Voorlichters onttrekken falend openbaar bestuur Rotterdam aan het zicht

Laten we het eens hebben over de bestuurbaarheid van de grootste gemeenten van Nederland. Hebben we er een goed beeld van? Die vraag stellen is de vraag beantwoorden. De afdelingen communicatie van de grote steden zijn zo opgetuigd en vol woordvoerders, voorlichters en beleidsambtenaren gestopt dat het onmogelijk is om een beeld te krijgen van wat er echt aan de hand is. Daartegenover is de regionale journalistiek uitgekleed en heeft die onvoldoende middelen om de politiek goed te volgen. Burgers worden overspoeld met gemeentelijke advertenties en brochures die vooral uitblinken in borstklopperij over de fantastische prestaties van het gemeentebestuur. Geen kritische burger die het nog leest, laat staan gelooft, zodat dit soort voorlichting nog slechts op twee doelgroepen is gericht: de slecht geïnformeerde burger die alles voor zoete koek slikt en de gemeentelijke organisatie die zelfbevestiging zoekt om de eigen onzekerheid te verbergen.

De op burgers gerichte voorlichting in grote gemeenten is een manifestatie van de stammenstrijd in het gemeentebestuur. Wethouders zoeken met hun voorlichters, beleidsambtenaren en politieke assistenten de publiciteit om elkaar de loef af te steken. Ze proberen ermee hun positie te versterken. Ze spelen politicusje, terwijl ze in het duale stelsel toch bestuurders en managers zijn. Burgers die wordt lastiggevallen met al die ronkende ‘persmomenten’, persberichten, voorlichtingsfilmpjes en toekomstplannen zijn in dubbel opzicht de klos. Want voorlichting die vooral dient om bestuurders in het zonnetje te zetten kost belastinggeld dat ze zelf moeten ophoesten en het levert een beeldvorming op die valt te kenschetsen als een reisje fantasieland. Dat wil niet zeggen dat er geen gemeentelijke voorlichting bestaat die zakelijk en zinvol is, maar die wordt steeds minder belangrijk. Daarnaast hebben wethouders door de polarisatie van de politiek in de grote steden een prima verdediging om niet serieus in te gaan op kritiek. Want die kan worden afgedaan als partijdig.

Rotterdam is de gemeente waar schijn en werkelijkheid het meest uiteen zijn gaan lopen. Het openbaar bestuur van Rotterdam is niet meer wat het pretendeert te zijn, namelijk doelmatig en oplossingsgericht. De gemeentelijke organisatie is in haar tegendeel verkeerd. Als er iets rauw is aan Rotterdam, dan zijn dat vooral de omgangsvormen binnen stadsbestuur en gemeentelijke organisatie. Het bestuur van de spreekwoordelijke werkstad blinkt uit door regelgeving, indekken van risico’s binnen de ambtelijke organisatie en het op veilig spelen. Dat leidt tot ondoelmatigheid, onnodige procedures en doorgeschoten bureaucratie. Het valt samen te vatten als omslachtig en krampachtig. Het motto van het bestuurlijke Rotterdam is ‘Lullen, maar niet poetsen’.

Van de grote gemeenten heeft Rotterdam met afstand de meeste wethouders, namelijk 10. Amsterdam en Den Haag hebben 8, Utrecht en Groningen 7, Eindhoven en Tilburg 6 wethouders. Zo kent Rotterdam in Michiel Grauss (CU-SGP) een wethouder met de portefeuille ‘Armoedebestrijding, schuldenaanpak en informele zorg’ waarbij het de vraag is hoeveel uren in de week deze bestuurder hiermee bezig is. Uiteraard heeft Grauss een secretariaat, woordvoerder en politiek assistent. Van deze laatste abnormaliteit kijkt niemand meer op, maar abnormaal is het wel dat een bestuurder van een grote stad een politiek assistent moet hebben. Ook nog eens voor zo’n onbenullig takenpakket dat louter om politieke redenen bijeen is geraapt.

