Chris Janse geeft in boekbespreking orthodoxe blik op NRC, liberalisme en secularisme. De afstand zijn de anderen

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is altijd aardig en een genoegen van balorigheid om kennis te nemen van de visie van orthodoxe gelovigen over moderniteit en secularisme. Daar zetten ze vraagtekens bij in de veronderstelling dat die begrippen haaks staan op hun godsdienst.

Dat is het misverstand dat orthodoxe gelovigen koesteren en in de lucht houden omdat het hun strategie is om het secularisme, of meer algemeen de wereld, als vijandig af te schilderen. Dat dient driemaal daags voor intern gebruik na de maaltijd te worden ingenomen samen met de bijbellezing.

Opzet van het creëren van een vijandbeeld is dat orthodoxe gelovigen zich aangevallen voelen en in eigen kring terugtrekken. Waarmee hun onderhorigheid is verzekerd, hun zelfstandig denken op sterk water wordt gezet en ze blijvend zijn gemobiliseerd voor de goede zaak.

Daarmee vegen ze onder het tapijt dat het hun orthodoxie is die deze kettingredenering in gang zet. Ofwel, het secularisme staat niet haaks op de christelijke godsdienst. Want het secularisme is niet anti-religieus of pro-atheïstisch, maar neutraal jegens alle geloven en levensovertuigingen.

Het is de orthodoxie die de wereld afwijst en gelovigen opsluit in de definitie van wereldlijk als niet-geestelijk. Dat is niet onjuist, maar wel suggestief omdat het een tegenstelling creëert die bij het bredere perspectief van het secularisme als politiek-filosofische paraplu die alle godsdiensten en levensovertuigingen onderdak biedt bij nader inzien niet bestaat.

In een boekbespreking besteedt oud-hoofdredacteur van het RD Chris Janse aandacht aan John Kroon’s geschiedenis van 50 jaar NRC. Een krant die volgens hem ver afstaat van het RD vanwege de liberale geest die er waait. Hij noemt NRC ook ‘een seculiere krant’ en dat bedoelt hij niet positief. De verwijzing naar oud-hoofdredacteur van NRC Ben Knapen is verwarrend als de begrippen seculier en agnostisch langskomen en onduidelijk is wat die volgens Janse bijdragen aan betekenis. Ze lijken voor intern gebruik bedoeld zodat er niet te veel logica achter gezocht hoeft te worden.

Chris Janse besluit zijn artikel als volgt: ‘Ongetwijfeld is NRC Handelsblad een kwaliteitskrant. Ze hebben er de mankracht voor. Maar tegelijkertijd is het een krant die bij uitstek het seculiere vrijheidsgevoel belichaamt. Dat schept duidelijk afstand’.

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is weinig grootmoedig van Janse om de kwaliteit van NRC in de kwantiteit en niet in de liberale overtuiging of het journalistieke beleid te zoeken, maar dat is blijkbaar het perspectief van een onderliggend medium als het RD dat de eindjes aan elkaar moet knopen en last heeft van jaloezie.

Opvallend is Janses slotzin die klinkt als zijn credo: ‘Dat schept duidelijk afstand’. De distantie tot andersdenkenden is wat hem en zijn orthodoxe geloofsgenoten obsedeert. Zoals gezegd uit zelfbehoud van de eigen kring. Dat wat hij het ’seculiere vrijheidsgevoel’ van NRC noemt zou volgens hem afstand scheppen.

Maar het is andersom. De slotzin kan uitsluitend begrepen worden vanuit Janses orthodoxe perspectief. Hij schept afstand en houdt het idee dat dat noodzakelijk is graag in stand. Maar wel indirect. Toegeven doet hij dat niet graag omdat dat niet netjes staat en bij zijn houding van gespeelde mildheid past. Het venijn van Janses slotzin is dat hij suggereert dat de ander de oorzaak voor de afstand is, zodat hij en zijn geloofsgenoten niet van onwil beschuldigd kunnen worden. Chris Janse is de schorpioen die in eigen staart prikt en daar de ander de schuld van probeert te geven. Het is echter zijn fijne rechtzinnigheid die de afstand tot de wereld schept.

Imran Khan onder druk van islam-extremisten om Holocaust gelijk te stellen aan het beledigen van profeet Mohammed

In Pakistan dwongen islam-extremisten premier Imran Khan om publiekelijk te zeggen dat Westerse landen die het ontkennen van de Holocaust wettelijk hebben geregeld dat gelijk zouden moeten stellen aan het beledigen van de islamitische profeet Mohammed.

Maar islam-extremisten gaan daar niet over evenmin als de Pakistaanse premier. Khan weet dat natuurlijk ook wel. Daarnaast is het lastig om de grens te trekken tussen religiekritiek die valt onder de vrijheid van meningsuiting en laster. Wat weer wat anders is dan belediging.

Hoe men ook over de Holocaust denkt, onomstotelijk is onder historici vastgesteld dat het is gebeurd en een historisch feit is. Dat is van een andere orde dan de profeet Mohammed die een hoofdpersoon van de islam is. Hij is van belang voor degenen die in de islam geloven, maar is een fictief persoon voor degenen buiten de islam. Daarom is de eis van de islam-extremisten om andersdenkenden de dogmatiek van hun geloof op te leggen onhaalbaar. Andersdenkenden hebben een ander sentiment over profeten, verlossers en goden.

