Thuiskomst van de verpletterde wisselwachter (1873)

Bericht uit het Volksblad, 5 april 1873. Via Krantenbank Zeeland.

Er is één zin uit bovenstaand stukje die vanwege harteloosheid stof tot nadenken geeft: ‘Verder is het huisje zodanig geplaatst, dat zoo een trein voorbijkomt bij geopenden wissel, het onmiddellijk verpletterd wordt‘. Om spoorongelukken te voorkomen treft de wisselwachter het ongeluk omdat hij niet goed op ‘zijn zaak’ past.

Een wisselwachter zorgt voor één of meer wissels op een spoorlijn. Dat is een verantwoordelijkheid omdat er ongelukken kunnen gebeuren als de wisselwachter in slaap sukkelt. Dan kunnen treinen op het verkeerde traject terechtkomen en op elkaar botsen. Overigens was het werk van wisselwachter zelf ook gevaarlijk.

Vanaf 1871 kende de VS een economische opbloei na de beëindiging van de burgeroorlog (1861-1865). Die jaren werden The Gilded Age genoemd. Met het spoor werd ook een verbindend, natievormend effect beoogd. De spoorwegen moesten het land ontsluiten en de verdeeldheid verminderen en Europese fondsen aantrekken om te zorgen voor economische ontwikkeling. Maar het zorgde ook voor een luchtbel van gemeenschapsgeld dat door privépartijen werd opgeslokt. Het droeg de volgende recessie in zich die in september 1873 begon en zes jaar duurde. Daar is in bovenstaand artikel nog geen sprake van.

In het interessante artikel van Susan Berfield ‘How a Dangerous, Exploitative Railroad Industry Created J.P. Morgan’s Fortune‘ worden de nadelen van het kapitalisme genoemd. Het doet denken aan het Rusland van de jaren 1990, ongebreideld Wildwest-kapitalisme waarin gemeenschapsgoed voor niets of een schijntje wordt verkocht aan privépartijen. Het artikel noemt ook de schaduwzijde van gebrekkige veiligheidsmaatregelen voor de spoorarbeiders rond 1873:

Schermafbeelding van deel artikelHow a Dangerous, Exploitative Railroad Industry Created J.P. Morgan’s Fortune; Susan Berfield on the Growth of American Capitalism‘. In: Literary Hub.

Hoe onveilig het spoor was voor reizigers en spoorarbeiders geeft een artikel aan over een ongeluk in 1871 in New Hamburg in New York State met 22 doden. Allerlei lokale historische verenigingen geven hun specifieke accent aan dit tragische verhaal. Zonder stil te staan bij de achterliggende oorzaak.

In april 1873 was tot het Volksdagblad het macroniveau van de investeringen in en expansie van de Amerikaanse spoorwegen nog niet doorgedrongen. Het microniveau krijgt de aandacht in een complex verhaal over wisselwachters, wisselwachtershuisjes en het voorkomen van ongelukken. Terwijl alle seinen op rood stonden: miserabele werkomstandigheden, snelle expansie van het spoor en gebrekkige veiligheidsmaatregelen.

Gedachte bij lantaarnplaat ‘Oudegracht’ (1876-1885)

Oudegracht. Collectie: Cincinnati Museum Center History Library and Archives Collection.

Deze afbeelding van een plaat van een toverlantaarn is niet terug te vinden in de collectie van Het Utrecht Archief. Het gaat om de Utrechtse Oudegracht tussen de Bakkerbrug en de Bezembrug. Het is een prachtige scherpe foto met rechts tegen het hek een dienstmeid die zo weggelopen lijkt uit een Amsterdamse foto van Breitner. Samen met de kinderen op de werf en de passanten op straat kijken ze naar de fotograaf.

Fietsen, paarden, koetsjes en auto’s ontbreken. Er staat een handkar. De afwezigheid van vervoersmiddelen scherpt het beeld aan. Er is het spiegelend water, de werf, de huizenrij en verder niks dat afleidt. Dit beeld doet ons voelen dat ingetogenheid, soberheid en karigheid kwaliteiten zijn die we voorgoed verloren zijn. Het gaat te ver om het natuurlijkheid of onbedorvenheid te noemen, laat staan simpelheid of ongekunsteldheid, maar de overvloed ontbreekt. Het is de paradox van de ongerepte stad die idyllisch oogt.