Ook wethouders van grotere partijen hebben in Rotterdam last van profileringsdrang. Ze zitten in elkaars vaarwater omdat er gewoonweg teveel wethouders zijn en te weinig beleidsterreinen. Zo figureerden twee wethouders op dezelfde dag, 19 juli 2019 in een persbericht over hetzelfde onderwerp: schone lucht. Ook nog eens wethouders van dezelfde partij, namelijk GroenLinks. Wat voor morsige indruk van overbodigheid en ondoelmatigheid dit maakt bij de Rotterdammers is geen onderwerp waar het huidige college zich zorgen over lijkt te maken. Zo strompelen wethouders voort in hun dillentalisme, op de been geholpen en aan het echte zicht onttrokken door hun woordvoerders, voorlichters, communicatieafdeling en politieke assistenten.

Foto 1: Presentatie op Rotterdam.nl: ‘Het college van burgemeester en wethouders vormt het dagelijks bestuur van Rotterdam’.

Foto 2: PersberichtRotterdam zet in op schone lucht’ van de Gemeente Rotterdam, 19 juli 2019.

Foto 3: PersberichtRotterdam zet belangrijke stappen voor schonere lucht en CO2-reductie’ van de Gemeente Rotterdam, 19 juli 2109.

Extreme bezorgdheid over extreme hitte. Nederland ontwaakt uit de zekerheid van gematigdheid. Van het klimaat en de reactie erop

Er is extreme hitte op komst in Nederland. In hedendaagse termen: ‘code rood’. Hitteplannen die ooit in de kast werden gestopt moeten er nu uitgetrokken worden omdat het naar verwachting meer dan 35 graden wordt. Er klinken waarschuwingen voor spoor, strand, verzorgingshuizen en weg. In hedendaagse termen: ‘protocollen’. Waar komt de extreme bezorgdheid vandaan? Voor vele landen zijn hoge temperaturen dagelijkse werkelijkheid. Nederland ontwaakt uit de zekerheid van gematigdheid. Van het klimaat en van de reactie erop. Alles is betrekkelijk. ‘Zomerse hitte. Vrouw in geruite zomerjurk dept voorhoofd met een zakdoekje. Nederland, 1950-1960’, luidt het onderschrift bij de foto van Walter Blum. Een dramatisering van hitte in de studio. Een stockfoto voor het geval de temperatuur opliep. Een tijdsbeeld van hitte toen hitte nog geen ‘code rood’ was en mensen minder dan nu in hun gedrag van bovenaf werden gestuurd en bang werden gemaakt voor temperaturen van meer dan 35 graden. Kwestie van zakdoekjes of watjes? Wat is vooruitgang?

Foto: Walter Blum, ‘Zomerse hitte. Vrouw in geruite zomerjurk dept voorhoofd met een zakdoekje. Nederland, 1950-1960.’ Collectie: Fotografen De Spaarnestad

Gedachten bij de foto ‘Marsh Farm in Early Spring’ (1893) van Peter Henry Emerson

Deze fotogravure uit 1893 schreeuwt het uit dat het landleven hard is. Een verre echo van de hedendaagse industrialisatie of verhobbysering van het platteland waar nog slechts twee smaken bestaan: de fabriek of de boerderette. Het begrip ‘Hard labeur’ brengt het terug tot de kern. Die omschrijving roept de associatie op met de gelijknamige streekroman van Reimond Stijns uit 1904. Hard werk in povere omstandigheden.