Een geloof is uitsluitend voor intern gebruik. Het belijden ervan kun je anderen niet dwingend opleggen. Achting ervoor is het hoogst haalbare en daartoe zijn de meeste andersdenkenden wel te porren. Religie is echter een fictief verhaal, een mythologisering die niet gelijk gesteld kan worden met historische feiten. Op een religieuze fantasie kan geen eis aan anderen afgedwongen worden die gelijk is aan historische feiten omdat de basis van religie denkbeeldig is.

Orthodoxe christenen handelen niet in hun eigenbelang als ze framen dat er een kloof tussen religie en seculier bestaat

Schermafbeelding van deel artikel ‘Kloof tussen christelijk en seculier: „Steeds minder besef van waarde kerkgang” in het RD, 16 april 2021

Gelovigen staan niet buiten kijf. Ze ontkomen in hun denken een politiek handelen niet aan framing. Daarmee zijn ze niet uitzonderlijk. Dat geeft tegelijk aan dat ze niet uitzonderlijk zijn en voor zichzelf uitzonderingen kunnen claimen.

Dat doet SGP-raadslid Tom de Nooijer wel als hij zegt: ‘Mijn punt was dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is. Je kunt het kerkbezoek niet vergelijken met bezoek aan Ajax of bioscoop. Religie is niet alleen een persoonlijke keus, maar heeft ook een maatschappelijke rol en die moet je grondwettelijk beschermen.”’

Waarom een kerkbezoek niet vergeleken kan worden met bezoek aan Ajax, bioscoop, een schouwburg of museum legt de Nooyer niet uit. Het is van hem een slag in de lucht om dat te beweren. Wellicht heeft hij gelijk dat mensen oprecht niet begrijpen wat religie is, zoals hij niet begrijpt wat secularisme is. Daarnaast zijn er talloze uitingen die een maatschappelijke rol hebben. Waarom religie in de grondwettelijke bescherming uitzonderlijk zou zijn is onduidelijk. De Nooyer legt het niet uit.

De framing van het RD bestaat eruit dat het religie en secularisme tegenover elkaar zet als twee entiteiten waartussen een kloof zou bestaan. De suggestie daarvan is dat secularisme een tegenstelling van religie is. Dat is om twee redenen onjuist. Het secularisme is een overkoepelende politieke filosofie die alle religies en levensovertuigingen als gelijkwaardig beschouwt. Wat het RD als ‘seculier’ framet is de (niet-religieuze) levensovertuiging binnen het secularisme. Zij zijn geen tegenstellingen waartussen een kloof bestaat, maar gelijkwaardige entiteiten naast elkaar onder dezelfde paraplu.

Het RD zorgt trouwens voor verwarring door in de kop van een kloof te spreken, maar in de inleidende alinea te beweren dat ‘er als zodanig te weinig basis [is] om te spreken van een kloof.’ Wat is het nou, wel of geen kloof?

Orthodoxe christenen hebben er belang bij om de tegenstellingen binnen het secularisme tussen religie en levensovertuiging uit te vergroten. Dat belang bestaat eruit dat ze de afbraak willen vertragen van oude voorrechten die in Nederland christenen als vanouds genoten.

Maar daarmee spelen ze een gevaarlijk spel. Ook wat het voortbestaan in eigen kring betreft. In Nederland bestaan er immers honderden, zo niet duizenden religies, stromingen, aftakkingen en afscheidingen die allen een minderheid vormen. Zij hebben er belang bij om onder de rechtsstaat beschermd te zijn. Die bescherming wordt er solider en duidelijker op als de vertegenwoordigers van religies het secularisme omarmen en niet in de openbaarheid aanvallen of indirect verdacht proberen te maken. De kloof bestaat vooral in het denken van de orthodox-christelijke denkers die niet beseffen dat het secularisme het voortbestaan van hun specifieke religie optimaal garandeert.

Als Trouw nuance zoekt in inhoud, dan kan het de nuance in het begrippen- en woordgebruik niet achterwege laten

Schermafbeelding van deel artikelDe seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’ in Trouw, 5 april 2021.

Trouw is een dagblad dat veel aandacht geeft aan religie. Dat gebeurt vanuit een religieus perspectief en is niet altijd als zorgvuldig te omschrijven. De framing zitten de journalistieke onpartijdigheid en het professionalisme in de weg. Trouw zit gevangen in de vooroordelen van een traditie waarin oude woorden hun betekenis hebben. In elk geval roept lezing van Trouw dat beeld bij mij op.

Neem nou bovenstaand artikel dat als kop heeft ‘De seculiere meerderheid en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’. Waarom kiest Trouw deze kop? Er had ook kunnen staan: ‘De gematigde en orthodoxe gelovigen begrijpen niks van elkaar’.
Het wordt en nog vreemder op als in de introductie van dit artikel staat: ‘De spanning tussen orthodoxe religieuze minderheden en de liberale meerderheid groeit.’ Wat moet onder ‘de liberale meerderheid‘ verstaan worden? Zijn dit alle niet-orthodoxe gelovigen? Omvat dit ook de sociaal-democraten, rechts-radicalen, christen-democraten en anarchisten? Trouw maakt het niet duidelijk. Dit is blijkbaar geheimtaal in de eigen kring die buitenstaanders niet kunnen ontcijferen.

