George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Groninger Museum

Hoe gepast is kritiek op het Groninger Museum?

with 7 comments

Photo-collage-of-manipulated-film-stills-from-The-Man-Who-Fell-to-Earth-Film-stills-®-STUDIOCANAL-Films-Ltd-Image-®-VA-Images

Bert de Jonge is depotbeheerder bij het Groninger Museum. En zegt het jaarverslag 2012, ook logistiek planner. Werkzaam bij de afdeling Collecties. Tevens is-ie oud-voorzitter van de Ondernemingsraad. Vandaag verschijnen er perspublicaties die kritiek van De Jonge naar buiten brengen. Volgens hem dreigt het Groninger Museum de concurrentiestrijd met andere musea te verliezen door te weinig spraakmakende tentoonstellingen  te organiseren. Hij denkt dat het voor een buitenstaander niet duidelijk is wat nu de stijl is van het Groninger museum. ‘We hebben de afgelopen tijd te maken gehad met drie externe vormgevers’.

Het is nooit kies als in een organisatie een medewerker de vuile was buiten hangt. Nog minder ligt het voor de hand dat een depotbeheerder die werkzaam is bij Collecties dit doet. Met kritiek op de profilering van het museum en het tentoonstellingsprogramma. Toch de verantwoordelijkheid van de directie. Het naar buiten treden van De Jonge roept eerder vragen op over de interne organisatie bij het Groninger Museum, de bedrijfsvoering en de werksfeer bij het museum dan over de kritiek die Bert de Jonge naar buiten brengt.

Directeur Andreas Blühm reageert naar buiten toe terughoudend op De Jonge: ‘Er is altijd veel lof, maar ook veel kritiek’. Wat er klopt van de kritiek van Bert de Jonge is de vraag. Wat hij verstaat onder ‘spraakmakende tentoonstellingen waarmee de concurrentiestrijd aangegaan kan worden’ is verre van duidelijk. Doelt hij op publieksbereik of op inhoudelijke verdieping? Musea concentreren zich door de teruggelopen budgetten noodgedwongen op de eigen collectie. Da’s minder sexy dan Ilya Repin of Go China! Ze moesten medewerkers ontslaan. De tendens van op veilig spelen treft bijna de complete museumsector. Het is pas op de plaats en redden wat er te redden valt. Een deken van voorspelbaarheid en gebrek aan durf smoort nu het avontuur.

Het Groninger Museum trekt jaarlijks tegen de 200.000 bezoekers en neemt daarmee de plek in die het verdient. De nieuwsgierigheid naar het gebouw dat ooit aangejaagd werd door de toverkunsten van toenmalig directeur Frans Haks is geluwd. Onderzoek wijst uit dat het musea buiten de Randstad ontbreekt aan bezoekers. Het Groninger Museum is een goed museum in een uithoek van het land dat niet zijn oren moet laten hangen naar stemmen uit het verleden. Maar het kan zich evenmin onttrekken aan de tijdgeest.

Foto: David Bowie, Collage. Vanaf december 2015 is de tentoonstelling David Bowie is te zien in het Groninger Museum

Ruyters over Deitch, Haks en de conservatieve museumwereld

with 3 comments

image-1

Naar aanleiding van het ontslag van directeur Jeffrey Deitch bij het MOCA (The Museum of Contemporary Artin Los Angeles gaat hoofdredacteur Domeniek Ruyters van Metropolis M los in een beschouwing. In een over zichzelf heen buitelend en prikkelend betoog wordt alles met alles verbonden. Of het klopt is de vraag, maar daar zal het Ruyters niet om te doen zijn. Hij gebruikt het geval Deitch om aan te tonen hoe conservatief de museumwereld is. Niet alleen in de VS, maar ook in Nederland. Da’s als het opengooien van een open deur.