Fotograaf Peter Henry Emerson publiceerde in 1893 On English Lagoons waar deze fotoMarsh Farm in Early Spring’ uit afkomstig is. De voorstelling wordt door de fotograaf meestal van korte afstand in scherpe focus geportretteerd, maar in dit voorbeeld juist niet vanwege de geringe scherptediepte. Niet het paard en de boer zijn scherp in beeld, maar het midden van de huizen en schuren in de achtergrond. Man en paard worden geesten. Deep-focus fotografie ontstond pas 40 jaar later door technische innovatie. Emerson volgt wat zijn eigen oog in de natuur ziet. De streek is ‘The Norfolk and Suffolk Broads’, sinds 1989 het Broads National Park aan de Engelse Noordzeekust en het grootste beschermde wetland van het land. Moerasland dus. ‘Zijn foto’s zijn vroege voorbeelden van het promoten van fotografie als kunstvorm’, is de samenvatting.

De ‘goede oude tijd’ is hier ver te zoeken. Nostalgie wordt de pas afgesneden. Het geploeter van de boer uit 1893 doet pijn. De lente is in aantocht, maar voorspoed kondigt zich niet aan. Emerson legde de sfeer vast.

Foto: Peter Henry Emerson, ‘Marsh Farm in Early Spring’, 1893. Uit: On English Lagoons. Fotogravure.

Kunstenaar Gary Flemmons in Austin, Texas protesteert tegen Trump. Reacties worden ingegeven door politieke voorkeur alleen

In politiek moeilijke tijden toont zich de functie van kunst het best. In Austin, Texas maakt kunstenaar Gary Flemmons in eigen tuin zijn ‘Trump Tower’. Hij heeft kritiek op ‘de crisis aan de grens’ en het regeringsbeleid dat migranten onder erbarmelijke omstandigheden in detentiecentra opsluit. Zijn werk wordt door omroep KVUE ‘controvesial art’ genoemd. Vraag is hoe normatief die etikettering is en of het zorgvuldige journalistiek niet te buiten gaat. Anderzijds krijgt KVUE kritiek omdat het aandacht aan Flemmons en zijn werk besteedt.

Op de Facebook-pagina van de omroep lokt een posting over dit onderwerp meer dan 300 reacties uit. Vele ervan zijn voorspelbaar, ze betwijfelen of Flemmons een kunstenaar is en of hij kunst maakt. De kloof die door de Amerikaanse samenleving loopt wordt zo naadloos vertaald in de goed- of afkeuring voor Flemmons.

Zo blijven er in een gepolariseerde samenleving maar twee smaken over. Men is het volledig eens of oneens met hem. Er lijkt geen ruimte voor opinies die het eens zijn met de politieke analyse van Flemmons, maar zijn uitvoering belabberd vinden. Om dat op te merken moet men waarschijnlijk een buitenstaander zijn.

Toenemende binnen- en buitenlandse zorgen over fascisme in VS

Ooit begrepen wat de Duitstalige filmregisseurs Ernst Lubitsch, Fritz Lang, Billy Wilder, Fred Zinneman of Otto Preminger in de VS deden? Losgeknipt van hun moedertaal? Ze werden opgenomen vanwege hun meerwaarde. Ze kwamen graag naar dat beloofde land omdat ze in hun land van herkomst geen kansen kregen.

Dat was jarenlang de logica en het winstmodel van de VS. Talenten van andere landen in kunsten, wetenschappen en economie voegden waarde toe aan de VS. Zo kon de VS profiteren van de talenten die op kosten van andere landen waren opgekweekt. Ze werden weggekocht of wisten zelf hun weg te vinden.

Hoe anders is dat onder president Trump die een wit, christelijk nationalisme predikt waar geen plek is voor religieuze of etnische minderheden? Trump is hoe dan ook binnen 1,5 of 5,5 jaar weg. Maar wat is er dan van dat open land geworden dat zich ooit afficheerde als exceptioneel en grootste democratie ter wereld?

De democratische instituties kraken in hun voegen. Openbaar bestuur en gerechtshoven worden gepolitiseerd. De partijpolitiek is tot op het bot verziekt, niet functioneel en in de greep van big money. Een minderheid van de bevolking van meer dan 40% juicht als groupies de racistische uitspraken van Trump met instemming toe.