Want wat wordt hier nou bedoeld met ‘liberaal’? Is dat volgens het jargon van de protestante christenen een omschrijving van vrijzinnig of onorthodox? Maar waarom scherpt Trouw dan een tweedeling tussen orthodoxe gelovigen en vrijzinnigen aan die als zodanig in de samenleving niet bestaat en laat het de niet-orthodoxe gelovigen ongenoemd?

Wat gelovigen met ‘seculier’ bedoelen is evenmin altijd duidelijk. Vaak gebruiken ze het in de minachtende betekenis ’wereldlijk’ als tegenstelling tot religieus of godsdienstig.

Dat is problematisch als ermee de politieke filosofie van het secularisme wordt bedoeld die vanuit de christelijke flanken indirect onder vuur wordt genomen. Secularisme houdt in dat alle geloven en levensovertuigingen in gelijke mate onder de nationale rechtsstaat zijn gegarandeerd. Het secularisme is niet anti-religieus of pro-‘seculier’. Het secularisme is perfect neutraal. Het secularisme is de vertaling van rechtsstatelijkheid op het gebied van geloof en levensovertuiging. Degenen die zich verzetten tegen het secularisme door dat ter discussie te stellen of verdacht te maken verzetten zich tegen de rechtsstaat. Uiteraard zien ze dat zelf anders in hun eigen belangenbehartiging.

Feit is dat vooral orthodoxe christenen ten onrechte claimen dat het secularisme anti-religieus is. Vanuit hun beperkte opvatting is dat logisch. Het heeft ermee te maken dat ze het secularisme als zodanig niet aanvaarden omdat het te beperkend zou zijn voor het in de volle breedte belijden van hun geloof. Want als geloof en samenleving één zijn, dan staat een politieke filosofie die ruimte geeft aan andere geloven en levensovertuigingen die vereniging van eigen geloof en samenleving in de weg. Voor die volle breedte van de orthodoxe christenen moeten andersdenkenden wijken, zoals dat in de moderne Nederlandse geschiedenis altijd het geval was. Dat was staande praktijk totdat in de tweede helft van de 20ste eeuw de ontkerkelijking op gang kwam met als gevolg dat nu een meerderheid van de bevolking zegt zich niet meer te laten inspireren door het geloof. Daarom wijzen deze orthodoxe christenen ook de moderniteit af.

De paradox is dat Trouw weliswaar afstand neemt van de kritiek op het secularisme dat uit orthodox christelijke hoek komt, maar geen afstand neemt van de framing en het jargon van deze orthodoxe christenen. Hiermee neemt Trouw inhoudelijk een ruimdenkende, pluriforme positie in die door het woordgebruik en het misleidend gebruik van begrippen niet past bij de inhoud, voor verwarring zorgt en haaks op de inhoud kan komen te staan. In elk geval buitenstaanders vragen zich vervolgens af hoe vorm en inhoud, ofwel formuleringen en ideologie zich tot elkaar verhouden.

Waarschijnlijk beseffen de trouwe lezers van Trouw, de doorgaans christelijke opinieleiders die Trouw artikelen leveren en de eindredacteuren van Trouw niet hoe gedateerd en verkeerd het gebruik van dit christelijk jargon is dat steeds minder past bij de inhoud. Dit jargon als relict van een oude nestgeur blijft daar bij achter en werkt verwarrend.

Mogelijk heeft het moeizame afstand nemen van dit christelijke jargon voor Trouw ermee te maken dat de conservatieve protestante media als het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad die economische en geestelijke rivalen zijn van Trouw er nog volledig in ondergedompeld zijn. Zowel in dat oude jargon als in traditionele standpunten die ermee samengaan. Dat maakt de positie van Trouw hybride. Met de pretentie om pluriformiteit van opinies te bieden zou Trouw ook voor de eigen lezers nauwkeuriger kunnen zijn door zorgvuldig om te gaan met de begrippen die zijn geworteld in het orthodoxe christendom en die in de kern een vaak stilzwijgend beeld van vijandigheid tegenover de 21ste eeuwse samenleving uitdrukken. Van dat laatste zou Trouw afstand moeten nemen.

Trouw zou er goed aan doen om in een Code alle medewerkers regels op te leggen via geformuleerde afspraken en op de hoogte te brengen van de journalistieke kernwaarden en de ideologie van Trouw. In zo’n Code kan omschreven worden wat het verstaat onder begrijpen als ’seculier’, het ’secularisme’, ‘orthodoxie’ en ‘liberaal’. Voor alle journalisten en eindredacteuren van Trouw is dan duidelijk dat het in vorm en inhoud ondubbelzinnig de rechtsstaat en het secularisme ondersteunt. Als Trouw de nuance zoekt in de inhoud, dan kan het niet achterblijven door de nuance in het woord- en begrippengebruik achterwege te laten. Dat wringt.