Deitch is een kunsthandelaar die in 2010 museumdirecteur werd. Om het slecht geleide MOCA uit het slop te halen. Het verwijt is dat-ie het MOCA zo populariseerde dat-ie het overleverde aan het amusement. Daar in Los Angeles in het hart van de entertainment-industrie. Ruyters citeert Christopher Knight van de LA Times die het ontslag ingebakken ziet in Deitch’ aanstelling. Want iemand met nauwelijks museumervaring zal een veelgelaagd museum nooit in de vingers krijgen. Het bestuur koerste af op een aangekondigde ramp met Deitch’ aanstelling. Nederland kent ook voorbeelden van mislukte museumdirecteuren die met mooie praatjes haasje-over sprongen naar de populaire cultuur zonder te beseffen wat de functies van een museum waren.

Ruyters noemt Franks Haks als een Nederlandse evenknie van Deitch, maar relativeert die vergelijking door verschillen op te sommen. Haks initieerde en begeleidde eind vorige eeuw de nieuwbouw van het Groninger Museum en begaf zich buiten gebaande paden. Hij kwam niet alleen van de universiteit, maar had daarvoor in Utrecht museumervaring opgedaan. ‘Hij was bovendien een museumman, met oog voor andere zaken‘ merkt Ruyters terecht op. Deitch is de populist die grote slagen maakt en handelaar blijft, Haks de popularisator met oog voor details die vanuit de kunstgeschiedenis en de museumwereld weet hoever grenzen opgerekt kunnen worden. Het ideale profiel van de bouwpastoor. Want in Nederland is museumbeleid vaak vastgoedbeleid.

Het betoog van Ruyters explodeert in een spetterende laatste alinea: ‘Toch denk ik dat de museumwereld enorme behoefte heeft aan directeuren die op een intelligente wijze de bestaande bastions en coalities durven te doorbreken, heersende belangen op het spel durven te zetten, inclusief de eigen geschiedenis van het museum, om met frisse blik naar het heden en het verleden te kunnen kijken. Of ze nu Haks of Deitch heten.

In analyse zo waar, maar in uitvoering zo onwaar. Want hoe stelt Ruyters het zich voor dat het onverzoenlijke verzoend kan worden in een alleskunner die museumdirecteur op z’n sjerp heeft staan? Een noodzakelijke voorwaarde om als museumdirecteur te slagen is voldoende museumervaring, (kunst)historische inhoud, vaardigheden om het ‘genre’ van het kunstmuseum open te breken en bij de tijd te brengen zonder door te schieten richting amusement en voor dat alles voldoende politiek inzicht en handigheid om in college, stad, bestuur, land en bij geldschieters steun op te bouwen. En dat met kunsthistorische opleidingen die geen beroepsvariant ‘museumdirecteur‘ kennen. Het is bij elke aanstelling telkens weer afwachten wat het wordt.

Het ‘burgemeestersmodel‘ van klein beginnen en doorgroeien naar een steeds grotere plek biedt de garantie dat het nooit hopeloos mislukt. Maar zo’n model heeft als nadeel dat een directeur op te late leeftijd de eerste stap zet, de carroussel vervolgens te traag draait bij gebrek aan voldoende plekken, een directeur ingekapseld raakt en de frisse blik verliest, en niet door grenzen gaat die nodig doorbroken moeten worden. Zoals Ruyters vol genegenheid en beste wensen voor de museumsector opmerkt. Zo blijft de museumwereld conservatief.

Foto: Pontus Hulten met een schilderij van Gösta Adrian-Nilsson in de tram in Stockholm 1953. Credits: Lennart Olson.

Terugvaloptie Armando Museum op kosten van Amersfoort?

with 8 comments

UPDATE 22 juni: De Utrechtse raad steunt met grote meerderheid de kredietaanvraag voor Oud-Amelisweerd. Dat verknoopt is aan een specifieke exploitant: Stichting Museum Oud-Amelisweerd. Vincent Oldenborg (Leefbaar) was helder in een wollig debat. Als het misgaat dan heeft Utrecht mede op kosten van anderen een prima museumgebouw. Naar zijn idee zonder subsidie van Utrecht. Niemand sprak hem tegen. 

