zelden in de hoek zitten waar ook buiten humor om de zwaarste klappen vallen. Dat laatste kan echter het cabaret niet verweten worden. Hij verwijt cabaretiers die zich richten op degenen die in de samenleving de zwaarste klappen krijgen geen oprechte betrokkenheid bij de ­samenleving te hebben. Dat is een ongegronde uitspraak die vooral ontspringt aan Nieuwenhuis’ wereldbeeld en opvatting van identiteitspolitiek.

Nieuwenhuis besluit zijn essay met de conclusie dat omwille van de gelijkheid de ‘leden van dominante sociale groepen soms een stapje terug moeten doen’. Dat is een griezelige opvatting die voorbijgaat aan de functie van spot die mede dient als uitlaatklep én signaal voor ongenoegen. Maar wat erger is, ermee vermengt hij zijn politieke denken met een maatschappelijke ontwikkeling. Het realiseren van emancipatie en gelijkstelling van recessieve sociale groepen behoort tot het domein van de politiek en niet tot dat van het cabaret.

Nieuwenhuis draait oorzaak en gevolg om. Hij spant het paard achter de wagen. Hoe potsierlijk zijn mening is blijkt als men dat toepast op andere sectoren, zoals religie, krijgsmacht, industrie of koningshuis. Moeten bisschoppen, generaals, CEO’s of staatshoofden vrijwillig een stapje terug doen omwille van de gelijkheid? Dat zullen ze uit zichzelf niet doen, en daarom is het evenmin proportioneel om dat van het cabaret te eisen.

In een reactie op Nieuwenhuis’ artikel weerspreekt cabaretier Micha Wertheim diens beweringen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDe duistere zijde van humorMoeten witte grappenmakers een stapje terug doen of is fatsoen voor buiten het theater?’ van Ivo Nieuwenhuis in Trouw, 3 oktober 2020.

Carnavalskraker ‘Blijf met je poten van mijn cultuur’ volgt met dubbele ironie de ‘talking points’ van radicaal rechts

Dat is even wennen, de carnavalskraker ‘Blijf met je poten van mijn cultuur’ van Theatergroep Piepschuim uit Nijmegen. Zelf noemen ze het ironie, zelfs dubbele ironie, wat dat ook mag zijn. Is tweemaal ironie niet gewoon geen ironie? Ironie wordt niet altijd begrepen. De ironie of dubbele ironie van Theatergroep Piepschuim valt lastig te duiden. Onder de dekmantel van dubbele ironie kunnen de meest reactionaire meningen verkondigd worden. Het is leutig. Carnaval, het feest van spot en omgekeerde conventies. LOL.

Piepschuim volgt politieke radicalen die de grenzen van het betamelijke oprekken en als ze daar kritiek op krijgen zeggen dat het humor is. Hahaha. Niet toevallig is dat Piepschuim de talking points van radicaal rechts kopieert. Zonder enige kritiek daarop. Maar met dubbele ironie. Domheid en gemakzucht passen binnen onze opvatting over vrijheid. Met humor heeft het weinig te maken. Het is flauwer dan plat. Dat is pas echt jammer.

Ruimdenkendheid gevraagd. Kerk Vliegend Spaghettimonster kan als nieuwe religie ‘satirisch én ernstig, serieus én ironisch’ zijn

Antwoord op een opinie-artikel van Roel Weerheijm die meent dat de gelovigen van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (KVS) in een valkuil zijn gelopen. Volgens zijn opinie zouden ze ‘satirisch én ernstig zijn, serieus én ironisch zijn’. Maar het lijkt een misverstand dat dat een nieuwe religie diskwalificeert:

Alle nu bestaande of alweer verdwenen religies zijn ooit opgestart en gecreëerd door een fictief verhaal. Daarom is het flauw om een nieuw religie te verwijten dat het (nog) geen traditie heeft. Die nieuwe religies wijken af van de traditionele religies omdat ze beter aansluiten bij de hedendaagse tijd omdat ze daaruit zijn ontstaan. Naast de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (KVS) is dat bijvoorbeeld ‘The International Church of Cannabis’ die op het raakvlak van religie en commercie opereert. https://georgeknightlang.wordpress.com/2017/04/15/the-international-church-of-cannabis-opent-in-denver-religie-als-voorbeeld-dekmantel-en-groeimarkt/

Ik betwijfel dat de reden voor het ontstaan en de groei van de KVS is gelegen in het onderwijs zoals de auteur stelt. Is de gedachtegang niet eerder dat er geen grenzen zijn aan de voorrechten die voor religieuze instellingen gelden en het daarom dom zou zijn die niet te benutten? Want wat voor de een geldt, geldt ook voor de ander. Dat gaat tot en met fiscale voorrechten. Uiteindelijk gaat het erom wat de juridische basisvoorwaarden zijn voor de stichting van een nieuwe religie. Niet wat een burger als Roel Weerheijm er vanuit zijn individuele voorkeuren politiek, maatschappelijk of religieus van vindt.