Hoe is progressiviteit te verenigen met religieuze orthodoxie? Kauthar Bouchallikht en GroenLinks leggen niet uit waar ze echt voor staan

Schermafbeelding van deel interview ‘‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ met Kauthar Bouchallikht in NRC, 29 maart 2021.

Een interview in NRC met de titel ‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ wekt bij de lezer de verwachting na lezing te weten dat de geïnterviewde is gevraagd waar zij echt voor staat en zij daar een goed antwoord op heeft gegeven. Het gaat om het kamerlid voor GroenLinks Kauthar Bouchallikht die vandaag in de Tweede Kamer wordt geïnstalleerd. De interviewer is Mark Lievisse Adriaanse.

Maar de titel maakt het niet waar. Na lezing weet de lezer nog steeds niet waar Bouchallikht nou echt voor staat. Ja, ze zou uit een ‘conservatieve omgeving’ komen, maar is dat de hele verklaring als zij verbonden was aan de islamistische Moslimbroederschap en het nationalistisch-conservatieve islamitische Milli Görüş? Dat is heel wat anders dan een conservatieve omgeving, dat is de omgeving van de politieke islam.

Mark Lievisse Adriaanse doet zijn best, maar komt er niet echt doorheen. Zo wordt het vooral een human interest verhaal over een jonge vrouw die zoveel mogelijk haar eigen verleden wegschoffelt omdat zij daar geen raad mee weet.

Het zou wat anders zijn als Bouchallikht zou toegegeven dat ze vanuit haar familieachtergrond in de politieke islam verzeild raakte en daar achteraf afstand van neemt. Dan zou haar een nieuwe start gegund zijn omdat haar nieuwe inzichten een duidelijke breuk met haar verleden vormen. Maar dat doet ze niet. Het blijft nu hangen in algemeenheden dat ze een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ze valt haar verleden en haar familie niet af. Daarom wordt niet duidelijk wie de echte Kauthar Bouchallikht is. Tegelijk heeft iedereen recht op een tweede kans. Maar zij en GroenLinks maken het de radicaal-rechtse critici wel erg makkelijk door geen goede verklaring te geven. Zou blijft deze identiteitspolitiek zeuren die afleidt van de echte problemen. Dat valt haar tegenstanders, maar ook GroenLinks te verwijten.

Tegelijk is Bouchallikht verbaasd over de kritiek die ze krijgt. Maar die verbazing is verbazingwekkend. Zo zegt ze te strijden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar gaf ze bij Milli Görüş een training waar mannen en vrouwen gescheiden zaten. Daar neemt ze achteraf geen afstand van.

Ze komt met een onnavolgbaar verhaal over dwang en vrije keuze. Daarbij gaat ze voorbij aan de sociale dwang voor vrouwen om zich stilzwijgend aan te passen aan hun omgeving. Alsof die vrouwen hun kritiek in een nationalistisch-conservatieve islamitische omgeving kenbaar kunnen maken. Zo vlucht Kauthar Bouchallikht weg in vreemde verklaringen die niks met de werkelijkheid te maken hebben. Dat roept vragen op over haar vermeende wereldwijsheid.

Dat ze vrouw is, een hoofddoek draagt en feministisch zegt te zijn is niet waar het om gaat. Daar mag ze niet op aangevallen worden, maar daar kan ze zich evenmin achter verschuilen als certificaat voor haar goede bedoelingen. Men kan zich alleen maar afvragen of de kandidatencommissie van GroenLinks moeite heeft gedaan om te achterhalen wie zij echt is.

Wat Bouchallikht heeft te zoeken bij GroenLinks is een ander aspect. GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 17 maart 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht.

Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst die trouwens te laag was om rechtstreeks verkozen te worden. In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links botst Nevin Özütok, de nummer 17 op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

NRC zou er evenwichtig aan doen om een vervolg te geven aan dit interview met Bouchallikht door critici van haar als Zihni Özdil, Meindert Fennema en Nevin Özütok hun mening over haar kamerlidmaatschap en de koers van GroenLinks te vragen. Dat kan de lezer helpen om te begrijpen wat hier nou echt speelt. Het is trouwens opvallend dat die kritiek vanuit GroenLinks op Bouchallikht in het interview niet wordt genoemd. Het blijft bij het plichtmatig noemen van kritiek vanuit de hoek van De Telegraaf, terwijl de interne kritiek vanuit GroenLinks interessanter was geweest om naar te vragen. Dat is een gemiste kans.

GroenLinks heeft een slechte campagne gevoerd en zes van de 14 zetels verloren. De partij wilde graag regeren en kreeg daardoor een vaag profiel. Kauthar Bouchallikht lijkt onderdeel te zijn geweest van de reeks inschattingsfouten die het campagneteam en de partijtop hebben gemaakt. Marketing bepaalde de inhoud. Weliswaar is zij verkozen met voorkeurstemmen, maar tegelijk lijken door haar kandidatuur de grootsteedse seculier-progressieve kiezers weggejaagd te zijn richting D66. Men zou verwachten dat GroenLinks daar uitleg over geeft.