Op 6 december 2011 nam de Amersfoortse gemeenteraad de motie ‘Gelden Armando Faillisementsproof van de PvdA en TROTS aan. De indieners constateren dat het Ondernemings- en Huisvestingsplan van een Museum Oud-Amelisweerd ‘zeer ambitieuze plannen bevat m.b.t. inkomstenwerving op gebied van bezoekersaantallen, horeca, verhuur en fondsenwerving‘. Amersfoort steunt dit museum met een bruidsschat van 1 miljoen euro. De indieners willen deze steun gefaseerd uitbetalen zodat bij een faillissement of falen van de Stichting Museum Oud-Amelisweerd de restanten van het bedrag terugvloeien naar Amersfoort.

Op 13 december 2011 stuurde het Utrechtse College een brief naar de Commissies Stad & Ruimte en Mens & Samenleving waarin het weinig bezwaren ziet in bovengenoemd Ondernemings- en Huisvestingsplan. De brief bevat tegenstrijdigheden. Erin wordt een ‘terugvaloptie’ geschetst indien de ambities van het nieuwe museum niet realiseerbaar zijn. Dan komt Utrecht met de variant van een ‘sitemuseum’ of ‘open monument’ onder beheer van het Centraal Museum. Ofwel, een continuering van de situatie zoals die sinds 1990 bestaat.

Verzelfstandiging van het CM kan nog een complicatie vormen. Da’s in opdracht van het college onderzocht in een haalbaarheidsonderzoek. Conclusie is dat het zou kunnen, maar de realiteit is dat het nog niet zover is of dat verzelfstandiging ook noodzakelijk is. Om formele redenen werd een Tijdelijke Ondernemingsraad opgetuigd om het personeel mee te laten praten. Dit is voluit kritisch. Met name het Raad van Toezicht-model biedt minder kwaliteit dan een gemeenteraad die de wethouder controleert. Voorbeelden bij Raden van Toezicht van verzelfstandigde Amsterdamse, Goudse en Groningse musea tonen stelselmatig falen aan.

Op 30 december 2011 heeft het Amersfoortse raadslid Raphaël Smit van de fractie Groep van Vliet zijn zorgen uitgesproken over de tegenstrijdigheden in de verhuizing van het Armando Museum naar Oud-Amelisweerd. Smit wijst op een principieel punt uit de overeenkomst van 15 januari 1998 tussen Amersfoort, Armando en zijn ex-vrouw Tony de Meijere. De RIB 2010-136  (p. 7) parafraseert de bepaling alsvolgt: ‘dat er op grond van de overeenkomst museaal verantwoorde expositieruimte in Amersfoort moet worden geboden’ en (p.8) ‘zolang de gemeente binnen haar mogelijkheden museaal verantwoorde expositieruimte biedt in Amersfoort, handelt zij juridisch in overeenstemming met bovengenoemde overeenkomsten.

Al sinds het afblazen van de herinrichting in de Elleboogkerk is duidelijk dat het Amersfoortse college deze overeenkomst van 1998 en een latere prestatieovereenkomst van na de brand niet nakwam zoals was afgesproken. In juli 2010 werd de gemeenteraad door toenmalig A-in-C directeur Gerard de Kleijn van woordbreuk en onbehoorlijk bestuur beticht. Maar de collegepartijen dekten deze beslissing van het college.

Tijdens de beraadslagingen in 2011 over de bruidsschat werd de raad het beeld geschetst dat weliswaar de overeenkomst van 1998 en de prestatieovereenkomst van na de brand niet nagekomen zouden worden door het college, maar dat dit naar de geest wel zou gebeuren in landhuis Oud-Amelisweerd. Zoals Smit zegt: ‘De verhuizing van het Armandomuseum naar Oud-Amelisweerd betekende, dat het artistieke erfgoed van Armando elders een vaste plaats zou krijgen, overeenkomstig de opzet van het Armandomuseum in de Elleboogkerk. Hierin lag het morele motief om een forse bruidsschat beschikbaar te stellen.’ 

Er speelt een misverstand dat de Amersfoortse raad aan zichzelf te wijten heeft. Tijdens de raadsdebatten werd over de verhuizing van het Armando Museum gesproken, alsof dat elders in een kale ruimte uitgepakt zou worden. Maar Oud-Amelisweerd is een rijksmonument dat een waarde in zichzelf vertegenwoordigt. Vanaf het begin was duidelijk dat de Armando collectie in samenhang met de collectie unieke achttiende-eeuwse Chinese behangsels gepresenteerd zou worden, zoals het Ondernemings- en Huisvestingsplan stelt. Van een autonoom Armando Museum op de locatie Oud-Amelisweerd is nooit sprake geweest.

