Gedachte bij foto ‘Toppling a statue of General Maude on horseback in Baghdad’ (1958)

Ruiterstandbeelden of standbeelden van heersers en staatslieden vertegenwoordigen de zittende macht. Het is voorspelbaar dat ze omvergeworpen worden als de macht in andere handen komt.

Het is een wetmatigheid dat de symbolen van de macht als eerste aangepakt worden bij een opstand. Weinig is aanschouwelijker om de machtsoverdracht te symboliseren. Behalve wellicht een ander gezicht, een ander logo en een ander geluid in de televisiestudio.

In de Sovjet-Unie en het Oostblok waren het na 1990 de standbeelden van Lenin, Stalin, Marx, Engels en nationale communisten die het moesten bezuren. In Bagdad werd in 2003 Saddam Hussein van zijn sokkel op het Fidos Plein getrokken. De beelden gingen de wereld over.

In de VS zijn het de ruiterstandbeelden van Zuidelijke generaals in het Zuiden die voor controverse zorgen tussen Democraten en Republikeinen. Ze vormen de ideale focus voor voor- en tegenstanders om zich politiek te uiten. Wereldwijd worden sinds enkele jaren standbeelden ontmanteld van heersers die hun positie, aanzien en kapitaal verdienden met de slavenhandel.

Uiteraard moeten de standbeelden die omvergeworpen worden aan twee voorwaarden voldoen om in het zicht van de opstandelingen te komen. Ze moeten in de openbare ruimte, liefst op een belangrijk plein zichtbaar zijn en actuele politieke betekenis hebben. Het is weinig zinvol om een Romeins ruiterbeeld van keizer Marcus Aurelius uit 175 na Christus dat staat opgesteld in een museum van zijn sokkel te duwen.

In 1958 had het in Irak blijkbaar zin om het ruiterstandbeeld van de Britse generaal Stanley Maude omver te werpen. Deze bevelhebber van de troepen in toenmalig Mesopotamië nam na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk in 1917 Bagdad in. In 1923 kreeg hij zijn standbeeld dat heerschappij en kracht moest uitstralen. En door de pronkzieke hoogdravendheid automatisch tegenkrachten opriep. Maude was voor plaatsing al in november 1917 aan cholera overleden.

General Frederick Stanley Maude led the British forces who took Baghdad in March 1917, and died from cholera shortly afterwards. This statue, photographed by RAF serviceman Herbert Mercer, was raised in his honour, and in scenes reminiscent of those seen more recently, was torn down in 1958 following the removal of the Iraqi monarchy.

De opstand van 1958 die Irak uiteindelijk in links vaarwater deed belanden zette de monarchie opzij die ervan verdacht werd zich te laten ringeloren door de Europese landen. Bij het verdrag van Sevrès (1920) was er geen plek voor koning Faisal die met de Entente tegen de Duitsers en de Turken had gevochten en teleurgesteld als troostprijs in 1921 de Iraakse troon mocht bezetten. Maar de geest van generaal Maude bleef over hem en Irak heersen. Enfin, in 1963 werd het bewind van 1958 weer omvergeworpen, en in 1968 het bewind van 1963. Etc.

King Faisal Statue, Baghdad. A puppet monarch installed by the British, Faisal ruled Iraq until his death in 1933. A square was named after him at the end of Haifa Street, and this statue was erected. Its unveiling was photographed by RAF serviceman Herbert Mercer. Torn down in 1958, the statue was later restored.

De logica is dat standbeelden van heersers worden opgericht om ze omver te werpen omdat ze als focus iets representeren dat na verloop van tijd zoveel weerzin gaat oproepen dat het onhoudbaar is. De les voor een land lijkt dat het dit soort standbeelden die glorie en overheersing uitstralen beter niet kan hebben omdat ze een extra doelwit en motivatie zijn, naast de normale onberekenbaarheid van politieke ontwikkelingen, die de wisselvalligheid stimuleert.

Neerkijken op de ander. Van menselijke dierentuinen en genocide tot moderne slavernij

Het tentoonstellen van ‘inboorlingen’ heeft een lange traditie. Het begon al in het oude Egypte. Vooral in de tweede helft van de 19de eeuw waren de menselijke dierentuinen erg populair en moesten ze dienen als legitimatie van het kolonialisme. Nog op de Expo van 1958 in Brussel was een Congolees dorp ingericht. Maar de tijden waren veranderd: ‘Na een incident met blanke kinderen die bananen gooiden naar hun zwarte leeftijdsgenoten hielden de Congolezen de menselijke zoo voor bekeken’.