Christelijke korte lontjes belagen journalisten. Dit roept vragen op over normbesef én voorrechten van kerken

Een verslaggever van RTV Rijnmond wordt aangevallen door een kerkganger. Bron: RTL Nieuws, 28 maart 2021.

Sommige christenen laten vandaag hun ware aard zijn. Op de dag des Heren, zoals ze hoogmoedig zeggen. Enkelen belagen, bedreigen en vallen verslaggevers aan. Door wat zijn deze christelijke korte lontjes aangestoken?

Het gaat om uitzonderingen, maar het is veelzeggend. Is het onderhand niet de hoogste tijd om de voorrechten van kerken en ander gebedshuizen terug te draaien en die over te dragen aan de zich voorbeeldig en bescheiden gedragende musea die ondanks professionele organisatie en maatregelen vanwege COVID-19 dicht moeten blijven van de rijksoverheid?

Dit belagen van journalisten door kerkgangers zou niet-religieuze politieke partijen eens tot de vraag moeten brengen wat het normbesef is waar kerken hun voorrechten op baseren. Maken ze dat waar? Is het geen hoogmoed van kerkenraden en christenen in het algemeen dat ze claimen een streepje voor te hebben op andersdenkenden die de meerderheid van de bevolking vormen? Waarom geven niet-religieuze partijen steun aan de voorrechten van deze religieuze instellingen? Waarom laten niet-religieuze partijen zich intimideren door deze godsdiensten?

Dat normbesef van kerkgangers is vooral de claim om in tegenstelling tot andere maatschappelijke en culturele instellingen begunstigd te worden. Het is krom, krankzinnig en lafhartig dat in een seculier Nederland de politiek daar in zijn geheel in meegaat. Het is een achterhoedegevecht dat niet in deze tijd thuishoort. Waar zijn de partijen die het lef tonen om de voorrechten van kerken terug te schroeven en die van musea en andere kunstinstellingen te vergroten?

Sionkerk op Urk houdt zich niet aan coronaregels, maar kan dat doen door de uitzonderingspositie die het van het kabinet kreeg

De gereformeerde Sionkerk in Urk is volgens een bericht in Trouw ontevreden met het overheidsbeleid inzake de bestrijding van de COVID-19 pandemie. Zo laat de kerkenraad de afstandsregels los, omdat het tegemoet wil komen aan ‘de nood en het geestelijk welzijn’ van de gemeente. Ouderling en voorlichter H. Snoek zegt daarover het volgende: ‘We willen gehoorzaam zijn aan de overheid, maar wel in samenhang met Gods geboden. We doen dit vanwege het zielenheil van de mens.

Kerken worden naar het oordeel van het kerkbestuur achtergesteld, zo zegt het bericht van Trouw. In werkelijkheid is het omgekeerde waar. Volgens de maatregelen van de Rijksoverheid geldt er voor ‘het belijden van godsdienst of levensovertuiging’ een uitzondering voor bijenkomsten in een binnenruimte van maximaal 30 personen. Om dat te legitimeren wordt er verwezen naar de vrijheid van godsdienst. Dat is merkwaardig omdat allerlei grondrechten tijdelijk zijn ingetrokken in de bestrijding van COVID-19. Daarom is het bizar dat religieuze organisaties een uitzonderingspositie in mogen nemen van het kabinet. Het is nog absurder dat kerkbesturen in die bevoordeling een achterstelling zien. Zij zijn ermee de kijk op de realiteit kwijt. Zo geldt voor culturele instellingen, zoals schouwburgen, archieven en musea de uitzondering niet. Dit zijn doorgaans professionele instellingen met een goede organisatie die veel hebben geïnvesteerd in de ontvangst van gasten. Maar toch mogen ze niet opengaan.

Opvallend is dat in de recente publiciteit over de aanpak en maatregelen de Rijksoverheid de uitzondering die voor kerken geldt niet meer expliciet noemt. Het is onduidelijk waarom dat zo is. Maar de brede kritiek op de voorrechten van kerken die mogen wat culturele of commerciële instellingen niet mogen heeft er mogelijk mee te maken. Dit voorrecht voor kerken is slecht te beredeneren. Het is niet alleen slecht te verdedigen, maar wordt er onhoudbaar en potsierlijk op als kerken in de slachtofferrol kruipen en menen dat ze achtergesteld worden.

Het kabinet Rutte III heeft deze rechtsongelijkheid en bedreiging voor de volksgezondheid over zichzelf afgeroepen. Het kan niet ingrijpen omdat het de kerken een uitzonderingspositie heeft gegeven. Daar is de fout gemaakt. De Sionkerk in Urk of andere orthodoxe kerken in de biblebelt nemen de ruimte die het kabinet hun heeft gegeven. Deze kerken treft weinig verwijt. Dat ze niet maatschappelijk handelen, het algemeen belang van de volksgezondheid niet zwaar laten wegen en vooral op zichzelf gericht zijn was vooraf te voorzien geweest.