Het gaat niet om ironie. Vele, nu bestaande religies zijn in reactie op andere religies ontstaan. De redenen daarvoor kunnen verschillend zijn. Of kunnen een combinatie van redenen zijn. Vanwege een kerkelijk-dogmatisch verschil, een overweging van macht, religieuze marketing of kerkelijk bezit, of zelfs lijfsbehoud. De ene religie kan lenen van de andere religie. Zoals de schrijvers in de Middeleeuwen op de schouders van de antieken stonden, zo staan nieuwe religies op de schouders van oude religies. Nog steeds.

De auteur heeft weinig inzicht in de Nederlandse kerkelijke traditie als hij opmerkt dat de KVS teveel overeenkomsten met traditionele religies heeft om echt een verschil te maken. Wie de kerkafsplitsingen, schorsingen en afscheidingen in de protestante kerk in alle veelheid en breedte kent zal moeten opmerken dat nieuwe religies soms minimaal verschillen met de religies waaruit ze ontstaan zijn. Soms was de onverenigbaarheid van karakters van dominees, voorgangers of kerkvoogden voldoende voor het ontstaan van een nieuwe herstelde, vrijgemaakte, voortgezette, buiten verband of afgescheiden religie. Het is best als de auteur de KVS vanwege de te grote overeenkomst met de bestaande religie afwijst, maar dan moet hij consequent zijn en alle Nederlandse kerken volgens dezelfde norm tegen het licht houden. En dan zal er weinig overblijven.

Satire in religie is iets van alle tijden en onlosmakelijk met de strijd tussen religies verbonden. Zie wat theologe Joke Spaans schrijft: ‘Het beroerde Rome behandelt spotprenten en satirische bord- en kaartspellen over de rivaliteit tussen jansenisten en anti-jansenisten in de vooravond van het Utrechts Schisma. Het laat zien hoe in de achttiende eeuw satire werd ingezet in een kerkelijk conflict waarin op het eerste gezicht weinig te lachen viel.’ Satire diskwalificeert een religie niet zoals de auteur wil doen geloven. Satire is juist onlosmakelijk met religie verbonden.
http://www.ako.nl/product/9789087041298/het-beroerde-rome-joke-spaans/

De uitspraak van de Raad van State bevatte een normatief oordeel, namelijk dat vanwege ‘het satirische element van het pastafarisme’ de KVS niet voldoet aan de criteria ‘overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang’ en daarom niet als godsdienst kan worden aangemerkt. De Raad van State meent dat het van tweeën één is: satire of godsdienst. Dit houdt in dat er volgens de Raad van State ruimte bestaat tussen satire en deze vier criteria, en ze nooit kunnen samenvallen. Dat is een oordeel dat voorbijgaat aan het belang van maatschappelijk relevante satire. Ermee diskwalificeert de Raad van State een groot deel van de Westerse cultuurgeschiedenis, van de toneelstukken van Aristophanes, Lucianus’ spotschriften, Erasmus’ ‘Lof der Zotheid’, P.C. Hoofts ‘Warenar’ tot Monty Pythons ‘Life of Brian’.

Traditioneel bestaat er een sterke wederzijdse beïnvloeding tussen fictie en religie. Godsdiensten zijn net als het theater ontstaan vanuit rituelen en dramatisering. Dat geldt ook de monotheïstische godsdiensten. Sommige gelovigen vatten de Bijbel volledig als fictie op. Sinds de opkomst van het laat 20ste eeuws post-modernisme is die wisselwerking nog versterkt. Interpretatieverschillen om godsdiensten te duiden geven aan dat er diverse manieren van geloven en godsdienst zijn. Roel Weerheijm vat de rol van religie te beperkt en te normatief op.

De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is theologisch niet geëquipeerd om theologische doctrines af te wegen. De Raad van State zou deze zaak terug moeten verwijzen en niet in behandeling nemen. Of in lijn met de visie op alle andere godsdiensten die evenmin voldoen aan alle criteria van ernst of serieusheid (met een teveel aan satire of ironie) de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster na een toetsing ‘aan de buitenkant’ gewoon moeten erkennen als godsdienst. Voor wat het politiek en maatschappelijk ook waard is.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘De onmogelijke spagaat van pastafari’s’ van Roel Weerheijm op TussenWoord, 15 oktober 2018.