Toch heeft Smit een punt als-ie wijst op de ‘terugvaloptie’ uit de brief van 13 december. De indruk ontstaat dat Utrecht het Amersfoortse geld aanwendt om een Utrechts museum op te tuigen. Daarover maakt-ie zich zorgen. Want als in 2016 blijkt dat de ambities van een Museum Oud-Amelisweerd met 40.000 bezoekers niet haalbaar zijn, dan stuurt Utrecht de Armando Collectie terug naar Amersfoort. Niet onmogelijk gezien het ontbreken van een gezonde exploitatiebegroting. Dan heeft dit Bunnikse avontuur Amersfoort zo’n 700.000 euro gekost en kan het opnieuw beginnen. Met het bestuderen van de overeenkomst van 15 januari 1998.

Het Utrechtse VVD-raadslid Jesper Rijpma is eveneens kritisch op de onderbouwing van de plannen van een Museum Oud-Amelisweerd. Volgens Rijpma is het eerder gebaseerd op aannames dan op realisme. Naar verwachting worden zijn vragen begin februari in de raadscommissie Mens & Samenleving behandeld.

Foto: De Kei van Amersfoort, 1661. Credits: Erfgoedhuis Utrecht/ Museum Flehite

Waarom greep de Raad van Toezicht niet in bij het Groninger Museum?

with 14 comments

Vandaag werd bekend dat het Groninger Museum een tekort van 4,3 miljoen euro heeft. Da’s groter dan gedacht. De nieuwe directeur George Verberg zegt dat het museum financieel ten onder dreigt te gaan. Zeven van de medewerkers zijn ontslagen en ook directeur Kees van Twist onder wiens leiding de tekorten zijn ontstaan is de laan uitgestuurd. Een deel van de Raad van Toezicht is afgetreden. Leden waren onder meer de voormalig Wegener-topman Jan Houwert, PvdA-politicus Hedy d’Ancona en Ann Demeester van De Appel.

Verberg spreekt over een samenloop van omstandigheden die hebben geleid tot het tekort. De schulden zijn vanaf 1999 opgelopen en in het afgelopen jaar scherp toegnomen door een verbouwing. In januari komt het zogenaamde Het Expertise Centrum (HEC) met een eindrapport. Het HEC stelt al wel vast dat de rol van de Raad van Toezicht moet worden ‘herijkt’. ‘De raad dient onverkort achter voorgesteld aangepast beleid te gaan staan en actief op de uitvoering toe te zien, zowel in zakelijke als artistieke zin.’

Dat toezicht heeft overduidelijk ontbroken. Nu vele culturele instellingen het financieel zwaar hebben en voor strategische keuzes staan neemt het belang van een Raad van Toezicht toe. Het is meer dan een erebaantje en vraagt geen leden op afstand. Maar geen enkele instantie houdt toezicht op de Raad van Toezicht.

De falende Raad van Toezicht bij het Groninger Museum staat niet op zichzelf. Diverse culturele instellingen kennen Raden die de actuele uitdagingen niet aankunnen, zoals bij museumgoudA. In Groningen vindt de ondernemingsraad dat ook de Raad van Toezicht schuldig is. Het meent dat George Verberg de Raad van Toezicht uit de wind houdt en brengt mede daarom een negatief advies uit over zijn beleidsplan.

Foto: Groninger Museum, ontwerp Studio Mendini

Kan de museumsector buiten eigen grenzen denken?

with 3 comments

De grotere musea van het zogenaamde miniconvent kwamen vorige week met een advertentie. Ze willen met de politiek praten. Naar verluidt gaat dat op 9 november gebeuren in een hoorzitting met de Commissie OCW van de Tweede Kamer. Maar wat kan de inzet van de musea zijn in hun gesprek met de politici? Want het praten om het praten zal niet de bedoeling zijn. Ik schets de grote lijn en ga aan details voorbij.

