Over armoede in Groot Brittannië: de foto ‘Lad Working at Quay, 1976’ en de Community Development Projects

Ken Grint, Lad Working at Quay, 1976. Collectie: The War on Poverty in Britain – Documents from the Community Development Project.

Op de achterkant van deze foto staat volgens de toelichting (vertaald): ‘Jonge jongens verdienen een schijntje op de kade en vrijwel elk bedrijf heeft er minstens één in dienst voor ongeveer £15 per week. Vaders hebben zonen in dienst. Het tarief stijgt met ervaring en snelheid – zodra hij de 21 heeft bereikt. Foto door Ken Grint. Geschreven op achterkant foto: N. Tyneside CDP IIU set 1976. Bijschrift – ‘werkervaring’ op de Fish Quay.’ In 1976 was £15 ongeveer 67,50 gulden.

Het verhaal achter de foto gaat over armoede. Het verhaal achter het verhaal gaat over een mislukt project over het terugdringen van armoede. Het doet denken aan de het Federal Art Project tijdens tijdens de regeerperiode van president Roosevelt dat onderdeel was van diens New Deal en werk verschafte aan kunstenaars.

In de jaren 1970 in Groot-Brittannië was de inzet van de Community Development Projects (CDP) die liepen van 1970 tot 1978 het bestrijden van armoede. De 12 projecten werden geconcentreerd in enkele van de meest verarmde buurten van Engeland, Schotland en Wales.

In de jaren 1970 vormden achtereenvolgens de gematigd Conservatieve Edward Heath, de gematigde Labour-politici Harold Wilson en James Callaghan en de hard-Conservatieve Margaret Thatcher de regering. Maar het was niet Thatcher die het Community Development Projects de nek omdraaide.

Volgens een toelichtingWar on Poverty in Britain: Documents from the Community Development Projects‘ bij de digitale collectie die ook bovenstaande foto draaide het project zichzelf de nek om. Door hypercorrectie.

Het is te interessant om dat niet te citeren (vertaald): ‘De projecten begonnen in een geest van groot optimisme en hoewel ze naar verwachting van korte duur zouden zijn, waren in 1978 alle twaalf projecten uit de financiering gehaald en werden ze stopgezet, sommige onder veel wrevel. In enkele gevallen werd een vervolgproject teruggeschroefd en met een meer bescheiden opdracht voortgezet. Het programma als nationaal anti-armoede-initiatief eindigde echter.’

Verrassend is wie daar nu verantwoordelijk voor wordt gehouden: ‘In het tumultueuze politieke klimaat van het Groot-Brittannië van de jaren zeventig ontwikkelden veel van de gemeenschapswerkers die waren ingehuurd om de projecten te bemannen, radicale kritieken op het armoedebeleid van de regering, inclusief kritiek op het CDP zelf. Bovendien creëerden de CDP-werknemers, door samen te werken met inwoners van belegerde gemeenschappen om essentiële hulpbronnen veilig te stellen, extra controverse door rechtstreekse confrontaties aan te gaan met hun lokale raden, die daadwerkelijk een deel van hun salaris betaalden.’

Maar in 1978 was niet alles verloren: (Ingekort): ‘Elk van de 12 projecten omvatte naast een actieteam ook een onderzoeksteam. In de loop van de levensduur van het CDP hebben zowel de lokale teams als een centraal onderzoeksteam na de ontbinding van de lokale projecten een buitengewoon corpus van rapporten geproduceerd waarin ze de oorzaken en gevolgen van armoede analyseerden. Deze rapporten bevatten verbazingwekkend vooruitziende documentatie van het proces van de-industrialisatie en de veranderende beleidsinitiatieven die ooit de alomvattende verzorgingsstaat van Groot-Brittannië vormden.’

Het valt niet te verwachten dat de regering Johnson of een volgende Britse regering iets zal leren van de documentatie van de CDP over de armoede in de jaren 1970. De meest controversiële rapporten komen doorgaans in een lade terecht. De geschiedenis kan zich niet herhalen als de geschiedenis ontkend wordt. Het onderliggende probleem van armoede is daarmee niet verdwenen.

Advertentie

Een reactie bij het ‘Journalistiek Jaarverslag NRC 2017’

De abonnee’s van NRC kregen afgelopen week een e-mail van hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Hij merkt daarin op dat NRC zoals elk bedrijf jaarlijks een financieel jaarverslag publiceert. Maar ook een journalistiek jaarverslag omdat het uiteindelijk om de journalistiek gaat: ‘Wij drukken ons succes dus niet zozeer uit in euro’s als wel in een valuta die minder helder maar veel interessanter is: in welke mate slagen wij erin om u, onze lezer, uw mening te laten vormen?

De hoofdredacteur stelt zich procesmatig op en beschrijft de omgeving waarin NRC moet opereren. Dat is een beschrijving die echter voor alle media geldt en niet specifiek is voor NRC. Dat is tevens het ongemak van Vandermeerschs overkoepelende opstelling die voorbijgaat aan de politieke keuzes van NRC. Heeft de krant net als D66 op immateriële onderwerpen een progressief hart en op materiële onderwerpen een naar rechts leunende portemonnee? Is dat gewenst of dient dat bijgesteld te worden? Of is het niet (meer) van belang? Vandermeersch stipt het niet aan en we komen niets te weten over de  koers van NRC. In de voorstelling van de hoofdredacteur lijkt het alsof NRC in een politiek vacuüm opereert waarin nergens druk ontstaat en het uitsluitend te maken heeft met problemen die iedere burger tegenwoordig ontmoet: culture wars, de bubbel waarin mensen zich geïsoleerd terugtrekken en de fragmentering en devaluatie van het begrip ‘waarheid’. Vandermeersch zegt onderaan deze e-mail uit te kijken naar reacties. Dit heb ik hem op 4 januari gestuurd:

Met veel genoegen lees ik sinds lang NRC. Als jong volwassene kreeg ik het Algemeen Handelsblad dagelijks aan de leestafel bij mijn grootvader onder ogen. Die voorganger van voor de fusie. Toen ik in de jaren ’70 ging studeren was de keuze voor NRC snel gemaakt.