De collectie van het Cincinatti Museum geeft geen datering bij de beschrijving. Er zijn aanwijzingen. De winkelpui van de manufacturenmagazijn van de firma G.H. van der Sandt (zie belettering ‘H. v. SA’ op zijgevel dak) is rond 1876-77 doorgetrokken naar het kleinere pand met drie ramen rechts. Verder ontbreken er bomen die op een latere foto die gedateerd wordt tussen 1890 en 1905 aanwezig zijn. De vlaggenmast op het grote gebouw links in de achtergrond, het stadhuis, die hier ontbreekt en later geplaatst is wordt op een andere foto (tevens de eerste ansichtkaart) gedateerd op 1883-1885. Rechts is voor de winkel van Van der Sandt een gietijzeren lantaarn zichtbaar die in 1875 werd geplaatst. De datering kan met enkele slagen om de arm vastgesteld worden op 1876-1885.

Hoeveel interessante foto’s en ander beelddragers van laat-19de eeuwse Nederlandse stadsgezichten zitten er in internationale archieven die ontbreken in plaatselijke archieven? Al is het in digitale vorm voor de geschiedschrijving. Die vraag roept deze afbeelding van Utrecht op.

Interessant is wat Marieke Lenferink in de MasterscriptieDe historische winkelpui in Utrecht, 1850-2010. Ontwikkeling, betekenis en huidig beleid‘ (2010) zegt over de ontwikkelen van het winkelen en de opkomst van het warenhuis in Utrecht. Winkelen als vrijetijdsbesteding ontstond in Den Haag in de tweede helft van de 19de eeuw en in Utrecht waarschijnlijk iets later. Deze plaat lijkt op dat kantelpunt genomen te zijn. Winkels en warenhuizen zijn in opkomst, maar daartussen zijn nog woonhuizen. De winkels bepalen het uiterlijk van de binnenstad nog niet zoals nu.

Het plat vlak krijgt diepte. We vullen gaten in om het met een mooi verhaal rond te maken. Toverlantaarn is een prachtig Nederlands woord dat duidelijk maakt wat er toe doet: verrukken, bekoren, meeslepen en belangstelling opwekken. Dat komt samen in deze lantaarnplaat. Althans voor mij.

Gedachte bij foto ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’ (1896)

Vaak wordt vergeten dat het Russische keizerrijk aan het einde van de 19de eeuw een stevige economische expansie kende. Het was bezig met een race om de Europese staten economisch in te halen. In 1913 was het de vijfde industriële natie ter wereld. Maar uiteindelijk stokte om politieke redenen de expansie.

De titel van deze afbeelding van de Amerikaanse ontdekkingsreiziger en fotograaf William Henry Jackson leest als een 19de eeuwse Russische roman van Gogol, Toergenjev of Tsjechov: ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’. In elk geval prikkelt de foto de fantasie. De kou is voelbaar. De twee koetsiers hebben net op een Siberische postweg 33 kilometer door de sneeuw gereden bij 40 graden vorst.

Het Wilde Westen van de VS en het Verre Oosten van het Russische Keizerrijk waren grensgebieden waarvan de grens steeds opschoof. Het ging om ontdekking, groei, ontginning en kolonisatie. De Yemschiks zijn de cowboys die aan het eind van de 19de eeuw in de westerse publieke opinie bekend waren onder die ‘vreemde’ naam.

De afbeelding is een handgekleurde glasplaat voor de toverlantaarn. Dat apparaat vóór de uitvinding van de film in 1895 dat leek te toveren en te betoveren. Ter vermaak en ter educatie. De ontdekking van de wereld werd dichtbij gebracht. Ook nu nog is het fascinerend om je voor te stellen wat een westers publiek in 1896 of kort daarna dacht bij deze afbeelding. Vond men het vreemd uitheems of juist op een vertrouwde manier herkenbaar omdat het overeenkwam met wat men uit de eigen omgeving kende? Die omgeving waar wij het beeld van kwijt zijn geraakt.

Foto:  William Henry Jackson, ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’, 1896. Handgekleurde glasplaat. Collectie: Library of Congress.