Dat kerken en andere religieuze organisaties voorrechten genieten is een maatschappelijk onrechtvaardigheid. Onlogisch is dat religieuze organisaties als meer gelijk worden gezien dan niet-religieuze organisaties. Ze hebben voorrechten die anderen niet hebben. Dit is des te merkwaardiger omdat artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst het kabinet een wettelijke grond geeft om in te grijpen: ‘De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid’. Waarom heeft het kabinet daar geen gebruik van gemaakt?

Voor de uitzonderingssituatie van religieuze organisaties in de bestrijding van de pandemie is geen rechtvaardiging te vinden. We mogen de kerkenraad van de Sionkerk in Urk dankbaar zijn dat het de absurditeit van het kabinetsbesluit om kerken een uitzonderingspositie te geven via een omweg onder de aandacht brengt. Het raakt aan een maatschappelijk probleem van een land waarvan de bevolking zich in meerderheid niet-godsdienstig verklaart, maar waar de godsdiensten nog proportioneel veel invloed hebben. Alsof het verleden nog voortkabbelt.

Onderzoeken over religie zijn een methodologische warboel. Minder dan helft van Britten kruist naar verwachting ‘christelijk’ aan in Britse volkstelling

Guardian graphic. Source: British Social Attitudes Survey (1983-2018)

Vandaag wordt in delen van het Verenigd Koninkrijk een volkstelling gehouden. Het vindt om de 10 jaar plaats. Schotland volgt vanwege COVID-19 in 2022. Er wordt ook een vraag over godsdienst gesteld. De verwachting is dat een kleine meerderheid van de Britse bevolking zal aangeven niet christelijk te zijn. Bij de vorige volkstelling in 2011 gaf 57,3% aan christelijk te zijn. Uit het British Social Attitudes (BSA) onderzoek uit 2018 blijkt dat zo’n 38% van de Britten verklaart christen te zijn. Dat is eeen aanzienlijk verschil in uitkomsten dat minder lijkt te zeggen over de demografische ontwikkeling van de Britse bevolking dan over de validiteit van de bevolkingsonderzoeken.

Een artikel in The Guardian onttrekt zich niet aan de methodologische verwarring door allerlei categorieën door elkaar heen te gebruiken. Want ‘niet christelijk’ en ‘niet religieus’ zijn geen exclusieve categorieën.

Ook wordt de vraagstelling van eerdere onderzoeken naar levensovertuiging bekritiseerd omdat het de zogenaamde ‘culturele christenen’ niet onderscheidt van belijdende christenen. Volgens recente kritiek van de Britse Humanisten leidt dat tot een te rooskleuring beeld van de christelijke aanhang. Het heeft onderzoek laten verrichten waaruit blijkt dat meer dan de helft van de mensen die verklaren christen te zijn niet of minder dan een maal per jaar een kerk bezoeken. Voor andere religies ligt dat percentage op 43%.

Hoe logisch is het dat deze grote minderheden van ‘culturele gelovigen’ binnen het christendom en andere godsdiensten aangeven tot betreffende godsdienst te behoren terwijl ze de regels van die godsdiensten niet volgen? Dat roept de vraag op tot op welk punt een geloof verwaterd kan worden om nog een geloof genoemd te kunnen worden en degene die zich erdoor laat inspireren een gelovige. Dat is financieel en economisch van belang omdat uit een volkstelling aspecten over planning, bouw van kerken en stedenbouw worden afgeleid.

De bovenstaande grafiek uit het BSA onderzoek is verwarrend en vertekenend omdat het allerlei categorieën door elkaar haalt: ’niet religieus’, ’Anglicaans’, ‘ander christelijk’, ‘katholiek’ en ’niet christelijk’. Die verwarring komt altijd terug in dit soort onderzoeken, ook van het Nederlandse CBS. De grootste groep ’niet religieus’ wordt niet onderverdeeld, terwijl dat voor christenen of religieus geïnspireerden van andere godsdiensten wel gebeurt. Dat heeft als gevolg dat mensen die ’niet religieus’ zijn zich in de vraagstelling lastiger kunnen identificeren.

In een commentaar naar aanleiding van het onderzoekReligie in Nederland’ van het CBS schreef ik in december 2020: ‘Afgemeten aan het Godsbeeld gelooft dus ruwweg tegen de 70% van de Nederlanders niet ondubbelzinnig in de God van de Nederlandse religie. Er gaapt een gat van ongeveer 15% met de berekening van het CBS als het zegt dat 54% van de Nederlanders zich niet laat inspireren door religie. Met wat wordt dat gat gevuld? Met ‘culturele’ gelovigen die niet geloven? In dit onderzoek lopen allerlei categorieën, indelingen en begrippen door elkaar heen. Wat is nou de echte slotconclusie? Er valt aan deze sociologie van appels en peren met elkaar overlappende uitspraken geen touw vast te knopen. Het nadert het niveau van broddelwerk. De vraag die onderzoek en analyse van de cijfers vooral oproept is waarom het CBS geen goede methode heeft ontwikkeld om de sociologische ontwikkelingen goed te beschrijven, te onderscheiden en te duiden. Dat is het grote raadsel van dit onderzoek.’

