Gedachte bij foto ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’ (1896)

Vaak wordt vergeten dat het Russische keizerrijk aan het einde van de 19de eeuw een stevige economische expansie kende. Het was bezig met een race om de Europese staten economisch in te halen. In 1913 was het de vijfde industriële natie ter wereld. Maar uiteindelijk stokte om politieke redenen de expansie.

De titel van deze afbeelding van de Amerikaanse ontdekkingsreiziger en fotograaf William Henry Jackson leest als een 19de eeuwse Russische roman van Gogol, Toergenjev of Tsjechov: ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’. In elk geval prikkelt de foto de fantasie. De kou is voelbaar. De twee koetsiers hebben net op een Siberische postweg 33 kilometer door de sneeuw gereden bij 40 graden vorst.

Het Wilde Westen van de VS en het Verre Oosten van het Russische Keizerrijk waren grensgebieden waarvan de grens steeds opschoof. Het ging om ontdekking, groei, ontginning en kolonisatie. De Yemschiks zijn de cowboys die aan het eind van de 19de eeuw in de westerse publieke opinie bekend waren onder die ‘vreemde’ naam.

De afbeelding is een handgekleurde glasplaat voor de toverlantaarn. Dat apparaat vóór de uitvinding van de film in 1895 dat leek te toveren en te betoveren. Ter vermaak en ter educatie. De ontdekking van de wereld werd dichtbij gebracht. Ook nu nog is het fascinerend om je voor te stellen wat een westers publiek in 1896 of kort daarna dacht bij deze afbeelding. Vond men het vreemd uitheems of juist op een vertrouwde manier herkenbaar omdat het overeenkwam met wat men uit de eigen omgeving kende? Die omgeving waar wij het beeld van kwijt zijn geraakt.

Foto:  William Henry Jackson, ‘Two Yemschiks immediately after a drive of thirty versts on the Siberian post road in 40 degree below zero temp’, 1896. Handgekleurde glasplaat. Collectie: Library of Congress.

Gedachten bij de foto ‘Obstination’ met een koppige ezel (1896)

Deze foto zou wel eens het idee van velen over onze eigen, verwarde tijd kunnen verbeelden. Het is een photogravure/heliogravure uit 1896 van de Franse fotograaf J. Mantélier, getiteld ‘Obstination’ ofwel koppigheid. Maar het kan ook vertaald worden als vasthoudendheid of volharding, en dan krijgt het gelijk een ander perspectief. De ezel is niet halsstarrig, maar eerder hardnekkig en standvastig. De ezel laat zich niet van de wijs brengen door wat mensen willen. Zo te zien een moeder en haar twee kinderen. En laten we nou realistisch zijn, de ezel zou wel gek zijn om zich in de richting van het water te laten trekken. Om wat te doen? Badderen, drinken of verdrinken? Het is trouwens heel wat dat er geen stokslagen aan te pas komen.

Het gezegde luidt ‘Zo koppig als een ezel’. De ezel uit 1896 moest eraan geloven om dat te verbeelden. Een ezel wordt als dom voorgesteld. Maar zijn de vrouw en de twee kinderen niet nog dommer door zich voor de uitbeelding te lenen? Ten koste van de ezel die toch dom is en daarom niet beter kan weten. In onze eigen tijd symboliseert de ezel de voortgaande lijn van een ontwikkeling door de tijd heen. De ezel van 1896 is dezelfde ezel van 2019 of 1777. Als er in onze tijd trouwens nog ezels te vinden zijn in onze leefomgeving. De mensen en de omgeving verschillen. Zij maken het verschil. De ezel is de toetssteen van menselijk gedrag. Laten we de ezel eerbiedig in zijn waarde of niet? Waardigheid die we de ezel gunnen bepaalt onze eigen waardigheid.

Wederkerigheid is de les. Mensen, dieren en natuur zijn onderling verbonden. Om die relaties te omschrijven zijn grote woorden nodig. Het kan niet anders. We geven iets en we krijgen iets. Mensen trekken koppig de ezel door de tijd. Vraag is of de koppigheid van de ezel de reactie was op dat menselijk gedrag of er vooraf aan ging. In het eerste geval is de mens koppig en in het laatste geval de ezel. Onze tijd kent ontelbare ezels die uit het verleden overgeleverd zijn en waarvan onduidelijk is of ze oorzaak of gevolg van menselijk gedrag zijn. Ieder zal een favoriete ezel hebben. Natuur, saamhorigheid, democratie, bezinning, waarheid. Zijn wij koppig als we de ander koppig noemen? Het vergezicht van een 19de eeuwse foto die terloops een gezegde uitdrukt is de zienswijze van een standpunt dat vastgeroest lijkt maar bij nader inzien wankel is. Dat zijn wij. 

Foto: J. Mantélier, ‘Obstination’, photogravure/heliogravure uit 1896.

Bij de foto ‘Matinée d’automne (Gd-Duché de Bade)’ van Paul Naudot (1896)

Een herfstochtend in 1896 in het Groothertogdom Baden. Dat nog tot 1918 zou bestaan. Het was een van de meest democratische staten binnen het Duitse Keizerrijk, zo zegt Wikipedia. Want ‘het algemene, gelijke en directe kiesrecht voor mannen’ werd in 1904 ingevoerd. Dat is mooi meegenomen voor de man die zo te zien met runderen en zijn dochtertje op stap is. Richting stemrecht. Waar hij heengaat is niet uit deze foto af te leiden. De nevel stijgt op van het land. Op de afbeelding is een jachtpartij te zien. Een dood moment in de actie. Jagers zijn op weg. Dat geeft de Franse fotograaf Paul Naudot de gelegenheid om af te drukken. In het midden van de visuele sandwich loopt een groep jagers. Weg van ons. Een jager kijkt achterom. Hij volgt nog even de opstelling waar hij net langsgelopen is. Zo’n terugblik van jager of fotograaf zegt niet dat ‘het vroeger beter’ was. Het ontkent het evenmin. Het blijft in het midden. Onbestemdheid zet aan tot mijmeren. Het beeld stelt zich niet overduidelijk voor als raadsel, maar roept wel vragen op. Die de beweging in de foto aanzetten.

Foto: Paul Naudot, ‘Matinée d’automne (Gd-Duché de Bade)’, 1896. Photogravure.