Gedachten bij de foto ‘Obstination’ met een koppige ezel (1896)

Deze foto zou wel eens het idee van velen over onze eigen, verwarde tijd kunnen verbeelden. Het is een photogravure/heliogravure uit 1896 van de Franse fotograaf J. Mantélier, getiteld ‘Obstination’ ofwel koppigheid. Maar het kan ook vertaald worden als vasthoudendheid of volharding, en dan krijgt het gelijk een ander perspectief. De ezel is niet halsstarrig, maar eerder hardnekkig en standvastig. De ezel laat zich niet van de wijs brengen door wat mensen willen. Zo te zien een moeder en haar twee kinderen. En laten we nou realistisch zijn, de ezel zou wel gek zijn om zich in de richting van het water te laten trekken. Om wat te doen? Badderen, drinken of verdrinken? Het is trouwens heel wat dat er geen stokslagen aan te pas komen.

Het gezegde luidt ‘Zo koppig als een ezel’. De ezel uit 1896 moest eraan geloven om dat te verbeelden. Een ezel wordt als dom voorgesteld. Maar zijn de vrouw en de twee kinderen niet nog dommer door zich voor de uitbeelding te lenen? Ten koste van de ezel die toch dom is en daarom niet beter kan weten. In onze eigen tijd symboliseert de ezel de voortgaande lijn van een ontwikkeling door de tijd heen. De ezel van 1896 is dezelfde ezel van 2019 of 1777. Als er in onze tijd trouwens nog ezels te vinden zijn in onze leefomgeving. De mensen en de omgeving verschillen. Zij maken het verschil. De ezel is de toetssteen van menselijk gedrag. Laten we de ezel eerbiedig in zijn waarde of niet? Waardigheid die we de ezel gunnen bepaalt onze eigen waardigheid.

Wederkerigheid is de les. Mensen, dieren en natuur zijn onderling verbonden. Om die relaties te omschrijven zijn grote woorden nodig. Het kan niet anders. We geven iets en we krijgen iets. Mensen trekken koppig de ezel door de tijd. Vraag is of de koppigheid van de ezel de reactie was op dat menselijk gedrag of er vooraf aan ging. In het eerste geval is de mens koppig en in het laatste geval de ezel. Onze tijd kent ontelbare ezels die uit het verleden overgeleverd zijn en waarvan onduidelijk is of ze oorzaak of gevolg van menselijk gedrag zijn. Ieder zal een favoriete ezel hebben. Natuur, saamhorigheid, democratie, bezinning, waarheid. Zijn wij koppig als we de ander koppig noemen? Het vergezicht van een 19de eeuwse foto die terloops een gezegde uitdrukt is de zienswijze van een standpunt dat vastgeroest lijkt maar bij nader inzien wankel is. Dat zijn wij. 

Foto: J. Mantélier, ‘Obstination’, photogravure/heliogravure uit 1896.

‘Die andere Heimat’ roept gedachten op over de welvaart van Nederland

Dit is een van de laatste beelden uit de epische film Die andere Heimat – Chronik einer Sehnsucht (2013) van de Duitse regisseur Edgar Reitz. Een prachtig gefotografeerde zwart-wit film met af en toe kleur om accenten te leggen. Heimat is met 60 uur de langste bioscoopfilm ter wereld. In het midden van de 19de eeuw heerst er onrust en stilstand in het Duitse land dat zoekend op weg is naar een natiestaat. Emigranten vluchten weg voor armoede, werkloosheid, honger en ziektes als difterie. Dat doen ze niet lichtvaardig, want ze moeten de band met familie, dorp en geboortegrond doorsnijden. Ze zijn via Rotterdam op weg naar Brazilië.

Twee jaar na de première van deze film zou kanselier Angela Merkel Wir schaffen das zeggen toen emigranten Duitsland niet verlieten, maar binnenkwamen. Vertrokken in het verleden Duitsers niet naar de VS, Brazilië of Oost-Europa? Nou dan. Fictie bedriegt, maar geeft ook inzicht. In situaties, emoties en afwegingen. Het lijkt er niet op dat Nederland ooit dezelfde grote armoede heeft gekend in het Drentse veen, de grote steden of op de Brabantse zandgronden. Nederland was als vanouds een landbouwland om de eigen bevolking te voeden, en bestemt nog steeds ruim de helft van de totale oppervlakte voor de land- en tuinbouw. Nu om velen buiten de grenzen te voeden. Nederlanders zijn niet honkvast, ze trekken graag de wijde wereld in, maar de noodzaak daartoe was in de regel niet armoede. Nog steeds is Nederland een oase van welvaart. Dat beseffen we weer eens als we het leed van anderen verbeeld zien. Zoals dat van Duitsers een paar honderd kilometer verderop.