Onzorgvuldige onderzoeken kunnen vehikels zijn om leugens te verspreiden. Vooral als het gaat over onderzoeken naar de levensovertuiging van mensen zijn de methodologische onzorgvuldigheden niet van de lucht. Dat hoeft geen moedwil te zijn van de onderzoekers, maar kan een gevolg zijn van het probleem om mensen over hun levensovertuiging een eerlijk antwoord af te dwingen. Wellicht is de ondervraagden onvoldoende uitgelegd wat de begrippen betekenen zodat ze er verschillende voorstellingen over hebben wat een geloof is. Wellicht zorgt hun cultureel conservatisme voor een maatschappelijk gewenst antwoord waarvan ze zelf weten dat het achterhaald is. Maar juist dan zou dat cijfer door statistisch onderzoek gecorrigeerd moeten worden. In zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk lijkt in statistieken over religieuze betrokkenheid en oriëntatie van mensen een vertekening van ongeveer 10 tot 15% te bestaan die de religieuze aanhang te hoog inschat.

Op de bres voor ex-moslims. Islamofobie kan tot hervorming van islam leiden en emancipatie en bevrijding van moslims

Schermafbeelding van deel artikelHelpen sommige vormen van islamofobie ons juist vooruit?’ op Bladna.nl, 19 maart 2021.

Een harde conclusie in een artikel over islamfobie in Nederland in Bladna.nl, een nieuwswebsite voor Marokkanen in Nederland en België die nauw verbonden is aan de Marokkaanse nieuwsorganisatie Bladi.net die internationaal georiënteerd is. Aanleiding is de situatie van de Turks-Nederlandse ex-moslim Lale Gül die bedreigingen kreeg uit islamitische hoek vanwege uitspraken in haar boek.

Moslims zitten in Nederland gevangen tussen een rechts dat liever de islam en moslims basht en ex-moslims ook niet helpt, en een links dat deze ex-moslims ook niet helpt omdat zij wil opkomen voor de islam en voor moslims en daardoor de problematiek van ex-moslims moet negeren. Misschien kan het luisteren naar stemmen als die van Lale Gül ons er juist aan herinneren dat er nog een hele wereld te winnen is.

Wellicht is het makkelijk voor een Marokkaans-Nederlandse site om vrijuit over een Turks-Nederlandse kwestie te spreken. De term islamofobie wordt genuanceerder en positiever opgevat dan doorgaans in de publieke opinie gebeurt. Bladna citeert Lale Gül: “Ik beschouw mezelf als islamofoob, in die zin dat ik angstig ben voor de uitdijende invloed van de islam hier“. Het voegt daar aan toe: ‘Dit is een gevolg van allerlei zaken om haar heen, zoals de onderdrukking in islamitische landen en de mislukte pogingen om de islam te moderniseren.’

Het is de oude klacht dat links wegkijkt voor de problemen van ex-moslims. Links neemt het op voor de vaak conservatieve islam en laat de doorgaans linkse en vrijzinnige ex-moslims in de steek. Beredeneerd vanuit links valt dat niet te begrijpen. In Nederland ageren alleen enkele niches binnen links hiertegen. Ze nemen het als enigen structureel op voor ex-moslims of ‘culturele moslims’ die mentaal allang hun religie de rug hebben toegekeerd, maar daar uit angst voor de islamitische gemeenschap niet publiekelijk voor uit durven komen. Deze niches bestaan onder meer uit ex-PvdA’er Eddy Terstall en het ‘seculiere’ Vrij Links dat de oude universele waarden waarop de sociaal-democratie was gebaseerd in ere wil herstellen en feministes die voornamelijk voor de vrijheid van vrouwelijke ex-moslims opkomen die het dubbel zo moeilijk hebben.

Ehsan Jami met T-shirt, 200

Een gevolg van dat stigmatiseren door rechts en wegkijken van links is dat er geen inhoudelijk debat is over de islam, de ex-moslims en de vrije keuze om uit de islam te treden. Een gevolg daar weer van is dat er in Nederland geen goed beeld bestaat van de islamitische gemeenschap en het aantal moslims. Ook de media doen niet hun best om dit beeld te nuanceren. Met als gevolg dat het radicaal-rechts in de kaart speelt en de ex-moslims en progressieve moslims in de steek laat. Volgens het CBS verklaarde in 2019 zo’n 5% van de bevolking islamitisch te zijn. Dat zijn omgerekend 875.000 mensen (boven de 15 jaar).

Dit getal ligt waarschijnlijk veel lager. Schattingen van het aantal belijdende moslims komen lager uit, op zo’n 350.000 mensen. Dat zou inhouden dat in Nederland niet 5%, maar 2% van de bevolking islamitisch is. De ‘vernederlandsing’ of afvalligheid of secularisatie bij de tweede generatie van mensen uit een islamitische cultuur wordt geschat op 15%, maar is waarschijnlijk hoger. Maar in de beeldvorming dringt het niet door.