Bondgenoten slaan het met verbazing gade hoe een land met zichzelf op de loop gaat. In een cultbeweging. Regeringsleiders als premier Theresa May of kanselier Angela Merkel keuren Trumps racistische uitspraken af.

De dorpsgek is niet alleen de baas, maar niemand in zijn omgeving kan nog een matigende invloed op hem uitoefenen. Het gaat van kwaad tot erger. Hoe beïnvloedt dat het (zelf)beeld van een land waar de hemel de limiet was? Voor nu, maar ook voor de toekomst over 10 of 20 jaar? Wat wordt er nu kapotgemaakt?

Het antwoord op dit ontluikend fascisme is geen radicalisering zoals de geschiedenis van de Weimar Republiek leert, maar samenwerking in het centrum. Dat moet lukken als de Democratische partij handig opereert. Een andere historische parallel is het fenomeen van de ‘Innere Emigration’. Tijdens Hitler trokken kunstenaars en wetenschappers zich uit lijfsbehoud terug in eigen kring. Nu is het omgekeerd, aanhangers van het witte, christelijke nationalisme die in Trump een woordvoerder vinden nemen afstand van hun land en voeren de VS vanuit hun eigen kring in een ‘inner emigration’ die haaks staat op de ziel van het land. Hoelang blijven banken en multinationals stil als dit racisme steeds harder gaat klinken? Zijn Apple en Google de Krupp van nu? Zo probeert een binnenlandse minderheid een meerderheid haar wil op te leggen. Dat kan demografisch niet lukken, maar hoelang de worsteling duurt is onduidelijk. De zielenstrijd is pas begonnen.

Cultuurnota ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht bevat weeffout omdat het een waardeoordeel over kunst geeft

In juli 2019 verscheen de Cultuurnota 2021-2024 ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht. In een commentaar van 3 juli 2019 toonde ik begrip voor de kritiek van Henk Westbroek over het Berlijnplein in stadswijk Leidsche Rijn. Hij sprak over ‘stadskunst‘. Mijn slotsom: ‘Het stadsbestuur moet wegblijven van de inhoud. Ook indirect via organisaties die het subsidieert’. In een toelichting op de Cultuurnota heeft de verantwoordelijke wethouder Anke Klein het over aanmoedigen en gedragsbeïnvloeding van kunstenaars. ‘Nudging’ dus, dat middel uit de timmerkist van hedendaagse bestuurders dat de inhoud bepaalt onder het mom dat die uitsluitend voortkomt uit het gedrag van de burgers. Dat is een valse voorstelling van zaken. Klein doet in de Cultuurnota niet aan ‘nudging’, maar aan sturing via beleidsmaatregelen. Mijn commentaar bij het artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’:

De Cultuurnota bevat in de kern een weeffout. Het blijkt voor het stadsbestuur een lastige opgave om tegelijk aan de zijlijn te staan en tegelijk te willen sturen. De fout die wethouder Klein maakt is dat ze zich niet terughoudend opstelt. Ze wil de kunst gebruiken om de samenleving te veranderen, of die een afspiegeling van de samenleving te laten zijn. Maar hiermee rekt ze haar mandaat op. Dat is niet haar taak.

Als vanouds is in het Nederlands openbaar bestuur het adagium van Thorbecke leidend: ‘De kunst is geene regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’ Ofwel, de overheid moet de kunst steunen, maar er geen waardeoordeel over geven.

Wie de Cultuurnota leest struikelt over de waardeoordelen en de sturing. Dat bracht Henk Westbroek in een uitgesproken column onlangs tot de terechte vraag of hier geen sprake is van ‘stadskunst’. Daar lijkt het sterk op. Dat is ongelukkig en ongewenst. Het stadsbestuur wil blijkbaar zo graag het goede doen, dan het het foute doet. Het stadsbestuur dient de voorwaarden voor kunst te scheppen, maar zich te onthouden van oordelen.