Foto: Still uit Die andere Heimat – Chronik einer Sehnsucht (2013) van Edgar Reitz.

Bij de foto ‘Cotton on the levee, New Orleans’ (1880-1897)

Deze foto van William Henry Jackson uit de collectie van het Library of Congress heeft als titel ‘Cotton on the levee, New Orleans’. Vertaald is dat ‘Katoen op de steiger’ omdat het hier duidelijk niet om een dijk gaat. Dat is de gebruikelijk vertaling voor levee. Als datering wordt 1880 tot 1897 gegeven. Op de steiger wappert een vlag die lijkt op de ‘Second Flag of the Republic’ van Texas uit 1837. Hoewel New Orleans in Louisiana ligt vormden deze twee staten van 1867 tot 1870 het ‘Fifth Military District‘. De verslagen staten van de Confederatie waren na de beëindiging van de burgeroorlog tijdens de reconstructie periode opgedeeld in vijf administratieve eenheden. De rivierboten aan de steiger die katoen aanvoeren liggen onder stoom. Het is de sfeer van de songOl’ Man River’, witten spelen, zwarten doen het zware werk en de rivier stroomt: ‘I’m tired of livin’, but I’m scared of dyin’But ol’ man river, he just keeps rolin’ along’. De tijd staat stil en dat schrijnt.

Foto: William Henry Jackson, ‘Cotton on the levee, New Orleans’. 1880-1897. Collectie: Library of Congress.

Bij een foto ‘Gezicht op de haven van Terneuzen met binnenvarende schepen’ (1890 – 1900)

Deze afbeelding staat in mijn geheugen gegrift. Een originele afdruk van deze foto hangt in mijn woonkamer. Die foto heeft een andere uitsnede en loopt naar boven en onder door. Boven zijn wolken te zien en onder een deel van de aanlegkade met nog twee stootbalken. Opvallend is dat op de ansichtkaart de uitsnede naar rechts een klein stukje doorloopt. Uiteraard ontbreekt op de foto de opdruk met letters. De foto hing tot 1969 in het huis van mijn grootvader en tot een verhuizing begin jaren ’90 in mijn ouders’ huis. Nu bij mij thuis.

Wat toen ‘Haven van Ter Neuzen’ of Westhaven was wordt nu Oostelijke buitenhaven van Terneuzen genoemd. Het was tot 1910 de doorgang via de Westsluis (nu Oostsluis) naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Als sluizencomplexen worden gerealiseerd veranderen oude namen noodgedwongen. In 1910 werd de toen grote Middensluis geopend nadat het kanaal in de jaren ervoor was verbreed (’kanaalverbredingswerkzaamheden’).

De datering geeft aan 1890-1900. De maker wordt niet genoemd. Volgens de overlevering is dat een familielid die juwelier was, in de Terneuzense Noordstraat gevestigd was en als hobby fotografie had. Toen een zeldzame nevenactiviteit. Hij heeft vele foto’s gemaakt die nu onder het kopje ‘Oud Terneuzen’ passen.

Het onderste gezicht met het tegenovergestelde perspectief is ook gedateerd 1890-1900. Op de achtergrond is een kasteelachtig gebouw zichtbaar, het toenmalige postkantoor. De jeugd is uitgerukt en staat op de Westpier met strooien hoedjes (meisjes) te kijken. Aan de andere kant van de haven kijken mensen toe. Vermoedelijk naar de fotograaf. De provinciale (zo genoemd vanwege de PSD) raderstoomboot is aangemeerd.

Is dit de overgang tussen oud en nieuw, tussen stoom en diesel, tussen stilstand en vooruitgang, tussen landbouw en nijverheid, tussen vooruitkijken en omkijken? Het is lastig te zeggen omdat onze kijk op het verleden niet hetzelfde blijft en steeds verandert. Zo af en toe realiseren we ons waar we vandaan komen.

Foto 1: ‘Ter Neuzen Haven van Ter Neuzen’, datering 1890-1900. Collectie Zeeuws Archief.

Foto 2: ‘Terneuzen Aanlegplaats der Provinciale Stoomboot, datering 1890-1900. Collectie Zeeuws Archief.