Even een stapje terug voor het perspectief. Wereldwijd verschuift het economische en politieke evenwicht van West naar Oost. Zo heeft China al 3.200 miljard dollar opgekocht. Opkomende economieën als Brazilië, Rusland, India en China eisen hun plek aan tafel. Bijvoorbeeld bij het IMF. Ze willen dokken onder eigen voorwaarden. VS en Europa hebben jaren op te grote voet geleefd en gezegd wat anderen moesten doen. Nu zijn de rollen omgedraaid.

Zeggen dat er sprake is van een economisch crisis is defensief en ontkenning van een nieuwe werkelijkheid. Want er is geen economische crisis in die zin dat de vraag wegvalt of de afzet hapert. Het evenwicht verschuift. Weg van Europa en de VS. Uiteraard pakt dat beroerd uit voor de meeste burgers van deze landen. Maar een verschuivend evenwicht stort de wereldeconomie niet in een crisis. Het herverdeelt de welvaart. Wat crisis genoemd wordt is een kwestie van evenwicht. En van opgelopen schulden.

Is het niet logisch om te veronderstellen dat wat voor economieën en landen geldt ook voor kunst geldt? Ook daar verschuift het evenwicht van West naar Oost. De oude economieën  kunnen niet meer realiseren wat een museum of biënnale in Korea, China of India wel voor elkaar krijgt. De musea in de VS onttrekken zich enigzins aan de neergaande tendens omdat ze schokvaster zijn door private financiering. Zogenaamde endowments stabiliseren de bestedingen van bestaande instellingen. In dat laatste zit hun conservatisme.

Maar Europa dus, Nederland. Afgelopen jaren zijn industriële bedrijven gesloten en naar lageloonlanden verplaatst. Het evenwicht is naar diensten en handel verschoven. Wat zijn de kunstinstellingen die een industrieel karakter hebben? Want die zou de Nederlandse kunstsector kunnen outsourcen. Omdat publiek niet mee kan verhuizen staat de publieksfunctie haaks op dat industriële karakter. Zit in dat onderscheid niet de oplossing om verantwoord af te slanken?

Welke instelling kan buiten Nederland functioneren? Alleen of in een joint venture met een buitenlandse partner die het leeuwedeel financiert. Dat hoeft trouwens niet per se een opkomende economie te zijn. Maar ook Noorwegen of Qatar. Post-academische instellingen zoals Sundaymorning@ekwcde Rijksacademie of het Binger-instituut zijn niet gebonden aan Nederland. Hetzelfde geldt ook voor de hogere vakopleidingen op het gebied van glas, keramiek, edelsmeden, textiel en grafiek. Opmerkelijk trouwens dat ze ook binnen Nederland niet allang binnen hetzelfde kennisinstituut zijn ondergebracht. Dat gaat dus om binnenlandse outsourcing.

Door herschikking kan het kunstbudget anders ingedeeld worden en kunnen bezuinigingen beter opgevangen worden. Ze zijn onherroepelijk en in lijn met het geschetste beeld dat Europa op te grote voet leeft. Er komt dan tevens ruimte voor vernieuwing. Een gesprek met politici zou kunnen gaan over de mogelijkheden van zo’n herschikking door outsourcing. Als de VVD en het CDA bereid zijn met een open geest hierover een gesprek te voeren dat zoekt naar een optimale besteding van overheidsbudget dan valt er iets te bespreken.

Foto: Landelijke advertentie ‘Wat nu wordt gemaakt’ van acht musea, september 2011

Hervorming museumsector gevraagd

with 12 comments

Hoe komen entreeprijzen van musea tot stand? Met wat moet je het vergelijken? Is een museum een volledig culturele bestemming of een samengaan van evenement en cultuur? Valt het te vergelijken met een bioscoopkaartje, de toegang van een voetbalwedstrijd, een bibliotheekpas, de entree voor de Efteling of een gratis Studium Generale lezing bij de Universiteit? Is een rendez-vous van twee uur met Van Doesburg hetzelfde als twee uur oogcontact met Kirsten Dunst?