In hoofdstuk 1.3.2. over ‘een inclusieve cultuursector’ staat zo’n oordeel dat in tegenspraak is met de opvatting van Thorbecke: ‘Met zo’n grote diversiteit is het, in een stad die bovendien groeit, de uitdaging niet uit elkaar te groeien. Kunst en cultuur kunnen daarbij een rol spelen, juist door verbindingen aan te gaan. Dat maakt inclusiviteit voor deze sector extra belangrijk. Kunst en cultuur zijn bij uitstek in staat alle inwoners van de stad aan te spreken, met verschillende verhalen en cultuurvormen.

De Cultuurnota introduceert verwarring door te spreken over zowel kunst als cultuur. Kunst en cultuur worden op dezelfde hoop gegooid terwijl ze verschillende functies hebben. Dat is een ongelukkige, en ook wel kwaadaardige begripsverwarring en -vervaging. Cultuur verbindt en heeft een sociale component die ingezet kan worden om politieke doelen te bereiken. Maar dat geldt niet in de meest gangbare opvatting over kunst.

Kunst die voor politieke doeleinden wordt gebruikt houdt op kunst te zijn. Wethouder Anke Klein en haar beleidsambtenaren verliezen in deze Cultuurnota de functie van kunst uit het oog. De Cultuurnota maakt kunstenaars onnodig afhankelijk van de gemeentelijke overheid. De Cultuurnota wil de kunst temmen en in lijn met het overheidsbeleid brengen.

Hiermee wordt het voor kunstenaars die afhankelijk zijn van de voorzieningen die door overheidssubsidie worden gerealiseerd lastig gemaakt om zich in alle vrijheid tot die overheid te verhouden Kunstenaars moeten zich voegen in deze Cultuurnota. Het helpt niet als daar ‘onafhankelijke’ beoordelaars tussen worden gezet omdat de overkoepelende en inkaderende Cultuurnota de sturing blijft geven.

Het valt te hopen dat de leden van de Utrechtse gemeenteraad kritische vragen stellen over de Cultuurnota in het besef dat de overheid geen waardeoordeel of sturing moet willen geven aan de kunst, maar dat met deze Cultuurnota wel beoogt. De raad moet beseffen dat de Cultuurnota een weeffout bevat en dient bij zichzelf te rade te gaan of het dat gewenst vindt. Dat is geen debat over links of rechts, of over pro of contra de zittende coalitie. Dit is een debat over de functie van kunst.

Daarnaast bevat de Cultuurnota tegenstrijdige uitgangspunten die met elkaar in tegenspraak zijn. Want hoe kan kunst tegelijk ‘experimenteel’ en ‘voor iedereen’ zijn? Dat is als de kwadratuur van de cirkel, namelijk een vraagstuk dat onoplosbaar is. Wethouder Klein doet met deze Cultuurnota alsof de verschillende doeleinden die met elkaar in tegenspraak zijn verenigbaar zijn.

Of dat voortkomt uit gemakzucht, intellectuele luiheid, een doorgeslagen politiek compromis waardoor geen echte keuzes kunnen worden gemaakt valt te bezien, maar dat maakt voor de weging van de kwaliteit van de Cultuurnota weinig uit. Die bevat een weeffout en deugt niet.

Kunstenaars moeten zelf kunnen uitmaken of ze inclusief, exclusief, excessief, obsessief of passief willen zijn. Daar gaat de overheid niet over en daar moet de overheid zich niet mee willen bemoeien. De overheid moet voorwaarden scheppen. En anders niks.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’’ op DUIC, 16 juli 2019.