Onderzoekers merken daar het in het interessante artikelIn the Days of Human Zoos’ (2016) over op: ‘De antropo-zoölogische tentoonstellingen waren de belangrijkste vector in de overgang van wetenschappelijk racisme naar wijdverbreid koloniaal racisme. Voor de bezoekers was de aanblik van deze populaties achter tralies – echt of symbolisch – voldoende om de hiërarchie te verduidelijken: het was duidelijk waar de macht en kennis zouden liggen.’

Het is moeilijk om ons voor te stellen hoe er 150 jaar geleden gedacht werd. Landen waren nog geen eenheid zoals ze tegenwoordig zijn. Hoe bevolkingsgroepen momenteel ook politiek van elkaar verschillen, vroeger waren landen cultureel en geografisch minder eenvormig dan nu.

Neerkijken op de ander om er zelf sterker van te worden is iets van alle tijden en alle landen. Het bestaat nog steeds, maar alleen niet in de vorm van menselijke dierentuinen. Denk aan de slavernij van de Oeigoeren in China of dwangarbeiders uit Noord-Korea, India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Sri Lanka die buiten hun grenzen worden tewerkgesteld. Denk aan de meer dan 6.500 arbeiders die in Qatar zijn overleden bij de bouw van voetbalstadions. In de Tweede Wereldoorlog lieten de nazi’s dwangarbeiders zich doodwerken.

Het kan nog erger. De Ottomanen probeerden in 1915 de Armeniërs uit te roeien, de Duitsers in het begin van de 20ste eeuw twee volkeren in wat tegenwoordig Namibië heet en de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog de Joden, Roma en Sinti.

Wat is erger? De ‘inboorling’ als visitekaartje van het kolonialisme, de moderne slavernij van de rechteloze migrantenwerkers of de sluimerende genocide op de Oeigoeren? Iedere tijd heeft een specifieke verschijningsvorm van het onrecht.

Gedachte bij foto ‘Een onderwijzeres van de meisjesvervolgschool te Seroei (Japen) van de Evangelisch Christelijke Kerk, vertelt een sprookje’ (1958)

Een onderwijzeres van de meisjesvervolgschool te Seroei (Japen) van de Evangelisch Christelijke Kerk, vertelt een sprookje, mei 1958. Nieuw-Guinea. Collectie: Nationaal Archief.

Nederland heeft geen goede beurt gemaakt in Nieuw-Guinea. In het begin van de jaren 1960 heeft het onder internationale druk en door Indonesische inmenging de papoea’s in de steek gelaten. Ondanks beloften dat ze over hun toekomst zouden kunnen beslissen en Nederland daarbij zou helpen. De inlijving bij de Republiek Indonesië was niet logisch omdat Nieuw-Guinea geen deel van de Indonesische archipel is, maar van Melanesië.

De titel van de foto is ongewild komisch en tragisch. Dat behoeft eigenlijk geen commentaar: ‘Een onderwijzeres van de meisjesvervolgschool te Seroei (Japen) van de Evangelisch Christelijke Kerk, vertelt een sprookje’. Dat is vier jaar voor de onafhankelijkheid toen Nederland met de staart tussen de benen het gebied verliet.

Het is gissen welk sprookje de onderwijzers aan haar leerlingen vertelt. Deze foto van de Nederlandse overheidsvoorlichting (‘Kantoor voor Voorlichting en Radio Omroep Nieuw-Guinea’) suggereert eenheid tussen bevolking en kolonisator. Maar dat beeld hield niet lang stand. Het was allemaal een verzinsel. Inderdaad, een sprookje. Nederland was niet opgewassen tegen de werkelijkheid.

Gedachten bij foto ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’ (1958)

Het was nog maar in 1958 dat verkiezingen werden gevierd op pleinen en voor gebouwen van kranten waar de uitslagen druppelsgewijs binnenkwamen. De beschrijving bij deze foto toont een Nederland dat we nog nauwelijks kennen. Het doet ouderwets aan, maar kondigt al het begin van de moderne tijd met nieuwe communicatiemiddelen aan: ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’.

De televisie is in 1958 nog nauwelijks doorgedrongen tot de huiskamers. Die opmars begint pas zo’n vijf jaar later als de welvaart over Nederland komt. Mede dankzij het gasveld van Slochteren. Ook toen al moest de verkiezingsavond ‘opgeluisterd’ worden. Zeggen we nu ‘oppimpen’? Welbeschouwd is zo’n avond een saaie bedoeling met veel dode momenten. Een enkel hard feit en vooral analyses, speculaties en projecties die toch nooit uitkomen zoals op deze verkiezingsavond wordt gezegd.

