Wat moeten we met humanisme in de kunst? Gedachten bij foto ‘Le Café de France, L’isle-sur-la-Sorgue, 1979’

Laten we uitgaan van twee veronderstellingen. Fotografie is kunst en kunst moet humanistisch en elegant zijn. Dan komen we uit bij de Franse fotograaf Willy Ronis. Wikipedia zegt over hem dat hij samen met Henri Cartier-Bresson en Robert Doisneau de Franse school van het fotografisch humanisme vormde. Ronis lijkt in Nederland minder bekend dat die andere twee zwaargewichten van de Franse fotografie.

Bovenstaande foto uit 1979 heeft het allemaal in zich: Fransheid, de menselijke maat en intimiteit. Maar die humanistische fotografie of dat fotografisch humanisme laat zich niet makkelijk omschrijven. Is het kenmerk ervan dat het ‘gehecht [is] aan het broederlijk vastleggen van de essentie van het dagelijks leven van mensen’ zoals de tekst van fotosite L’Œil de la Photographie bij de foto zegt?

Is dat fotografisch humanisme verwant aan het Poëtisch realisme, die stroming van de Franse cinema die zoveel meesterwerken opleverde? Zoals de films van Jean Renoir met een duidelijke maatschappijvisie én een scherpe psychologische duiding van de personages.

Menselijke maat kan voor kunst een valkuil zijn. Het hoeft overigens niet, maar het kan. Als het systeem achter het humanisme niet in beeld komt en het streven van de fotograaf beperkt blijft tot het vastleggen van het dagelijks leven, dan ia het de vraag waar het aan meewerkt.

Toch denk ik dat het humanisme in de kunst een voorwaarde is. Het kan te veel worden. De Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief riep in 2002 op om de liberale politicus Jürgen Möllemann te doden. Deze kwam later om het leven bij een parachutesprong. Dat lijkt het humanisme voorbij. Dat was duidelijker dan de rechtszaak in 2007 waarin de kunstenaar Jonas Staal werd vrijgesproken van een doodsbedreiging van Geert Wilders. Kunst of activisme?

Politisering kan het humanisme doden, maar dat kan ook te bescheiden en te verhullend zijn en aan de andere kant zijn doel voorbijschieten door te weinig te zeggen. Ik kom er niet uit.

Het lijkt te simpel dat het om maatvoering en een middenweg gaat. De bekende filmtheoreticus André Bazin verantwoordde zijn voorkeur voor het humanisme van films met bij voorkeur lange takes die de realiteit ‘weergaven’ en ontsloten door het te koppelen aan de weerspiegeling van de psychologie en ethiek. Het zal wel.

Humanisme in de kunst is de menselijke maat die erop wacht om overschreden te worden. Of niet. Het zal duidelijk zijn, ik ben een voorstander van het humanisme in de kunst, en trouwens ook in het leven, maar zie de tekortkomingen om het passend te omschrijven. Meer kan ik er niet over melden.

Gedachten bij documentaire ‘La Stazione’ (1952) van Valerio Zurlini

Nu eens iets heel anders. Valerio Zurlini (1926-1982) is een Italiaanse regisseur die bij het grote publiek niet zo bekend is als de grote meesters Federico Fellini, Michelangelo Antonioni, Roberto Rossellini of Luchino Visconti. Zelfs tegen de mindere meesters als De Sica, De Santis, Olmi, Germi, Pasolini, Petri, Taviani of Bertolucci moet hij het afleggen in bekendheid. Hij heeft speelfilms gemaakt die in mijn ogen het Italië van de jaren ’60 minder vervreemdend weergaven dan Antonioni of minder imponerend dan Fellini. Zijn constructie oogt natuurlijker zonder dat ook maar in het minst te zijn. Op de achtergrond zeuren oorlog en klassenstrijd, maar overheersen het levensplezier en een esthetische, poëtische realiteit. Niet Frans. Zurlini filmt geen feiten.

La Stazione uit 1952 is een documentaire over het belangrijkste treinstation van de Italiaanse hoofdstad: Stazione di Roma Termini. Zurlini was lid van de communistische partij en werd in 1964 samen met regisseurs als de Taviani’s, Maselli, Lizzani en Loy door de partij aangewezen om de begrafenis van Palmiro Togliatti te filmen. Opgevolgd door Luigi Longo en in 1972 door de charismatische Enrico Berlinguer, de vader van het Eurocommunisme. In de naoorlogse jaren was partij affiliatie in Italië waar een politieke strijd tussen christen-democraten en communisten woedde van belang. Rossellini werd door sommigen minachtend afgedaan als christen-democraat. Zelfs filmstijlen werden gepolitiseerd en door de overheid gesteund of tegengewerkt.

De documentaire is in de stijl van de Cinéma Vérité, een observerende cinema. De Franse filmtheoreticus André Bazin verwoordde het neorealisme (in de brief Ter verdediging van Rossellinizie p. 100) ooit als ‘de documentaire werkelijkheid plus iets’. Het jaar 1952 is een keerpunt. Niet toevallig wordt Umberto D uit 1952 van Vittorio De Sica als de laatste neorealistische film beschouwd. Bazin omschrijft dat ‘iets’ als de beeldkracht, het sociaal engagement, de poëzie, het komische of wat dan ook. Wat is dan de documentaire werkelijkheid van deze documentaire die probeert de feiten zo onbevangen mogelijk weer te geven?

Het heeft geen zin om weg te zakken in getheoretiseer dat al snel op aanstellerij lijkt. In La Stazione zien we een realiteit die we associeren met het Italië van 1952. Punt uit. Hoe geconstrueerd die ook toen was. De marges zijn breed om ons tevreden te stellen en een geschiedenis voor te schotelen die geen geschiedenis is. Denk aan twee beroemde voorbeelden uit de cinematografie, namelijk Oktober (1928) van Sergei Eisenstein en La battaglia di Algeri (1966) van Gillo Pontecorvo. Beide films die respectievelijk 11 (1917) en 9 (1957) jaar na de weergegeven gebeurtenissen werden gemaakt, worden in de geschiedschrijving gebruikt als illustratie ervan. Zo vallen een historische gebeurtenis, de reconstructie en ons begrip ervan samen. Ons beeld van de historische werkelijkheid is vervalst, maar voelt als echt. Er zijn meer voorbeelden, zoals de Nederlandse film De Overval uit 1962 over de overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Onze beleving in de wachtkamer derde klasse met Italiaanse arbeiders, boeren, militairen en gezinnen strijdt met esthetiek. Dat we het weten.