Een conservatieve blik op hedendaagse kunst van PragerU

PragerU is een conservatieve non-profit organisatie die opgericht werd door de conservatieve televisie gastheer en schrijver Dennis Prager. Waarom conservatieve instellingen zich op een obsessieve manier verzetten tegen hedendaagse lunst is een raadsel dat nog steeds beantwoord moet worden. De conservatief-nihilistische politicus Thierry Baudet maakte zich in zijn vroege carrière in navolging van rechtse denkers die hem inspireerden vanuit een 19de eeuws perspectief (‘Chopin) sterk tegen ‘moderne kunst’ en overigens ook architectuur dat het ‘thuisgevoel’ in de weg zou staan. De 19de eeuw van voor Édouard Manet is de referentie voor deze conservatief geïnspireerde politici en opinie-leiders die niet in de moderne tijd willen treden.

In deze 3 jaar oude video geeft kunstenaar Robert Florczak zijn visie op hedendaagse kunst. Zijn eigen werk voldoet overigens bij lange na niet aan de normen die hij zelf aan kunst van anderen stelt. Het valt het best te omschrijven als rommel dat niet aan de academische standaard voldoet waar hij zo hoog van opgeeft. Hij maakt vlakke kunst, kitsch en meent hedendaagse kunstenaars de maat te kunnen nemen aan de hand van zijn 19de-eeuwse standaard. Dat kan, maar de tegenstrijdigheid slaat wel als een boomerang op hem terug.

Een goede framing is op sociale media het hele verhaal: ‘Waarom is moderne kunst zo slecht?’ Een meer interessante framing lijkt echter ‘Waarom maken conservatieven zich zo druk over moderne kunst?’ Door ertegen te ageren hechten ze tegelijk een groot belang aan hedendaagse kunst. Dat is onbewust positief.

Uiteraard is er veel mis met de kunsthandel en de macht van het grote geld in de hedendaagse kunst. Maar wat Florczak voor PragerU doet gaat verder, hij wijst de hedendaagse kunst zonder uitzondering af. Dat is te grof en ongenuanceerd. Hij wenst niet te erkennen dat de norm om kunst te beoordelen met de eigen tijd mee verschuift. Of doet in opdracht van wat pretentieus de ‘Prager University’ heet, net alsof hij het niet begrijpt.

Petitie ‘Afschaffing Koninklijk Huis’ verdient serieuze overweging

Het kan nooit kwaad om het Republikeinse, zo men wil anti-monarchistische karakter van Nederland te benadrukken. Dat in 1815 koning Willem I zichzelf uitriep tot koning der Verenigde Nederlanden geeft aan dat de Nederlandse monarchie een tamelijk recente ontwikkeling is. Een uitvinding van een traditie. Zoals in de 19de eeuw meer tradities en rituelen werden uitgevonden en vormgegeven, zoals Sinterklaas. De Nederlandse monarchie speelt op het vlak van Volkskunde, folklore, rituelen en tradities en vindt een oorsprong in de 19de eeuw. De eeuw van nationalisme en natievorming. De affiche dateert uit 1980, zoals een optelling uitwijst.

Hoewel de Nederlandse monarchie volgens onderzoek uit 2010 van de Vlaamse hoogleraar Herman Matthijs tot de duurste van Europa behoort is dat niet de hoofdzaak voor kritiek. Hoe onbegrijpelijk het ook is dat de kosten niet beter in de hand worden gehouden. Hoofdzaak van kritiek is wel het anti-democratische karakter ervan door het beginsel van de erfopvolging. In theorie zijn alle functies in het openbaar bestuur voor alle Nederlanders beschikbaar, behalve die van staatshoofd. Dat is vanuit democratisch oogpunt ongewenst. Sommigen beweren dat door de golf van rechts-populisme enige afstand tot de dagelijkse politiek raadzaam is. Maar het bezwaar blijft dat via de erfopvolging niet de beste persoon voor de functie van staatshoofd gekozen wordt. De recente geschiedenis met Koningin Juliana en Prins Bernhard maakt dit duidelijk.