Een bizarre kongsi van radicaal-rechtse partijen (ooit de LPF, PVV, FvD), linkse partijen die vanuit slachtofferdenken jarenlang aanschurkten tegen de goed georganiseerde conservatieve islam (vooral PvdA), christelijke partijen die een parodie maken van het secularisme en de gevolgen van de ontkerkelijking proberen te neutraliseren, de werkgevers die rust en overzicht wilden en makkelijk te bereiken aanspreekpunten die onder druk konden worden gezet en de islamitische organisaties die zich hebben weten te institutionaliseren en verzuilen met bewuste medewerking van de gevestigde politiek is er de reden voor dat in Nederland het besef onvoldoende doorgebroken is dat dat niet alle moslims in Nederland hetzelfde zijn en zelfs niet eens altijd de islam aanhangen. De wereldvreemdheid over de islam is in Nederland groot.

Die lagere schatting zou vrijzinnige moslims én ex-moslims adem geven en ze niet op een hoop vegen met de orthodoxe en radicale moslims die gaan voor herzuiling en apartheid, en alles bij het oude willen laten. De conservatieve en activistische moslims onderdrukken de vrijzinnigen in eigen kring. Dat is iets van alle religies, maar het verschil is dat zowel links als rechts Nederland de ex-moslims en de progressieve moslims buiten incidenten als Ehsan Jami of Lale Gül niet ziet staan en akelig in de steek laat. Nu al decennia lang.

Nu al valt te voorzien dat een lokale vertegenwoordiging van de QAnon-beweging pogingen onderneemt om geaccepteerd te worden als officiële godsdienst

Is er een misverstand in de sociale wetenschappen over de aard van het huidige rechts-terrorisme in opkomst? Missen deze onderzoekers het besef dat de populaire QAnon-beweging die vele rechts-terroristen aanhangen niet zozeer een ‘complottheorie’, maar een religie is? Dus de Kerk van QAnon.

Wellicht is deze beweging ontstaan als een sekte en leent het als een kind uit de snoepwinkel van het christendom, maar als het zich wijzigt in een samenhangende godsdienst met geloofsartikelen, interne organisatie, een openbaring, Q als opperwezen en een messias die komen zal, die werkt volgens de criteria overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang die de rechter er aan kan stellen, dan is QAnon een volwaardige godsdienst als alle andere. Een nu aanvaarde godsdienst als het christendom is ook als sekte onder politieke tegenwerking begonnen.

Ik kom tot deze opmerking na lezing van een artikelRight-Wing Terror: A Fifth Global Wave?’ uit 2020 van Vincent A. Auger dat over de relatie van religie en rechts-terrorisme onder meer stelt (p. 91): ‘Perhaps reflecting this evolution, in detailed discussions of how to define right-wing terror, neither Jones nor Freilich identify modern right-wing terrorists as religious in nature.

Maar focussen deze onderzoekers niet te veel op de relatie en overlap van de rechts-extremistische elementen van het christendom met het rechts-terrorisme waardoor ze het ontstaan van de nieuwe godsdienst QAnon missen? Want als rechts-extremisten op een onsamenhangende wijze elementen ontlenen aan het christendom wil dat nog niet zeggen dat de QAnon-beweging zelf niet religieus van aard is. Er is trouwens volop overlap tussen christendom en QAnon, de helft van de witte evangelicals is het eens met de uitgangspunten van QAnon volgens onderzoeker Paul Djupe.

Wellicht is het bij deze onderzoekers niet zozeer een wetenschappelijk, maar een maatschappelijk taboe om een politieke beweging als QAnon die er ook nog eens extremistische standpunten op nahoudt in aanmerking te laten komen als kandidaat-godsdienst omdat het zowel een concurrent van buitenaf als een nestbevuiler van binnenuit van de bestaande godsdiensten is. Dat is een mogelijke verklaring voor de maatschappelijke weerstand die bestaat om nieuwe godsdiensten toe te laten treden tot de lucratieve religiemarkt.

Nu al valt te voorzien dat binnen afzienbare tijd ergens ter wereld een lokale vertegenwoordiging van de QAnon-beweging pogingen onderneemt om geaccepteerd te worden als officiële godsdienst. Zoals dat de afgelopen decennia ook gebeurde met onder meer de Scientology Kerk of de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Hoe verschillend deze godsdiensten ook zijn: commercie (Scientology), satire (Vliegend Spaghettimonster) of politieke agitatie (QAnon). Maar godsdienst is een vorm.

De beslissing of de Kerk van QAnon wordt toegelaten als godsdienst kan per land verschillen. Hoe ruimer de grenzen van het secularisme opgevat worden, hoe minder sterk de politieke macht van de bestaande godsdienst ter plekke is en hoe beter een lokale Kerk van QAnon zich maatschappelijk en juridisch weet te presenteren, hoe aannemelijker het is dat de Kerk van QAnon wordt aanvaard als godsdienst. De logica is dat godsdiensten allerlei fiscale, politieke en andersoortige voordelen genieten en het daarom aantrekkelijk is voor een beweging om zich officieel als godsdienst te laten registreren. Juist als QAnon gecensureerd wordt zal het de juridische bescherming van een godsdienst zoeken.

Foto 1: QAnon-vuur.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelRight-Wing Terror: A Fifth Global Wave?‘ van Vincent A. Auger in: PERSPECTIVES ON TERRORISM Volume 14, Issue 3, juni 2020. Uitgave van de Universiteit van Leiden.