’t Heerlijk avondje is gekomen, ’t Avondje van het verkiezingsfeest, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard.

Maakt het veel uit wie er wint? Dat valt te bezien. Alles is best als partijen binnen de democratie blijven en geen alternatief rechtssysteem willen optuigen. Daarom ben ik van mening dat de SGP en FvD ontbonden moeten worden omdat ze niet binnen de democratie passen en er een destabiliserende invloed op uitoefenen. Maar verder maakt het weinig uit. Zolang partijen de democratie niet omver willen werpen en min of meer hetzelfde wereldbeeld schetsen is er voor elke partij (behalve FvD en SGP) wel iets te zeggen. Met chips en bier, en wellicht een boek erbij, is het kijken naar de verkiezingsavond en het spieden naar de harde cijfers draaglijk infotainment.

Foto: Peter van Zoest (ANP), ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’, 28 mei 1958. Collectie/ Archief: Fotocollectie Elsevier

Schaken en strips. Suspense buiten de regels om

De voorpagina van een stripboek opent het artikelChess as a Comic Book Trope’ op Hyperallergic dat aandacht besteedt aan de tentoonstelling POW!. Schaken als metafoor en stijlfiguur. Want schaken is een oorlogsspel. Dat doet het goed in strips, zo meent Shannon Bailey, de hoofdconservator van de World Chess Hall of Fame. Het presenteert in tentoonstellingen de relatie van schaken met kunst, cultuur en geschiedenis.

Op de cartoon zien we een man in een gestreept kostuum met een verschrikt gezicht die achterom kijkt. Hij bevindt zich op de rand van een zwevend schaakbord waaronder een vuur brandt. Ziet hij van die kant een bedreiging of zoekt hij een uitweg? Een loper -die nog steeds in het Engels bishop wordt genoemd-  komt dichterbij. Ook een paard maakt aanstalten en dreigt de man van het bord te slaan. De witte schaakstukken staren de man aan. De koning kijkt nors, terwijl het machtigste stuk dat de dame is achteraf wat verloren staat. Een realistische stelling is het niet, eerder een beeld uit een nachtmerrie met Middeleeuwse dimensies.

Suspense is wat Alfred Hitchcock ooit omschreef als gecommuniceerde verrassing. De kijker weet wat komen gaat en identificeert zich daarom extra met de situatie. De voorpagina is waarschijnlijk een onderdeel uit de strip. We weten niet hoe het verhaal verloopt en zich ontwikkelt. Maar de tijding is duidelijk. Het gevaar loert om de hoek. Schaken is echter het tegendeel van suspense. Zetten van de tegenstander kunnen beredeneerd en gecalculeerd worden. We zien een losgeslagen zooitje ongeregeld dat in opstand komt en zich zelfs niet meer aan de schaakregels houdt. Een dystopie in 1958. Schaken wordt verbeeld als strijdperk van misstappen.

Foto: ‘Charlton Comics, Vol. 1, No. 36. Strange Suspense Stories (March 1958) (courtesy World Chess Hall of Fame)’ van tekenaar Maurice Whitman

Zwart, Bordeauxrood en Geel in Tate Modern

Gisteren is in de Londense Tate Modern ‘Black on Maroon‘ van Mark Rothko beklad. Het schilderij uit 1958 is onderdeel van de Seagram-serie en kan hersteld worden. Vladimir Umanets schreef met een pen in de rechterbenedenhoek ‘Vladimir Umanets ’12 / A Potential Piece of Yellowism‘. Rothko (1903-1970) is een hoog gewaardeerde schilder aan wiens kleurvlakken spirituele kwaliteiten worden toegedacht. De Rus Umanets kon ontkomen. Gevraagd door The Guardian verwijst Umanets naar het ‘Yellowism‘. Een manifest zegt dat voorbeelden ervan op kunstwerken kunnen lijken, maar het niet zijn. Marcin Lodyga en Vladimir Umanets menen dat de context voor kunstwerken al kunst is. Umanets past in de traditie van verwarde geesten en iconoclasten zoals Gerard Jan van Bladeren die tot tweemaal toe aan het eind van de vorige eeuw een werk van Barnett Newman met een Stanley-mes beschadigde. Deze keer valt de schade mee. Vladimir Umanets is gekend. Museumdirecteur Chris Dercon ziet het museum als vrijhaven voor de kunst. Daar gebeurt het.

Foto: Mark Rothko, Black on Maroon, 1958. (cat.nr. T1170). Tate Modern, Londen, Credits Kate Rothko Prizel en Christopher Rothko/DACS, 1998