De krant heeft me mede gevormd. Eerst vanuit de hoek van de literatuur door medewerkers als Rudy Kousbroek of K.L. Poll. Later vanuit de film en nog later vanuit de politiek. Met de onvolprezen analisten J. L. Heldring en H.J.A. Hofland.

Maar het is geen 1970 meer. De scheidslijnen in de maatschappij en de politiek zijn onder druk van de ontwikkelingen in de VS veranderd. Het is de vraag of NRC daar voldoende op reflecteert. De grootste tegenstelling lijkt niet meer die tussen links en rechts, maar tussen de gevestigde politiek en het nihilisme dat het systeem wil kraken. Hoewel sociaal-economische onderwerpen over belastingontwijking, belastingdruk en inkomensverschillen hiermee niet minder belangrijk zijn geworden. Maar de urgentie ligt nu even elders, zo lijkt het.

Hoe moet een medium als NRC dat ook wel geschaard wordt onder de ‘establishment media’ hier op reageren? Met die vraag in het achterhoofd lees ik NRC de laatste jaren. Ik ben van mening dat het kansen laat liggen en zich meer rechtsstatelijk zou kunnen opstellen. Zo beredeneerd staat het bestaan van NRC in zijn huidige vorm op het spel omdat het verbonden is met de maatschappij waarin het functioneert. Dat is nooit vrijblijvend, maar nog minder vrijblijvend dan het 50 of zelfs 15 jaar geleden was. Of die urgentie over de eindigheid van de gevestigde orde in NRC voldoende is ingedaald is de vraag.

Voor een lezer die op afstand staat en niet aanzit aan de vergadertafels en daarom niet in de zwarte doos kan kijken, is het lastig om in te schatten of NRC de goede keuzes maakt. Wat de lezer wel kan zien zijn de prioriteiten die NRC in zijn kolommen geeft aan onderzoek, berichtgeving en plaatsing van bijdragen van gasten. Dan moet me van het hart dat ik vind dat NRC het afgelopen jaar kansen heeft laten liggen om scherper te opereren.

Laat ik een voorbeeld geven. In 2017 heeft NRC meermalen tamelijk kritiekloos aandacht besteed aan Thierry Baudet en zijn partij Forum voor Democratie. In de berichtgeving en via interviews. Het is prima om de lezer te informeren. Maar ik vind het onbegrijpelijk en getuigen van luie journalistiek dat NRC in een diepgravend artikel nooit aandacht heeft besteed aan de extreem- of radicaal-rechtse contacten van Baudet. Juist omdat politici als Baudet die als destructieve kracht gezien kunnen worden van alles een grapje proberen te maken is het belangrijk dat de bekende feiten goed en scherp op een rijtje gezet worden. Dat geldt nog meer als daaruit een beeld oprijst dat contrasteert met Baudets huidige profilering. Waarom heb ik in NRC nooit gelezen over zijn aanwezigheid op een door het Front National geleide conferentie in februari 2016 in een zoutmijn in het Poolse Wieliczka? Het kan toch niet zo zijn dat NRC dit overlaat aan De Correspondent dat minder middelen heeft?  

Het zal wel een klacht zijn die u vaker ziet, maar de kwantitatieve groei van de columns zie ik als een negatieve ontwikkeling. Bas Heijne en Luuk Middelaar lees ik nog, de rest van de columns sla ik over. Ik voel meer voor kwalitatieve groei van de columns. Het gemis van de mediacolumn van Hans Beerekamp voel ik nog dagelijks. Wat er sinds die tijd in NRC aan televisie- en mediakritiek verschijnt vind ik ondermaats, saai en zonder enig interessant idee.

Ik heb begrip voor de koers van NRC die volgt uit een lastige afweging om een divers publiek te bereiken. De grootste concurrenten zijn immers niet meer Het Parool, Trouw, De Volkskrant, het NOS Journaal of Nieuwsuur, maar het internet. De geïnformeerde lezer kan het nieuws op gerenommeerde Engelstalige sites 1,5 dag lezen voordat het in de krant gepubliceerd wordt. Om die reden wordt NRC automatisch naar de kant van de achtergrondinformatie, de binnenlandse berichtgeving of de onderzoeksjournalistiek gedrongen. En de bladvulling. Berichtgeving over veel onderwerpen wordt zo minder belangrijk omdat die elders sneller en beter te vinden is. Het risico is dat het percentage trivialiteit in de krant daardoor een kritische grens overschrijdt. Daar moet de hoofdredactie voor waken. Een nog scherpere keuze voor kwaliteitsjournalistiek is de beste waarborg dat NRC de lezer bereikt. Mits de gevestigde orde in stand blijft uiteraard.

Ik wens u en NRC veel sterkte in 2018.

Foto: Schermafbeelding van voorkant Journalistiek Jaarverslag 2017 van NRC, 18 december 2017.