Duidelijk is dat de museumsector niet tot eenduidigheid komt in de prijsstelling. Waar een toeslag van € 2,50 voor de Nachten van Van Gogh redelijk lijkt, komt € 6,00 toeslag voor Van Doesburg in de Leidse Lakenhal buitensporig over. Minder kwaliteit, minder naam, minder museum, maar toch een tweemaal zo hoge toeslag? Alsof een kaartje voor een voetbalwedstrijd in het stadion van VVV of RKC tweemaal zo duur is als Ajax in de Arena.

Hoewel op plaatselijk niveau voor pashouders of doelgroepen regelingen bestaan voor gratis toegang ontbreekt er in Nederland een overkoepelende regeling. Zo weten Fransen op woensdag gratis hun musea te vinden en heeft de Franse president Sarkozy de toegang tot de staatsmusea voor jeugdigen onder de 25 jaar gratis gemaakt. Ook andere groepen als werklozen en mensen die op de bijstand aangewezen zijn hebben gratis toegang. Sociaal beleid stroomt de musea binnen.

Terwijl inkomsten uit de verkoop van toegangsbiljetten doorgaans ondergeschikt zijn, lijken allerlei initiatieven om de drempel voor minvermogenden te slechten in Nederland niet te slagen. Wellicht omdat niemand de rekening wenst te betalen. Deze uitblijvende initiatieven geeft de museumsector geen sociaal en slim gezicht van een organisatie die politieke resultaten boekt.

Een projectgroep van de Museumvereniging concludeert in 2007 dat de Museumkaart een mooi product is voor de musea. De conclusie is dat zelfs zonder sponsor de financiële basis van de Stichting Museumkaart gezond is.

Bij de prijsstelling speelt dat het belang van de Museumkaart voor het Van Gogh Museum op de bedrijfsvoering relatief kleiner is dan bij een provinciaal museum als De Lakenhal, Centraal Museum of Groninger Museum. Door het hoge percentage buitenlandse bezoekers zonder Museumkaart kan het van Gogh Museum de toeslag op de Museumkaart laag houden. Neem de proef op de som en bezoek het Van Gogh Museum op een drukke zomerse dag. De rij voor de binnenlandse kassa voor Museum- en ook ICOM-kaarthouders bedraagt dan een fractie van de buitenlandse rij.

De ongelijkheid in toeslagen werkt verwarrend voor bezoekers. Waarbij het ontbreken van niet-strikt museale instellingen als de Rotterdamse Kunsthal bij het gebruik van de Museumkaart een nieuwe verwarring oplevert voor degenen die niet precies begrijpen wat een museum is. Maar da’s een ander onderwerp.

Oorzaak lijkt dat sommige steden hun gemeentelijke musea in achtereenvolgende bezuinigingsrondes flink hebben afgeknepen. Het ergste moet nog komen. Wat de linkse politiek de PVV terecht verwijt, namelijk rancuneus en kinderachtig gedrag jegens de cultuur kan de PVV terecht terugspiegelen. Middelgrote gemeenten als Amersfoort en Gouda slachtofferen hun musea. Da’s hun eigen prioriteit.

Soms zijn voormalige gemeentemusea op afstand gezet en geprivatiseerd onder de afspraak van een meerjarig contract en subsidie. Waarbij collectie en gebouw in handen van de gemeente blijven als drukmiddel. Of ze zijn nog in naam een gemeentemuseum waarvan de directeur direct rapporteert aan de wethouder van Cultuur.

Maar in beide gevallen zijn museumbudgetten afgelopen jaren verminderd of op zijn best bevroren. Dit terwijl allerlei kosten in de culturele sector bovengemiddeld zijn gestegen.

Daarbij komt dat gemeenten met hun vastgoedbezit avonturen aangegaan zijn en dat willen vermarkten. Waar vroeger kostbare en in het centrum gelegen museumgebouwen pro forma op een balans stonden worden ze nu op een semi-zakelijke markt van het gemeentelijk vastgoedbedrijf ingeboekt. Paradox is dat gemeenten graag een volwaardig en prestigieus museumgebouw willen financieren, maar zich steeds minder vast willen leggen voor de exploitatie met een open eind. Vaak een loze exercitie die ermee eindigt dat verhoogde huurpenningen worden kwijtgescholden. Maar het budget schiet wel de lucht in.