Racisme is opgeschoven tot in het Witte Huis (1925-2019)

De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit op dezelfde manier. Op 8 augustus 1925 was er een optocht van de Ku Klux Klan in Washington DC langs het Witte Huis. Met 60.000 deelnemers die van de gemeente niet hun ‘signature mask’ mochten dragen. Gezichten toonden zich onverhuld. Een lastige afweging voor het openbaar bestuur om de vrijheid van demonstratie af te wegen tegen de respectabiliteit, het machtsvertoon en de publicitaire winst die dit voor de Ku Klux Klan opleverde. In 1926 werd de optocht herhaald. Zo werden witte suprematie en vreemdelingenhaat ‘gelegitimeerd’ met een scheut christendom. In de hoofdstad van de VS. Die cocktail leek zijn beste tijd te hebben gehad, maar recente uitlatingen van president Trump geven aan dat die gedachte een illusie is. Het racisme loopt nu niet meer in protest langs het Witte Huis waar in 1925 president Calvin Coolidge resideerde, maar heeft zich er openlijk geïnstalleerd in de persoon van president Trump.

Foto 1: Optocht van Ku Klux Klan op 8 august 1925 in Washington DC. Collectie: Library of Congress.

Foto 2: Optocht van Ku Klux Klan op 8 august 1925 in Washington DC.

Overpeinzing bij foto ‘Statue of Liberty at Night’ (1889)

De vrijheid flikkert met het gevaar te doven. Is zo’n uitspraak te zwaar aangezet of is dat het nieuwe normaal waarmee we moeten leven? Een Amerikaanse president komt uit de kast als volbloed racist. Europese politici keren zich tegen journalistiek, kunsten en wetenschap. In het Verenigd Koninkrijk helpt de heersende klasse zichzelf om zeep en laat zich opjagen door beroepsonruststokers. Wat 30 jaar geleden vanzelfsprekend was, is dat niet meer. De muur die gevallen is wordt weer opgebouwd. Optimisme over technologie en menselijk kunnen om een man op de maan te zetten is veranderd in pessimisme. Niet overal, maar wel in Europa. De kortademigheid van de publieke opinie werkt benauwend. Angst neemt ons in een greep. Tegelijkertijd gaat het ons goed. We eten heerlijk en genotvol onze planeet op en zien gletsjers smelten, de zeespiegel stijgen, de temperatuur toenemen en het klimaat veranderen. Maar we gedijen. Voorspoedig groeien we over onze grenzen. Niemand gaat meer terug. Weten we waar we staan? De nacht valt. Wanneer wordt het ochtend?

Foto: Seneca Ray Stoddard, ‘Statue of Liberty at Night’, 1889.

Hoe verhouden sociologie en economie zich tot elkaar? Platform De Nieuwe Winkelstraat DNWS kijkt naar toekomst van de winkelstraat

De toelichting bij de video zegt: ‘Platform De nieuwe winkelstraat (DNWS) is een (onafhankelijk) kennis- en netwerkcentrum dat zich richt op de toekomstbestendigheid van Nederlandse winkelgebieden. Daarvoor werken we nauw samen met partnerorganisaties uit alle relevante sectoren.’ Moeten we vrolijk of depressief worden van het filmpje? Ik twijfel. In elk geval is het een prima poging om het wereldrecord cliché gebruik te breken. De Nederlandse winkelstraat kan wel een opknapbeurt gebruiken. De sociologie van de (winkel)straat wordt door de verschillende gesprekspartners teruggebracht tot een Bedrijven Investeringszone (BIZ). Of zo’n economische invalshoek ‘toekomstbestendig’ genoeg is om de winkelstraat te redden valt niet te voorzien.