Nederland moet weer een Republiek zijn zoals het dat vanouds is. Complicatie is dat de Republikeinse genootschappen worden bevolkt door malcontenten die behalve hun afkeer van de monarchie weinig toevoegen aan het debat over de staatsvorm die Nederland het beste past. Ze staan ook voor een lastige opgave omdat de propaganda van Oranje continu op vele toeren draait. Deels door belastinggeld dat door de burgers wordt opgebracht en deels door het establishment dat de voorspelbaarheid, inschikkelijkheid en sociale mores van een monarchie een voordeel vindt en het daarom vanuit de schermen steunt. Maar voor burgers die voor de pure democratie gaan is de monarchie een anomalie. Een afwijking van het normale.

Foto: Schermafbeelding van deel petitieAfschaffing Koninklijk Huis’ op petities.nl.

Film ‘Une Vie’ omvat het verhaal van de oude en de nieuwe pastoor

Gisteren zag ik in filmtheater ’t Hoogt in Utrecht de Frans-Belgische filmUne Vie’ (2016) van regisseur Stéphane Brizé. Een verfilming van de gelijknamige roman van Guy de Maupassant (1883). Het speelt in de 19de eeuw in Normandië. Het leven van hoofdpersoon Jeanne Le Perthuis des Vauds wordt gevolgd. Van haar trouwen tot op haar oude dag. Ze is van lage adel en zit schijnbaar gevangen in de conventies van haar tijd. Maar waar Madame Bovary in de roman van Gustave Flaubert uit 1857 in datzelfde Normandië actie onderneemt -overigens met fatale afloop- doet Jeanne dat niet. De film geeft niet het idee dat zij ondanks de verstikkende conventies van haar tijd en milieu het in zich had meer individuele ruimte te nemen.

Het wordt interessant als achtereenvolgend twee katholieke plattelandspastoors worden opgevoerd. De oudere Picot wil een kwestie waar Jeanne en haar echtgenote Julien bij betrokken zijn tot een goed einde brengen voordat hij met emeritaat gaat. Julien pleegt overspel met de dienstmeid Rosalie en heeft haar een zoon geschonken. Picot wil sussen en verzoekt Jeanne om Julien te vergeven. Haar ouders de baron en barones zijn ook de mening toegedaan dat dat verstandig is. Aldus geschiedt, Jeanne vergeeft Julien.

Enige tijd later biecht Jeanne bij de nieuwe priester Tolbiac. Ze laat zich in een opwelling ontvallen dat ze heeft ontdekt dat Julien een seksuele verhouding heeft met haar vriendin Gilberte de Fourville. Tolbiac vraagt of ze dat tegen Georges, de echtgenote van Gilberte heeft gezegd. Jeanne ontkent en zegt dat ook niet van plan te zijn. Tolbiac zet haar onder druk om dat wel te doen omdat het God om de waarheid te doen is. Jeanne blijft weigeren, waarna Tolbiac tot haar schrik zegt dat hij het tegen Georges de Fourville zal zeggen. Met fataal gevolg, zoals blijkt als de film terughoudend en bijna terloops de lijken met schotwonden van Julien en Gilberte toont. Met verderop Georges de Fourville die zich om het leven heeft gebracht met zijn jachtgeweer.

Welke pastoor heeft juist gehandeld, de oude of de jonge? Picot sust, lijkt ouderwets en wil geschillen met de mantel der liefde bedekken. Binnen de werkelijkheid van boek en film handelt hij vanuit zijn levenservaring. Tolbiac lijkt modern en op te komen voor het individu Jeanne, maar doet dat als ethisch reveillist in de praktijk van alledag juist niet. Hij maakt haar lot ondergeschikt aan zijn opvatting over christelijke ethiek. Tolbiac maakt de mensen die aan hem als geestelijk leidsman zijn toevertrouwd ondergeschikt aan zijn ethiek. Het inzicht dat de film biedt is dat de pastoor die eerst ouderwets leek modern is, en andersom. Een kruisstelling.

Het excessief geweld brengt hoofdpersoon Jeanne Le Perthuis des Vauds niet tot inzicht. Ze breekt niet door de conventies heen die haar beperken. Ze doet er niet eens een poging toe. Guy de Maupassant moet een gezonde hekel aan de religieuze praktijk van zijn tijd hebben gehad. Zo resteert een zedenschets van de 19de eeuw die een filmmaker in 2016 nog steeds relevant acht. Hij neemt stelling in een nauwgezette reconstructie.

Foto 1: Agrarische riten, Pastoor zegent de oogst. Frankrijk, 1943.

Foto 2: Affiche van ‘Une Vie’ (2016) van Stéphane Brizé.