Wat rest is een idee van kapitalisering en een mentale druk op het museum om inschikkelijk te zijn om erger te voorkomen. Met een zwaard van Damocles boven de balans. Het museum is in de val gelopen door te veel te groeien in stenen en mensen en is verregaand inflexibel geworden. Het kan niet meer reageren.

Steeds meer ontbreekt sociaal-democratische wethouders met een hart die een idee van permanente educatie in hun politieke agenda hebben staan. Het ideaal van verheffing van het volk kreeg vroeger gestalte in een royale bijdrage aan het gemeentemuseum. Dat idee ontbreekt nu waar sociaal-democratische wethouders nog meer dan liberale bestuurders gestuurd worden door hun visie van het marktdenken.

Structureel heeft Nederland teveel musea en tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en op het nippertje, het Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een ADHD-achtige programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping van de inhoud, de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator of de museumdirecteur moet helpen vestigen. Maar geen enkel museum kan op straffe van weggezakte aandacht afhaken.

Nederlandse musea draaien internationaal niet meer mee zoals vroeger en hebben in het bruikleenverkeer weinig in te brengen. Modes bepalen de agenda. Enkele jaren terug was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door eigen schaarse middelen? Beter lijken terughoudendheid, reflectie en een betere onderlinge afstemming tussen musea zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en bezoekers weer op adem kunnen komen.

Projectsubsidies moeten het budget incidenteel en structureel ophogen. Da’s een onmogelijke opgave. Want het beroep op de Mondriaan Stichting, een vermogensfonds als het VSB Fonds -met een gehavend budget door de crisis-, het Prins Bernhard Cultuurfonds, een lokaal fonds als het K.F. Hein Fonds of een bedrijfssponsor -waarbij de banken deels weggevallen zijn door de crisis- is te groot geworden. Over het maecenaat is hetzelfde te zeggen. Ook dat brengt niet de volledige oplossing.

De BankGiroloterij ondersteunt Nederlandse musea structureel, dat wil zeggen langer dan drie jaar. Zo krijgen middelgrote musea als het Utrechtse Centraal Museum, het Nijmeegse Valkhof of het Haarlemse Frans Hals Museum een jaarlijkse bijdrage van € 200.000. Musea die geen sluitende begroting hebben vissen achter het net. Wat de kloof tussen de haves en de have-nots in museumland vergroot.

Een voorzichtige conclusie is dat de museale sector via de sectorale Museumvereniging niet de indruk weet te wekken de deelbelangen van de afzonderlijke deelnemers te kunnen overbruggen. Lastig in een veld waar concurrenten moeten samenwerken. Dat verschil uit zich eerder in de sexy programmering dan in overleg over aankopen, registratie of behoud. Afzonderlijke musea gaat het financieel slecht en ze hangen aan een lijntje. De relatie met de subsidieverstrekkende gemeente is er doorgaans een van afhankelijkheid.

Musea moeten zich herpositioneren en een stapje terugdoen om toekomstig onheil af te wenden. Het zou helpen -al is het intern binnen de museale sector of in een miniconvent- als er een onderscheid kwam tussen musea met een internationale, nationale of regionale uitstraling. Waarbij mogelijkheden gekwantificeerd worden aan de hand van kwantitatieve criteria zodat musea uit zelfbescherming niet overambitieus kunnen worden. Een kwart van de musea kan opgedoekt worden, waarbij in de keuze niet de regionalisering die het CDA voorstaat, maar de kwaliteit de doorslag moet geven.

Dan kunnen zelfs afnemende budgetten beter hun weg vinden en wordt de bezoeker beter dan nu gediend met een evenwichtige en kwalitatieve landelijke agenda. En wie weet lagere toeslagen. Passende titel voor een nota hierover zou kunnen luiden De Nederlandse museumsector: Van Wildgroei naar Win-Win. Dat laatste begrip is echter te verschrikkelijk voor woorden. De oplossing is namelijk niet meer management en consultants met hun turbo-taal, maar juist minder van dat alles. Terug naar de werkvloer van de echte professionals. Da’s de oplossing. Wie maakt dat duidelijk aan de museumsector?

Foto: Missiemuseum Steyl, Limburg