Als Democraten niet gaan samenwerken en gelederen sluiten, dan vergroten ze Trumps winstkansen in 2020. Oproep tot urgentie

Het door de Russische overheid gefinancierde en gecontroleerde RT (voorheen Russia Today) speelt graag in op verdeeldheid in westerse landen. Of die verdeeldheid echt of vermeend is. Daarom besteedt RT aandacht aan gele hesjes, protesten tegen immigratie, de opkomst van extreem-rechts of in het recente verleden de rechtszaken tegen Chelsea Manning of Julian Assange. Nu is er sinds begin 2019 een nieuw heet hangijzer, namelijk het handjevol Democratische progressieve of radicaal-linkse vertegenwoordigers in het Huis van Afgevaardigden dat vanuit het perspectief van identiteit politiek meent te moeten bedrijven en daarbij in conflict komt met het leiderschap, vooral voorzitter Nance Pelosi. Maar de radicalen vormen een minderheid.

Realiteit is dat bij de tussentijdse verkiezingen in 2018 de winst van bijna 40 zetels door de Democraten werd behaald met gematigde kandidaten. Voor de Senaat probeert het leiderschap van de Democratische partij dit succesvolle scenario te herhalen door Amerikaanse helden te kandideren. De zelfverzekerde progressieven hebben veel volgers op sociale media en steun van linkse media. Ze kunnen niet vervreemd worden omdat de progressieve basis nodig is om Trump te verslaan. Hoewel de stemmen in Californië of New York niet van belang zijn voor de winst in het Electoral College dat in staten wordt beslist waar identiteitspolitiek relatief onbelangrijk is, maar ‘keukentafel’-onderwerpen als gezondheid of sociaal-economie de doorslag geven.

Dat alles zou geen bezwaar zijn als er geen president Trump was. Maar hij is er wel. Hoewel de peilingen tonen dat Trump in 2020 van alle belangrijke Democratische kandidaten verliest is een voorwaarde daarvoor dat de Democratische partij niet verdeeld raakt zodat een groot deel van de achterban niet gaat stemmen. Daar ligt de kans van Trump die kan rekenen op een trouwe achterban. Het gehakketak tussen Pelosi en de progressieve vrouwen is koren op de molen van Trump. Dat verzwakt de Democratische partij. Het is een kwestie van prioriteit. Zetten de Democraten eerst alles op alles om Trump met gematigde kandidaat als Joe Biden, Elizabeth Warren of Kamala Harris te verslaan en vechten ze daarna hun onderlinge strijd uit of doen ze dat tegelijk? Het risico van dat laatste is dat Trump de lachende derde is en zo een tweede termijn wint, het risico van het eerste is voor de progressieven dat hun momentum voorbijgaat en ze ingekapseld raken.

Men zou hopen op een wapenstilstand waarin de Democraten tot november 2020 collectief alle energie aanwenden om Trump te verslaan met een belofte voor de progressieve vleugel dat belangrijke wensen van hun politieke programma (immigratie/grens, omslag in klimaatbeleid en interne democratie in eigen partij) ingewilligd worden. Voorwaarde is dat het politieke debat binnenskamers blijft en Trump niet kan dienen.

Een citaat uit een artikel van George Chesterton over culturele toe-eigening raakt de kern: ‘It feels as if progressives are winning the culture war but losing the political one, in which power increasingly rests with an activated right’. Het winnen van de culturele oorlog in de publieke opinie of op sociale media is waardeloos als tegelijk de politieke oorlog wordt verloren. Daar worden wetten gemaakt en besluiten genomen die de levens van de burgers bepalen die ze economisch afhankelijk maakt. Hoe zinvol is het om de strijd over cultuur en identiteit te winnen als men de strijd om de productiemiddelen, productieverhoudingen en politiek verliest?

Verder doordenkend, is de cultuurstrijd geen vette wortel die progressieven als afleiding wordt voorgehouden en waarin ze gretig bijten zonder dat ze ten volle beseffen dat ze ermee vooral de tegenstander dienen van wie ze het minste te verwachten hebben? In twee tweets stemde ik in met de observatie van Jon Favreau:

Foto: Tweet van acteur en regisseur Jon Favreau, 13 juli 2019 en mijn reactie van 14 juli 2019.