Sociale media, twee dienaren van God en een blogger ertussen

Naamloos

Sociale media zijn als een auto. Vervoermiddel, afwerkplek, woning en moordwapen tegelijk. Over wat aan de openbaarheid is toevertrouwd heeft de blogger of Facebook-er geen controle meer. Prijzenswaardig dat de lezer er betekenis aan geeft. Zo is het immers bedoeld. Met creatieve uitingen, zoals boeken, films, schilderijen en toneelstukken gaat dat altijd zo. Ieder geeft er z’n persoonlijke betekenis aan. Dat werkt twee kanten op. De uiting vormt de persoon en de persoon vormt de uiting. Daarom moet de maker het loslaten.

Maar soms staat die nieuwe betekenis haaks op hoe het bedoeld was. Dat gaat verder dan het aanvoeren van ironie als verdedigingsmiddel dat de ontslagen Fons ‘Snotneus’ de Poel als verklaring voor zijn gedrag geeft. Neem nou ‘johannus moesker dienaar van yeshua’ die een 4 maanden oude posting van me over evangelist Jan Zijlstra uit Steenwijk doorplaatst en van commentaar voorziet waarvan de strekking niet makkelijk valt te doorgronden: ‘EVANGELIST JAN ZIJLSTRA (..) DAT TE DOE HIJ MOET ZICH VERANWODEN TE GE OVER DE HERE’.

Ik sta erbuiten. Mogelijk gaat het om een twist tussen twee evangelisten. Of de tovenaar en een leerling. Mij fascineert het waarom ‘johannes moesker’ nou juist deze posting tegen Jan Zijlstra in stelling brengt. Gevolg is dat ik door het gebruik van een posting als spiegel opnieuw besef dat woorden echt voor alles gebruikt kunnen worden. Zelfs voor het tegendeel zoals bedoeld. Daar heeft iedereen en niemand zeggenschap over.

Foto: Schermafbeelding van posting van ‘Evangelist johannus moesker dienaar van yeshua’.

KWF stopt campagne. Onbehouwen humor wordt niet begrepen

We hebben geconstateerd dat de campagne ‘Aandacht a.u.b.’  op dit moment meer verwarring dan duidelijkheid schept en daarom haar doel voorbij dreigt te schieten. Daarom hebben we besloten de campagne stop te zetten. De campagne is zorgvuldig getest en in samenspraak met patiënten en zorgverleners ontwikkeld. Wij staan achter de intentie van de campagne, maar de huidige reacties maken dat wij dit besluit nemen.’ Aldus een verklaring van KWF die publieksreacties als reden voor mislukking aanvoert.

KWF zegt dat de campagne ‘zorgvuldig getest‘ is en ‘in samenspraak met patiënten en zorgverleners’ werd ontwikkeld. Producent is het Amsterdamse bedrijfje Shut up and Shoot Film. Opzet was een hilarische over the top behandeling om de vaak botte behandeling van kankerpatiënten aan de orde te stellen. Als het ware een homeopatische benadering door het middel met het middel te bestrijden. Maar dat werkt dus niet, en daarom is de campagne stopgezet. En zijn alle filmpjes teruggetrokken. Ergens in de productie is een inschattingsfout gemaakt. Humor en ironie, het blijft een lastige zaak. Niet in het minst als het over ziekte en dood gaat.

Boos op Wilders

Geert Wilders gebruikt in de Tweede Kamer ruwe woorden. Maar ze hebben een ironische ondertoon en een kern van waarheid. Cohen als het kefhondje, de bedrijfspoedel van Rutte. Cohen probeert dat te pareren met een vergelijking die Wilders als kleuter neerzet. Wilders betitelt Pechtold als diarree en GroenLinks als strandpartij.  Jolanda Sap probeert met een stekker trouwens iets aan te tonen, maar blijft zelf steken.

Opnieuw is Wilders de rest twee stappen voor. Met zijn provocaties bereikt-ie dat iedereen zich tegenover hem opstelt. Hij neemt afstand van alle partijen. Hun antwoord is kritiek op zijn taalgebruik. Wilders taal is scherp en over het randje, maar treft doel. Zo kan Cohen zijn steun voor het kabinet moeilijk verklaren. Fatsoen en binden alleen redden Cohen niet. Hij maakt een onmachtige indruk. Zijn uitleg helpt hem niet.

Wilders neemt een gok als-ie ook kabinetsleden belachelijk maakt. Uit het kabinet dat-ie gedoogt. CDA-er Ben Knapen is de Staatssecretaris van Sinterklaaszaken. Het CDA vindt de uitlatingen van Wilders niet prettig. Ooit de partij van Fatsoen Moet Je Doen. Alle partijen behalve de PVV gaan voor fatsoen en zijn boos. Maar vermoedelijk het meest op zichzelf omdat ze opnieuw geen weerwoord in de niet gelijklopende strijd hebben.

Foto: Wilders en Cohen bij de Algemene Beschouwingen 2011 in de Tweede Kamer; foto ANP